Skip to main content

In een interessante discussie over de effectiviteit van de preventieve maatregelen tegen obesitas in Chili lijkt er op basis van de OECD-cijfers sprake van een gunstig effect. In de afbeelding zie je namelijk een percentage van 28% in het rapport uit 2015, terwijl er 26,4% wordt gerapporteerd in het rapport uit 2023. Dit is echter in strijd met andere data waarover wij beschikken. Hoe zit dat?

Als er verschillen zijn in uitkomsten, is het belangrijk om de methodologie te bestuderen. Je zult dan naar de onderbouwing en de bronnen moeten kijken. In de afbeelding wordt het raadsel opgelost:

"Break in time series in 2021 due to a change of source and methodology."

De twee tijdpunten kunnen niet met elkaar vergeleken worden vanwege een wijziging in de bron en de methodologie. Er is dus geen daling; er is sprake van onvergelijkbare bronnen.

Dat de maatregelen geen zichtbaar effect hebben, is pijnlijk duidelijk. In dit artikel uit 2024 zegt Pablo Villalobos, een Chileense consultant publieke gezondheid en beleid:

"OK, maybe the obesity rate keeps rising, but we don’t know the counterfactual."

Daar voegt hij aan toe:

"Without the policies, it could be worse."

Ja, het is mogelijk, alles is mogelijk, maar het is overduidelijk dat er van een trendkering geen sprake is. Er is dus geen enkel bewijs, dat deze relatief draconische maatregelen die al een decennium geleden zijn ingezet, effect hebben. Ze hebben ook in geen enkel ander land aantoonbare effect blijkt uit deze meta-analyse met 73 landen (Sassane M 2024).

  1. Zwarte etiketten

In 2016 voerde Chili zwarte etiketten in als producten teveel zout, verzadigd vet, suiker of kcal bevatten. In reactie op deze maatregelen passen voedselproducenten duidelijk de samenstelling van hun producten aan. Frisdrankfabrikanten schakelen over van suiker naar laagcalorische zoetstoffen, er wordt minder zout toegevoegd, het gehalte aan verzadigd vet neemt af of de hoeveelheid kcal per 100 ml wordt verminderd. Daar bleef het in Chili echter niet bij:

  1. Marketingbeperkingen

- Verbod op reclame voor ongezonde producten tussen 6:00 en 22:00 uur.
- Verbod op marketing gericht op kinderen tot 14 jaar, ook op sociale media.
- Geen tekenfilmfiguren meer op verpakkingen van ongezonde producten.
- Verbod op promotie met speeltjes (zoals Kinder Surprise).
- Verplichting om gezonde producten prominenter in de schappen te plaatsen.

  1. Schoolmaatregelen

- Verbod op de verkoop van ongezonde producten op scholen.
- Verbod op junkfood in schoolkantines.
- Supermarktregulering.

De enige recente peer-reviewed cijfers die beschikbaar zijn over Chili na 2016, tonen aan dat er geen trendbreuk is bij kinderen (Von Hippel 2024), die nog het minste controle hebben over wat ze eten. Er zijn ook geen signalen dat er bij volwassenen wel verbetering is. Integendeel, er zijn vooral aanwijzingen dat de situatie slechter is geworden.

De suikertaks is sinds 2014 van kracht en dus een decennium onderweg, en de zwarte etiketten zijn vanaf 2016 ingevoerd. Ook na tien jaar is er geen geen enkele reden om te veronderstellen dat deze maatregelen effectief zijn. Het betekent overigens niet dat er geen effect is, want dat is er na de introductie van de maatregelen zeker (Taillie LS 2021), maar het is van korte duur.

Er is geen enkel bewijs of zelfs maar een plausibel mechanisme dat het decennia moet duren voor je effect ziet. Het effect treedt doorgaans direct op, maar is van korte duur. Daarna treedt de hedonistische adaptatie in. Je went er dus aan, net als de burgers deden in Oekraine. Net na de inval van de Russen was iedereen diep ongelukkig, maar na 4 weken blijkt men terug te vallen naar baseline (Scharbert 2024).

Dat betekent overigens niet dat we geen maatschappelijke hervormingen door moeten voeren. Wij moeten echt terug naar de tekentafel en eens zien hoe de inkomens-, vermogens- en eduatiekloof de cognitieve- en emotionele bandbreedte innemen, waardoor er geen ruimte meer is voor gezondheid.

