Gezondheidsmanagement in het bedrijfsleven deel 2

door | aug 7, 2018 | vitaliteit, Vitaliteitscoach, Vitaliteitsmanagement | 0 Reacties

Bedrijven zijn massaal gezondheidsmanagementprogramma’s aan het implementeren als onderdeel van een duurzaamheidsbeleid. In ons vorig artikel ‘Effectiviteit gezondheidsmanagement in het bedrijf‘ werd duidelijk dat ze niets opleveren en toch zweren sommige bedrijven dat ze resultaten halen. Dat vereist enige toelichting.

 

 

Representatief?

Uit het Illinois workplace wellnessonderzoek bleek dat de medische kosten niet daalden en het aantal fitnessbezoeken niet toenam. Dit is in strijd met rapporten van praktijkimplementaties, waaruit zou moeten blijken dat de actieve deelnemers gezonder gedrag vertonen dan de niet-deelnemers. De verschillen zijn simpel te verklaren, aangezien het Illinois-onderzoek een gerandomiseerd experiment is waarbij de interventie- en de controlegroep sociodemografisch gelijk zijn. In het normale bedrijfsleven is dat niet het geval, om reden dat een aanbod om mee te doen met een gezondheidsmanagementprogramma vooral wordt aanvaard door werknemers die een bovengemiddelde interesse hebben in dit onderwerp. De groep is daarmee niet representatief voor de rest van het bedrijf. Om deze claim kracht bij te zetten hebben de auteurs van het Illinois workplace wellnessonderzoek besloten om een observationele analyse te doen, zoals het normaal zou gebeuren in een bedrijf.

In de praktijk lijkt een sport- en leefstijlprogramma de loyaliteit te vergroten, maar dat is een illusie

Observationele analyse

In het onderzoek werden 4.800 vrijwilligers gerandomiseerd over een controlegroep van 1.500 deelnemers die niets aangeboden kregen, terwijl de overige 3.300 uit de interventiegroep, screenings- en wellnessprogramma’s doorliepen. Zowel de interventie- als controlegroep verschilden van de rest van het bedrijf, omdat ze zich vrijwillig hadden aangemeld. In de praktijk zouden de deelnemers vergeleken worden met overige niet-deelnemende werknemers van het bedrijf. De onderzoekers analyseerden daarom naast hun eigen veel nauwkeurigere aanpak, ook op deze wijze en dan lijkt het programma succesvol. De gemiddelde werknemers ging bijvoorbeeld 3,8 maal per jaar naar het fitnesscentrum, terwijl de interventiegroep op 7,4 keer zat. Als de interventiegroep echter werd vergeleken met de controlegroep, dan bleek er geen verschil tussen te zitten. Een ander meetpunt was deelname aan de hardloopwedstrijd en voor het bedrijf was participatie 3,3 procent, terwijl dat in de interventiegroep 9,2 procent was. Ook hier is echter geen verschil met de controlegroep, ook niet voor de medische uitgaven. Een zeer interessante meting was het vrijwillig verloop, aangezien dit voor niet-participanten in dat jaar op 15,4 procent lag, terwijl de interventiegroep op 7,2 bleef hangen. Daardoor lijkt het alsof een dergelijk initiatief meer loyaliteit uitlokt bij de werknemer, maar ook hier was er nauwelijks verschil tussen de interventie- en de controlegroep. Wat bedrijven observeren is juist, wat ze concluderen echter niet.

De observaties in de praktijk zijn juist, de conclusies niet

Correcties

Het probleem met observationele onderzoeken in het algemeen is dat er allerlei factoren zijn die de uitkomst kunnen beïnvloeden; de zogenaamde verstorende variabelen. Dit is bijvoorbeeld ook in voedingsonderzoek waarbij men bijvoorbeeld wil zien of veganisten gezonder zijn. Het probleem is echter dat veganisten minder roken, minder alcohol drinken, hoger opgeleid zijn, etc. Leven ze langer omdat ze plantaardig eten of om andere redenen? Bekende verstorende variabelen worden daarom in kaart gebracht en eventueel gecorrigeerd. Zijn er bijvoorbeeld rokers onder veganisten die toch langer leven dan vleeseters die ook roken? En hoeveel dan? Vervolgens wordt ingeschat wat het aandeel zou kunnen zijn van deze verstorende variabelen om vervolgens een correctiefactor te introduceren. Dit soort correcties mogen altijd met flinke argwaan worden benaderd. Zo ook in het Illinois-onderzoek waarin men bijvoorbeeld corrigeerde op geslacht, leeftijd, ras, salaris en functie. Ook dan bleef het verschil tussen de participanten en de niet- participanten overeind. Zelfs in een zwaardere correctieslag, waarbij men een vorm van kunstmatige intelligentie inzette, kon men het verschil niet verklaren. Factoren als vroegere gezondheid, roken, drinken, ziekteverzuim en medicatiegebruik werd geanalyseerd, maar ook die konden het verschil niet verklaren. De experiment/observatiehybride toont drie zaken aan, namelijk dat het gerapporteerde succes van gezondheidsmanagementprogramma’s in de praktijk vertekend zijn, dat men met recht argwanend moet zijn naar correcties bij observationele onderzoeken in het algemeen en dat we serieus af moeten vragen of leefstijl in het basispakket daadwerkelijk iets gaat toevoegen, aangezien dit eveneens op een observationeel onderzoek is gebaseerd.