Suikertaks kansloos zonder maatschappelijke hervormingen in Chili

De beroemde uitleg van de econoom Milton Friedman van hoe vrije markten werken, vaak gepresenteerd in zijn boek Free to Choose en in interviews. Het potlood wordt gebruikt als een eenvoudig voorbeeld van hoe complexe samenwerkingsverbanden in een vrije markt tot stand komen zonder centrale planning.

Het verhaal in het kort:

Friedman stelt dat niemand op aarde zelf een simpel potlood kan maken, ondanks dat het een alledaags object is. De productie van een potlood vereist de samenwerking van talloze mensen en middelen over de hele wereld, vaak zonder dat zij dit zelf beseffen.

De componenten van een potlood:

  1. Het hout: Vaak afkomstig van een boom die in bijvoorbeeld Canada of Oregon is gekapt. Dit vereist houthakkers, vrachtwagens, brandstof, en meer.
  2. Het grafiet: Gewonnen in mijnen, misschien in Sri Lanka, waarbij mijnwerkers en transportbedrijven betrokken zijn.
  3. De metalen ring (die de gum vasthoudt): Gemaakt van erts, mogelijk uit Zuid-Amerika, en verwerkt door metallurgische bedrijven.
  4. De gum: Vaak gemaakt van synthetisch rubber, dat weer afhankelijk is van aardolieproductie.

Het centrale punt:

Niemand stuurt het hele proces aan, maar dankzij het prijsmechanisme en de prikkels van de vrije markt werken mensen over de hele wereld samen om een product als een potlood te maken. Elk individu handelt uit eigenbelang (bijvoorbeeld om een loon te verdienen), maar draagt daarmee bij aan een globaal proces dat tot complexe resultaten leidt.

Dit verhaal benadrukt de kracht van de markt en de coördinatie die mogelijk is zonder een centrale autoriteit. Friedmans boodschap is dat het prijsmechanisme een elegant systeem is dat zorgt voor efficiëntie en innovatie.

Wij zien vooral dat veel wezens samenwerken, maar dat de mens het samenwerken tot een absolute kunst heeft verheven. Het verhaal van Friedman, met of zonder betoog voor vrije markten, demonstreert dat als geen ander.

Er zijn talloze formele observaties waaruit blijkt dat jonge kinderen automatisch andere kinderen te hulp schieten die hulp nodig hebben, zonder dat er sprake is van een vrije markt. Die vrije markt is alleen maar mogelijk omdat we zo goed kunnen samenwerken. Wij leven om samen te werken, homo collaboratus.

Groepsdenken, veelal in het Nederlands ook gerefereerd als groupthink, is het idee dat men onder groepsdruk tot consensus komt zonder kritische evaluatie. De anekdote die het idee de wereld in lanceerde, liet echter al tegenstrijdige signalen zien.

Groupthink was volgens deze overleveringen de reden waarom operatie Varkensbaai om het regime van Fidel Castro van Cuba omver te werpen, leidde tot een totale nederlaag voor de Amerikanen.

Het was vooral opvallend hoe het briljante team van Kennedy, bestaande uit mensen met Ivy League-achtergronden, zo enorm kon falen. Het Varkensbaai-incident was zo’n ramp dat psycholoog Irving Janis het gebruikte als archetypisch voorbeeld van het fenomeen toen hij later zijn enorm invloedrijke theorie over groupthink ontwikkelde.

Volgens Irving Janis ontstaat groupthink in hechte groepen wanneer de druk om unanimiteit en conformiteit de betere oordelen van individuele leden overstemt. De wens naar groepscohesie zorgt ervoor dat mensen hun twijfels voor zichzelf houden. Omdat deze twijfels niet worden geuit, ontbreekt het aan afwijkende standpunten, waardoor groepen te zelfverzekerd worden over de wijsheid van hun keuzes.

Een analyse van psycholoog Roderick Kramer leidde echter tot veel meer details en toonde aan dat er wel degelijk tegenspraak was en dat er ook afwegingen van andere scenario's zijn gemaakt (Kramer RM 1998).

Daarmee is niet gezegd dat er geen fouten zijn gemaakt, maar die bleken deels te liggen in een ander motief, namelijk politicothink, de politieke consequenties van de aanval. Het probleem was dus niet per se druk vanwege sociale cohesie, maar conflicterende doelen. Er werden beslissingen genomen die in een later stadium andere agenda's konden dienen. Ironisch genoeg is dat het tegenovergestelde van sociale cohesie en is het Kennedy niet gelukt om iedereen scherp achter hetzelfde doel te krijgen.

Hiermee is niet gezegd dat er geen experimenteel bewijs is van groupthink, maar het gaat dan om compleet nieuw gevormde groepen, waarbij iedereen elkaar nog aan het aftasten is. Als deelnemers elkaar langer kennen, zoals bij vrienden, dan zie je dat dit niet en eigenlijk negatief correleert met groupthink (Hogg MA 1998).

De experimenten over groupthink hebben gemengde resultaten en dat is deels toe te schrijven aan onduidelijkheid over wat sociale cohesie nu daadwerkelijk betekent. Een tweede probleem is dat de kern van de theorie niet duidelijk is en een formele beschrijving met testbare hypotheses zou daarom prioriteit moeten hebben. Het voorkomt ook, zoals bij de operatie Varkensbaai, dat we verstorende variabelen missen. Groupthink zit wetenschappelijk nog niet heel stevig in elkaar, hoewel dit artikel van Harvard dat als een feit presenteert:

Vanuit een psychologische basisbehoeftenperspectief is er een hypothese dat gefrustreerde bindingsbehoefte leidt tot compensatiegedrag in de vorm van conformiteit, maar dat betreft een selecte groep (Bradshaw E et al 2023).

Daarmee is er een wetenschappelijke theorie om groupthinkhypotheses beter te onderzoeken en vooral ook wie er gevoelig voor is.

Groupthink genuanceerd

Natuurlijk draaide het om motivatiewetenschap, waarbij misschien wel de belangrijkste boodschap is dat je skepsis nog beter werkt als je uit kunt leggen wat je wel moet doen en in de podcast een aantal voorbeelden hiervan.

Skepsis podcast over motivatiewetenschap

De bestorming van het Capitool in de VS biedt belangrijke lessen over de dynamiek tussen leiders en volgers, maar ook sociale identiteit en verantwoordelijkheid in het duaal-agentschapsmodel (Haslam SA 2023).

Voor velen was Trump direct verantwoordelijk voor de opstand die daarop volgde. Ze zagen de acties van de menigte als een directe reactie op de instructies die hij in zijn toespraak had uiteengezet. De advocaten betoogde echter dat het figuurlijk was en dat de daders op eigen houtje handelde. We moeten verder dan deze binaire kijk op de leider-volgersrelatie.

Het duale-agentschapsmodel van identiteitsleiderschap en betrokken volgerschap verklaart de invloed van zowel leiders als volgers. Belangrijk is dat het ook hun wederzijdse invloed op elkaar onderstreept. Leiderschap en volgerschap kunnen beter worden gezien als een groepsproces dat draait om het gezamenlijk vestigen en cultiveren van een gedeelde sociale identiteit—een “gevoel van ons.”

Het resultaat is een relatie die krachtige collectieve krachten kan ontketenen- voor destructie (het Capitool) of voor positieve sociale verandering. Daarom is het belangrijk om het proces te begrijpen.

  1. Cultiveer gedeelde groepsidentiteit en omarm het.

Trumps toespraak op 6 januari bevatte duidelijke pogingen om een gedeelde identiteit naar voren te brengen—bijvoorbeeld door gebruik te maken van groepsgerichte taal (zoals 340 verwijzingen naar ‘wij’, ‘ons’ en ‘onze’), een gevoel van collectief slachtofferschap op te roepen, en zichzelf te presenteren als een succesvolle voorstander van de belangen van de groep. Zijn volgers omarmden deze gedeelde identiteit volledig, zoals te zien was in hun kleding en hun aanwezigheid op sociale media.

  1. Identificeer en promoot normen en doelen die de groep versterken

Bij het creëren van een samenhangende groepsidentiteit riep Trump tegelijkertijd vijanden op om tegen te vechten (bijvoorbeeld Democraten en de “nepnieuwsmedia”), moedigde hij zijn volgers aan om “de diefstal te stoppen” en stelde hij de doelen waar zijn volgers naar streefden als rechtvaardig (“we hebben waarheid en gerechtigheid aan onze kant”).