In de praktijk rapporteert men zoals dat gebeurt in een observationeel onderzoek, maar die resultaten zijn nogal vertekend. De echte resultaten van gerandomiseerd onderzoek cirkelen namelijk in het midden rond de nullijn en laten geen effect zien, terwijl die observationele resultaten de illusie van succes creëren.

Overig bewijs

Ook de systematische overzichtsartikelen zijn weining optimistisch

Het is nooit goed om een standpunt te baseren op een enkel onderzoek en daarom is het handig om te kijken naar het totaal aan bewijs in de vorm van een aantal overzichtsartikelen. Allereerst werd in 2008 door TNO al gevonden dat belangrijke groepen ontbraken bij gezondheidsinitiatieven, namelijk rokers, ex-rokers en managers. Als het ging om sporten, dan bleken vooral de jongere medewerkers daar het meest gevoelig voor te zijn, die juist de minste geldbesparing opleveren. Zelfs dan bleek de frequentie tussen de 2,0 en 4,1 per maand te zijn en dat is waarschijnlijk te weinig voor echte gezondheidsverbetering (TNO 2008). In 2013 werd vastgesteld dat gezondheidsprogamma’s inde VS geld kunnen besparen, maar alleen als ze kwetsbare groepen straffen en niet zozeer door ze te helpen (Horwitz 2013). Ook in de staat Californie is uitgebreid onderzoek gedaan naar dit soort programma’s en dat ze niet leiden tot verbetering in bloeddruk, bloedglucose of cholesterolwaarden (CHBRP 2013). Uit een systematisch overzichtsartikel bleek voordeel uit de inzet van dit soort programma’s, maar die werden niet bevestigd door de gerandomiseerde experimenten (van Dongen JM 2013). Een daaropvolgend groter systematisch overzichtsartikel  (Baxxter S 2014) met daarin 52 experimenten liet zien dat quasi-experimentele en observationele onderzoeken een duidelijke ROI (return on investment) suggereerde. De gerandomiseerde experimenten daarentegen vertoonden een negatieve ROI. Dit ligt in lijn met dit grote Illinois Workplace Wellness onderzoek wat de aanleiding was van dit artikel.

Psychosociale arbeidsbelasting

Een duurzaamheidsbeleid vereist een vitaliteitsinsteek en nieuwe KPI’s

Uit diverse onderzoeken zijn al signalen gevonden dat sport- en leefstijlprogramma’s voor het bedrijfsleven matig tot niet werken. Het is daarom belangrijk om verder te kijken. Uit een recent overzichtsartikel blijkt dat psychosociale werkstress correleert met het metaboolsyndroom (Watanabe K 2018). Het is onduidelijk of stress zelf, via een stress-as disfunctie, leidt tot het metaboolsyndroom, of dat stress ervoor zorgt dat men minder goed voor zichzelf zorgt. Bij Chivo gaan we vooralsnog uit van die laatste, mede omdat stress zorgt voor meer impulsiviteit (Baldwin CL 2018). Hoewel men stressmanagement vooral in verband brengt met burnoutklachten is het belangrijker om te begrijpen dat andere minder zichtbare zaken een veel grotere invloed op de uitkomsten van het duurzaamheidsbeleid hebben. Stressmanagement zou een hoge prioriteit moeten hebben en daarmee bedoelen we niet in de vorm van yoga, (mindfulness) meditatie en slaapworkshops, omdat die vooral gaan over de symptomen. Het is belangrijker om te kijken naar oorzaken zoals pesterijen of de wijze waarop leiding wordt gegeven. Het is namelijk duidelijk dat meer dan de helft van de medewerkers hun leidinggevende als primaire stressbron ervaren en ook om die reden vertrekken. Een sport- en leefstijlprogramma gaat dit soort zaken niet oplossen, sterker nog, het kan stigmatisering van obesitas in de hand werken waardoor stress alleen maar toeneemt. Als men bezig is met stress, dan is men vooral bezig met overleven. Als men echter wil dat de werknemers leven, dan moet men niet kiezen voor sport- en leefstijlprogamma’s, maar voor een vitaliteitsinitiatief. Dat vereist een nieuwe invulling van het duurzaamheidsbeleid en nieuwe KPI’s.