  1. Schets en faciliteer de acties nodig om groepsdoelen te bevorderen.

Ten slotte bood Trumps toespraak een visie voor een prestatie die hij en zijn volgers samen zouden kunnen bereiken, door oproepen tot actie zoals: “we lopen Pennsylvania Avenue af... en we gaan naar het Capitool, en we doen wat we kunnen.” Zijn volgers vielen daaropvolgend het Capitool aan.

Hoewel de acties van de leider een cruciale rol speelt, zie je de vrijwillige omarming van identiteit door de volgers. Er is een zelfstandige interpretatie van de acties. Het zijn geen passieve marionetten. Nog interessanter is dat de wijze waarop de oppositie reageert, die groepsidentiteit nog verder versterkt.

Hoe je dit duale-agentschapsmodel in kunt zetten om goed te doen lees je in onze aankomende nieuwsbrief VisieVitaal met als thema 'Pil tegen polarisatie'.

chivo.nl/nieuwsbrief

Het duaal-agentschapsmodel van leiderschap

Een hoopvol bericht, omdat de motivatie en de zelfregulatiecapaciteiten, zogenaamde non-cognitieve vaardigheden, in toenemende mate de academische prestaties voorspellen naarmate men ouder wordt, ongeacht de sociaal-economische status (SES), zo suggereert onderzoek (Malanchi 2024).

Die vondst is niet zo vreemd, omdat naarmate je ouder wordt, het belang van domeinkennis toeneemt en je met intelligentie alleen niet zult slagen. Dit is een punt dat ik regelmatig maak in discussies op LinkedIn, wanneer kritische mensen intelligentie verwarren met kennis. De motivatie/zelfregulatie factoren die onderzocht zijn.

  1. Emotieregulatie
  2. Gedragsmatige zelfregulatie
  3. Aandachtsregulatie
  4. Planning en organisatie
  5. Impulsbeheersing
  6. Volharding
  7. Stressmanagement

Gezamenlijk verklaren deze vaardigheden de variantie in academische prestaties:

  1. 9 jaar (1%)
  2. 12 jaar (17%)
  3. 16 jaar (26%)

De populatie (n=10.000) bestond uit:

  1. Eeneiige tweelingen (dezelfde genen, gedeelde omgeving)
  2. Twee-eiige tweelingen (50% gedeelde genen, dezelfde omgeving)
  3. Losse individuen (geen gedeelde omgeving of genen)

Hiermee kan de invloed op motivatie en zelfregulatie worden verklaard (afbeelding):

a2. 30-50% door genen
c2. 10% door gedeelde omgeving (bv opvoeding)
e2. 40-60% door niet-gedeelde omgeving

Het aandeel van opvoeding is dus beperkt. Dat weten ouders heel goed, en waarschuwen daarom voor slechte vriendjes. Het betekent ook dat er vanwege de contacturen, een bijzondere rol is weggelegd voor scholen

Toch is het zo dat jongeren met een lage SES minder vaak naar de universiteit gaan. Het maakt nogal uit of je SES als uitgangspunt neemt of motivatie/zelfregulatie. In het laatste geval zal SES niet zoveel uitmaken, maar het aandeel met hoge motivatie/zelfregulatie zal flink verschillen per SES. Dit is ook om niet-academische redenen belangrijk, omdat er een intieme relatie is tussen motivatie/zelfregulatie en psychisch/fysiek welbevinden. Dit deel kunnen beïnvloeden werpt vruchten af in verschillende domeinen. We hebben niet alleen solide wetenschappelijke theorie, maar ook succesvolle interventies die betrekking hebben op autonomie-ondersteuning, zoals ik recent heb gepost:

t.ly/quqtc

Zo weten we uit Finland dat later selecteren in het onderwijs bijdraagt aan een hogere deelname aan de universiteit door jongeren met een lage SES. Het gaat niet alleen om het beperken van keuzevrijheid op basis van vakken waarin iemand het slechtst scoort, maar ook om het afdwingen van een keuze wanneer iemand er nog niet aan toe is. Daarnaast is geen keuzes kunnen maken in een wereld met ongekende mogelijkheden weinig autonomie bevorderend. De ervaring van autonomie is cruciaal voor motivatie/zelfregulatie.

Al deze onderwerpen zijn nauw verbonden met motivatie, het specialisme van de BOvV vitaliteitskundige. Je kunt autonomie-ondersteuning leren. Leerkrachten en ouders via Project Fl!nk. Leidinggevenden via Moralys NL. Anderen leren trainen kan via Chivo.

chivo.nl/ovk

Beperkte invloed opvoeding als het gaat om zelfregulatie

In dit artikel van Lynn Berger pleit ze in De Correspondent voor sociale gezondheid. Goed zorgen voor relaties maakt je langer gelukkig en gezond. Het hebben van relaties is een psychologische basisbehoefte, zo betoogden Roy Baumeister en Mark Leary al in hun klassieke werk "The Need to Belong" uit 1995.

Berger bespreekt het boek van de Canadese onderzoeker Kasley Killam, getiteld The Art and Science of Connection. Mensen met een sterk gevoel van verbondenheid rapporteren 2,6 keer vaker een uitstekende gezondheid. Het boek bevat technieken om relaties in kaart te brengen, relaties te versterken en toxische relaties te beëindigen. Ook bevat het uitleg over hoe ‘prosociaal gedrag’, zoals dankbaarheid, vriendelijkheid en empathie, een positieve invloed heeft op ons brein en lichaam.

Daarnaast schrijft Berger over het boek The Connection Cure van journalist Julia Hotz, die pleit voor social prescribing – in Nederland bekend als "Welzijn op recept". Dit is echter niet opgenomen in het basispakket van de zorgverzekering. Hotz benadert verbinding vanuit een breder perspectief en brengt dit onder in vijf categorieën: bewegen, natuur, kunst, dienstbaarheid en verbondenheid. Ze stelt dat de huidige maatschappij ons juist verder van deze elementen afbrengt en daarmee bijdraagt aan psychische problemen.

Dat sociale relaties belangrijk zijn, weten we – anders zouden we het geen basisbehoefte noemen. Het is echter niet de enige psychologische basisbehoefte. Autonomie is dat eveneens. Dit is crosscultureel vastgesteld. Zo blijkt bijvoorbeeld dat nonnen die bij hun intrede een reflectieverslag schrijven waarin autonomie, vrijwillige en authentieke motivatie naar voren komen, langer leven (Weinstein N, 2019).

Wij zijn voorstander van social prescribing, maar vanuit een behoeftensteunend perspectief: hoe kan de omgeving (formeel of informeel) het bevredigen van psychologische basisbehoeften ondersteunen of faciliteren? Dit is waar verzekeraars zich op zouden moeten richten. De focus op sociale relaties alleen is te beperkt. In collectivistische culturen, waar verbondenheid groot is, zien we bijvoorbeeld een kortere levensverwachting en, interessant genoeg, minder altruïsme.

Er is veel kennis over wat mensen gelukkig maakt, en opvallend genoeg komt die kennis vaak niet van prestigieuze instituten zoals Harvard. De nadruk op relaties brengt ook risico's met zich mee. Zo benadrukt Killam dat prosociaal gedrag goed is voor welzijn, maar dat is een simplificatie. Interessant genoeg komt altruïsme juist vaker voor in landen met een hoge mate van individualisme (Rhoades SA, 2021). Als je kijkt naar de World Happiness Index, zie je dat de top 10 vooral bestaat uit individualistische landen. We weten ook dat conservatieve ideologie vaak gepaard gaat met minder altruïsme. Wat beide observaties delen, is de aanwezigheid, of juist de afwezigheid, van autonomie.

Het helpen bevredigen van de psychologische basisbehoeften draagt bij aan een fundamenteel recht, namelijk de ervaring van menselijke waardigheid. Het betekent dat je mensen helpt met het ontplooien van activiteiten die ze waardevol vinden voor zichzelf en de ervaring geeft van waarde zijn voor anderen, zoals we besproken hebben in onze whitepaper. Het draait dus niet uitsluitend om relaties, maar om waardigheid.

Social prescribing is een prima idee, maar het moet gericht zijn op het ondersteunen van alle psychologische basisbehoeften, niet uitsluitend op relaties. Anders loop je het risico dat je iemands autonomie ondermijnt, wat afbreuk doet aan waardigheid. Ga daarom voor Waardigheid op recept.

Dit is een onderwerp in onze opleiding vitaliteitskundige, waar we je een specialist maken in toegepaste motivatiewetenschap.

Waardigheid op recept

Vorige maand werd Brian Thomson, de directeur van een Amerikaanse zorgverzekeraar, neergeschoten op klaarlichte dag, en de reacties waren over het algemeen juichend. Dat is opmerkelijk, aangezien moord nooit iets is om te vieren. Hoe je de reactie kunt verklaren, bespreken we vanuit de motivatiewetenschap.