Conclusie

In de praktijk lijken sport- en leefstijlprogramma’s te werken, maar niets is minder waar. Er is geen effect op gezondheid, gezondheidsbevorderend gedrag, medische uitgaven of loyaliteit. Het zijn illusies die in stand worden gehouden door slecht opgezette meetmethodieken, waardoor het niet mogelijk is om het echte effect te meten. Als men echter deze illusies in stand houdt, dan gaat men voorbij aan de vraag waarom de gemiddelde werknemer en ook de Nederlander niet voor zichzelf wil zorgen.

Meer lezen uit deze categorie 'Vitaliteitsmanagement':

Clip: Meer kritiek op mindfulness meditatie in de media

Mindfulness is een hype, maar is dat terecht? Er is namelijk steeds meer kritiek vanuit de media op het fenomeen dat een industrie is geworden. Een clip is een kort item over een onderzoek of een curiositeit. Het is geen uitputtende verhandeling over het onderwerp,...

Effectiviteit gezondheidsmanagement in het bedrijf

  Steeds vaker blijken bedrijven te investeren in gezondheidsmanagement en naar schatting hebben 50 miljoen werknemers over de hele wereld deze deels of geheel ondergaan. Een effectiviteitsanalyse die de wetenschappelijke toets kan doorstaan is zeldzaam, maar recent...

Dit onderwerp komt aan bod in de volgende opleidingen:

Meer lezen uit overige (kennisbank) categorieën:

 

De ziekte burnout erkend

De moderne wereld en de millennialgeneratie in het bijzonder wordt geplaagd door een ziekte die burnout genoemd wordt. De schatting is dat 14 procent van de werkende bevolking hier last van heeft, maar toch was er geen erkenning. De Wereldgezondheidsorganisatie heeft...

Wat voegt de leefstijlarts toe?

De belangstelling voor leefstijlgeneeskunde bij (huis)artsen neemt toe en dat lijkt terecht te zijn, aangezien veel van de gezondheidsproblemen ontstaan door de wijze waarop we leven. Nu hebben we al leefstijlcoaches en diëtisten. Wat voegt de leefstijlarts toe?    ...

Is leefstijlgeneeskunde beter?

Ruim 30 geneeskundigen, hoogleraren en economen pleiten voor een radicale verandering in de gezondheidszorg om de diabetesepidemie te keren. Ze ondertekenden een brief die gepubliceerd werd in de NRC, waarin ze beschrijven hoe het breed implementeren van...

Redactionele noot

Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, worden opgeslagen of openbaar gemaakt in enige vorm of op enige wijze zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.

We vernemen graag feedback over onze artikelen, omdat we verantwoording afleggen voor claims belangrijk vinden. Een clip is een korte post over actualiteit, een uitgelicht onderzoek of een curiositeit. Het is geen uitputtende verhandeling over het onderwerp, maar is bedoeld om een punt te maken door het in de context te plaatsen. We vernemen graag feedback over onze artikelen, omdat we verantwoording afleggen voor claims belangrijk vinden. 

Wil je kennis uitwisselen over vitaliteit, fitness en leefstijl met andere (aspirant)professionals, bezoek dan Café Chivo op Facebook.

 

  • 11 maart 2019: Toegevoegd een alinea ‘Overig bewijs’

Geraadpleegde bron(nen)

  • Baldwin CL (2018), Finley AJ, Garrison KE, e.a. Higher trait self-control is associated with less intense visceral states. Journal Self and Identity Published online: 27 Jul 2018
  • Baxter S (2014), Sanderson K, Venn AJ, Blizzard CL, Palmer AJ. The relationship between return on investment and quality of study methodology in workplace health promotion programs. Am J Health Promot. 2014 Jul-Aug;28(6):347-CHBRP63
  • CHBRP (2013) California Health Benefits Review Program. Analysis of Senate Bill 189: Health Care Coverage: Wellness Programs. Report to California State Legislature. Oakland, CA: CHBRP.
  • Horwitz HR (2013), Kelly DR, and DiNardo JE. Wellness Incentives In The Workplace: Cost Savings Through Cost Shifting To Unhealthy Workers HEALTH AFFAIRS VOL. 32, NO. 3: PROMOTING HEALTH & WELLNESS
  • Jones D (2018), Molitor D, Reif J. What do workplace wellness programs do? Evidence from the Illinois Workplace Welness study.
  • TNO-rapport KvL/B&G 2008.064 | Juni 2008
  • van Dongen JM (2013), Proper KI, van Wier MF, e.a. Systematic review on the financial return of worksite health promotion programmes aimed at improving nutrition and/or increasing physical activity. Obes Rev. 2011 Dec;12(12):1031-49
  • Watanabe K (2018), Sakuraya A, Kawakami N, e.a. Work-related psychosocial factors and metabolic syndrome onset among workers: a systematic review and meta-analysis. Obes Rev. 2018 Jul 25.