Er zijn meerdere mechanismen die mensen motiveren om een dergelijke daad te vieren, en ze zijn met elkaar verbonden. We bespreken er twee.

  1. Onkwetsbaarheid van onderdrukkers

We raken verontwaardigd als we zien dat kwetsbaren worden geschaad, zoals bij het schoppen van puppy’s of het uitbuiten van kinderen. In moreel onderzoek (Womick J 20240) wordt in beschrijvingen van scenario's gevraagd naar de inschatting van kwetsbaarheid. Uit Amerikaanse onderzoeken blijkt dat progressieven een CEO als onkwetsbaar beschouwen, terwijl conservatieven deze als matig kwetsbaar zien.

Interessant is dat progressieven de wereld lijken te verdelen in onkwetsbare onderdrukkers en kwetsbare onderdrukten, terwijl conservatieven de meeste mensen als even kwetsbaar zien. Progressieven zien Thomson dus eerder als een onderdrukker die is geëlimineerd, terwijl conservatieven hem als slachtoffer beschouwen. Dit verschil in perceptie van kwetsbaarheid speelt een belangrijke rol in het ontstaan van polarisatie.

  1. Morele typecasting

Het idee van morele typecasting (Grey K 2009) is dat mensen anderen vaak neerzetten als een held of een schurk. Het interessante daarbij is dat schurken volgens velen nauwelijks tot geen pijn kunnen voelen. Daarnaast wordt soms gesteld dat slachtoffers die pijn ervaren geen schuld treffen. Als een schurk iemand pijn doet, denken mensen vaak dat deze schurk zelf geen pijn kan ervaren.

In het geval van deze CEO zagen de meeste progressieven hem als een onderdrukker die slachtoffers uitbuit en daarom geen pijn kan voelen. Dit maakt het moeilijk om empathie voor hem te hebben. De gedachte dat de dader er mogelijk voor zorgt dat zorgverzekeraars hun klanten beter gaan bedienen (in plaats van uitbuiten), maakt hem in hun ogen zelfs tot een held.

De combinatie van deze twee psychologische constructen en de experimenten die daarmee zijn uitgevoerd, verklaart grotendeels dit ongepaste effect en vormt ook een belangrijke schakel in het begrijpen van hoe (politieke) polarisatie ontstaat.

Aan het einde van de week zal er een nieuwe VisieVitaal worden verzonden met als onderwerp ‘Pil tegen Polarisatie’. Ben je nog niet geabonneerd, dan kun je je hier inschrijven.

Moraliteit is een onderdeel van motivatiewetenschap en wordt in de opleiding tot Vitaliteitskundige (OVK) behandeld in de los te volgen module Toegepaste Ethiek (MTE) die vr 7 feb start.

Morele typecasting

Er wordt veel waarde gehecht aan zingeving en betekenis geven om een goed leven te leiden, maar daar is weinig bewijs voor. In deze podcast licht de wijlen Daniel Kahneman, de psycholoog die de Nobelprijs voor economie won, dit ook toe. Kahneman heeft een groot deel van zijn carrière besteed aan onderzoek naar geluk.

Het is niet alleen heel leerzaam voor mensen die geïnteresseerd zijn in het onderwerp, maar er is ook een interessante onthulling over een gesprek tussen hem en Martin Seligman, de grondlegger van de positieve psychologie.

Kahneman noemt Seligman, de goeroe van de positieve psychologie, hetgeen op zichzelf veelzeggend is, aangezien goeroe en wetenschap eerder tegenpolen zijn dan synergisten. Vervolgens vertelt hij dat Seligman hem ervan wilde overtuigen dat het leven van Kahneman betekenis had. Hij zou namelijk niet kunnen doen wat hij gedaan had als hij had gedacht dat het allemaal betekenisloos was. Kahneman zei echter dat hij elke dag uitkeek naar zijn werk of het oplossen van een probleem, zonder het gevoel dat het een hoger doel diende.

Dit haakt aan op het idee dat zingeving geen psychologische basisbehoefte is. Je wilt je psychologische basisbehoeften bevredigen, en dan ervaar je automatisch zingeving. Een keuze of een activiteit die aansluit op je psychologische basisbehoefte heeft zin, en anders geef je het zin. Sturen op zingeving kan een groot effect hebben, maar vooral achteraf.

Het is interessant, omdat het boek Authentic Happiness van Seligman en ook de opvolger Flourish wel over geluk gaat, zonder een duidelijke definitie te geven. In het tweede boek gaat het vooral over 'meaning', als onderdeel van het acroniem PERMA. Het lijkt heel belangrijk te zijn, maar Seligman kreeg Kahneman er niet van overtuigd — en Kahneman had ook de data om zijn standpunt te ondersteunen in tegenstelling Seligman.

Een andere mooie onthulling was dat Kahneman om de verkeerde reden de Nobelprijs had gewonnen. Hoe dat zit, mag je zelf beluisteren.

Kahneman is een van de grootheden in het veld van de psychologie en kreeg niet alleen de Nobelprijs, maar was ook de grondlegger van de discipline gedragseconomie. De podcast werd vier dagen voor zijn overlijden opgenomen, toen hij net drie weken 90 was.

Kahneman over zingeving en geluk

Eudaimonie gaat over een goed leven door goed te doen, en de oorsprong van het woord is ontleend aan de woorden eu (goed) en daimon (geest), zoals in de afbeelding. Men associeert het met geluk, maar goed voelen is niet het doel!

Socrates vond dat goed doen vooral ging over deugdzaam leven en niet meer dan dat, maar Aristoteles vond dat je ernaast rationeel moest zijn. Interessant is dat Aristoteles ook vond dat goede vrienden hebben er een deel van uitmaakt. In het stoïcisme daarentegen zijn vrienden niet essentieel voor eudaimonie, wat wetenschappelijk gezien een zwakte is in hun filosofie. Ze pleiten echter allemaal voor goed leven door goed te doen!

Het concept van eudaimonie kent vele interpretaties, en de vertaling naar de psychologie levert een soortgelijke Babylonische spraakverwarring op. Het bekendste model is waarschijnlijk van Caroline Ryff, die op basis van het werk van Aristoteles zes dimensies definieerde van eudaimonisch welbevinden:

  1. Doelgerichtheid (purpose)
  2. Persoonlijke groei
  3. Autonomie
  4. Omgevingsbeheersing (competentie)
  5. Zelfacceptatie
  6. Positieve relaties

Zij was een van de eersten die er grootschalig bevolkingsonderzoek naar deed en heeft daarmee baanbrekend werk verricht. Het is echter de vraag of die dimensies wel zo goed van elkaar te scheiden zijn, waardoor de resultaten vaak onbetrouwbaar zijn (Burns 2008).

Een andere stroming die zich bezighoudt met eudaimonie is de positieve psychologie, met Seligman in het bijzonder, die het model PERMA introduceerde:

  1. Positive emotion
  2. Engagement
  3. Relationships
  4. Meaning
  5. Accomplishment

Maar deze stroming moet eerst kiezen of het draait om goed doen of goed voelen. Als eudaimonie het uitgangspunt is, dan is PERMA per definitie in strijd met zichzelf. Het is allemaal heel aaibaar, maar de harde claims over wetenschappelijke onderbouwing hebben de tand des tijds niet doorstaan (Friedmal HL 2018).

Dan blijft nog de zelfdeterminatietheorie (ZDT) over, die het best aansluit op goed doen, waarbij goed doen betekent dat de volgende psychologische basisbehoeften (PBB) worden bevredigd.

  1. Autonomie
  2. Binding
  3. Competentie

Dat leidt vaak tot goed voelen, maar dat is niet per se het doel. Dit sluit ook sterk aan op het gedachtegoed van Aristoteles, dat gericht is op zelfontwikkeling en leidt tot een goed leven. In tegenstelling tot de schalen van Ryff zijn de PBB goed van elkaar te scheiden. Eudaimonie volgens Aristoteles (en niet volgens de stoïcijnen) heeft daarmee een degelijke wetenschappelijke basis. De ZDT zit zo op de essentie dat het zowel welbevinden als psychopathologie kan verklaren en voorspellen. De ZDT is daarmee verre van compleet, maar is voor ons een macroraamwerk waar goede aanvullende wetenschappelijke theorieën naadloos op aansluiten.

Dit is een onderwerp in de opleiding Vitaliteitskundige (OVK), die gericht is op toegepaste motivatiewetenschap. Meer info:

chivo.nl/ovk

Eudaimonie in de psychologie