Volgens het meest recente HBSC-onderzoek daalt de homoacceptatie scherp. De manosphere wordt genoemd als mogelijke oorzaak, maar vanuit motivatieperspectief is die eerder een gevolg. Laten we onder de motorkap kijken.
💡 Status
Mensen willen door de groep geaccepteerd worden (sociometer) en niet als minderwaardig behandeld worden (hierometer). Deze behoeften hangen af van externe validatie en verschillen van de basisbehoeften uit de zelfdeterminatietheorie, die in staat zijn om statusangst te dempen, maar biologie speelt ook een rol. Met deze achtergrond bespreken we de hypothetische causale keten.
➡️ 1 & 2 (Inkomens)ongelijkheid en statusangst
Dit verband is gevonden in multilandenstudies en experimenten. Er is weinig verschil tussen de geslachten (Blake 2026).
➡️ 3. Geslachtsspecifieke dreiging
Geslachtsspecifieke dreigingen, zoals bedreiging van mannelijkheid, vinden steun in deze meta-analyse (Lorenz 2026).
Bij vrouwen leidt een beoordeling als minder vrouwelijk op basis van het gezicht tot meer statusangst en lagere eigenwaarde (Wittlin 2026).
➡️ 4. Geslachtsspecifieke gevoeligheid voor elitecues
Als de elite (vul maar in) boodschappen verspreidt die geslachtsspecifieke status bedreigen, volgen ook geslachtsspecifieke reacties.
Niets mis met feminisme, tot je de mannelijkheid aantast (Roderiques-Rivera 2021).
Als wordt gesteld dat mannen dominant zijn in bestuursraden, reageren mannen
negatiever dan vrouwen (Teigen 2021).
Ook vrouwen reageren op elitecues. Een verbod op tacklefootball voor kinderen riep bijvoorbeeld sterke negatieve reacties op bij Republikeinse moeders (Kilpatrick 2025).
Waarden spelen mee.
➡️ 5. Zero-suminterpretatie
Bij statusangst is het gevoel er al; daarna zoeken we een verklaring: attributie. Draait die om winnaars en verliezers (zero-sum), dan wordt de reactie intenser.
➡️ 6. Tolerantieafname
Tolerantie neemt breder af: niet alleen homoacceptatie, maar ook acceptatie van migranten en de democratische rechtsstaat.
💡 Manosphere en sociale media
De manosphere is een zero-suminterpretatie (niveau 5); sociale media versterken hooguit elitecues (niveau 4). De keten is hypothetisch, maar elk onderdeel kent aannemelijk bewijs. Dat verklaart meer dan sociale media -> manosphere -> homohaat.
💡 Boodschap voor politici
Als sociaal-progressieve partij kom je terecht op voor de groep zonder stem. Vergeet echter niet dat ook de groep mét stem zich benadeeld voelt, ook al lijkt dat niet. Die houding kent overigens ook een specifiek psychologisch mechanisme dat morele typecasting wordt genoemd.
En voor de mensen die pleiten voor minder psychologie, want dat is individualistisch, heb ik ook een boodschap. Dat standpunt is niet alleen ongeïnformeerd, maar gewoon verkeerd. Er is meer psychologie nodig in beleid!
🔎 Meer leren
Meer over motivatie op individueel, groeps en samenlevingsniveau leer je in de opleiding Vitaliteitskundige (chivo.nl/ovk).
Bokscoaching is niet een kwestie van even de woede eruit slaan. Boksen werkt niet als angermanagement. Het versterkt namelijk wat er al is, waardoor je in de dagen erna meer woede-uitbarstingen kunt verwachten (Kjærvik, et al 2024).
Hoe dat werkt, laat zich goed illustreren aan de hand van het klassieke emotieonderzoek uit 1974 op de Capilano-hangbrug in Canada (afbeelding).
💡 Liefde op het eerste gezicht?
Een vrouwelijke onderzoeker sprak mannen aan direct nadat ze de brug waren overgestoken. Ze stelde enkele vragen, liet hen een kort verhaal schrijven en gaf haar telefoonnummer voor eventuele vragen over het onderzoek. Bij een andere groep deed ze hetzelfde, maar dan tien minuten na het oversteken.
De verschillen waren opvallend. In de verhalen van mannen die direct na de brug waren ondervraagd, kwamen meer seksuele toespelingen voor. Van de 18 mannen uit deze groep belden er 9; van de groep die tien minuten de tijd kreeg om te kalmeren, belden er slechts 2. Dat gedrag werd geïnterpreteerd als een uiting van sterkere seksuele aantrekkingskracht (Dutton & Arthur 1974).
Het idee is dat de wiebelende brug, ongeveer 100 meter boven een ravijn, de hartslag en algemene lichamelijke opwinding verhoogt. Wanneer de mannen de vrouw al aantrekkelijk vonden, versterkte die opwinding hun aantrekkingskracht. De spanning versterkte dus wat er al aanwezig was. Dit is overigens ook van toepassing op affectieve polarisatie. Dat het aanwezig is, dat hoeft geen probleem te zijn. Het kan door externe omstandigheden wel tot uiting komen.
Dit principe is recent opnieuw onderzocht met een VR-bril in een datingcontext. Ook daar bleek dat een spannende ervaring een bestaande beoordeling kan versterken (Esher 2026).
Werd de partner aantrekkelijk gevonden, dan nam die beoordeling toe. Maar andersom gold hetzelfde: bij een minder aantrekkelijke partner kon de beoordeling juist negatiever worden.
💡 Boksen en emoties
Als boksen niet werkt als angermanagement, hoe kun je het dan wel als coachtool inzetten? Juist door gebruik te maken van die versterkende werking.
Sommige mensen voelen hun emoties slecht of herkennen ze onnauwkeurig. Een opwindende activiteit kan die emoties versterken, waardoor ze beter waarneembaar worden. Dat biedt vervolgens een aanknopingspunt om te onderzoeken wat iemand voelt, hoe die emotie wordt geïnterpreteerd en hoe ermee wordt omgegaan.
Boksen is dan niet bedoeld om woede ‘eruit te slaan’, maar om emoties beter zichtbaar en bespreekbaar te maken.
🔎 Meer leren
Wil je emotieregulatie leren toepassen met cognitieve herwaardering, acceptatie, integratieve emotieregulatie én de neurofysiologische kant van emoties? In onze module Emotieregulatie leer je deze onderdelen samenbrengen in een concrete, samenhangende aanpak. Meer info:
Hebben mensen een voorkeur voor de eigen groep en een hekel aan de andere groep? Een nieuwe analyse van Otten (2026) zet dat idee onder druk: mensen blijken prosociaal tegenover zowel de binnen- als de buitengroep.
💡 De opzet
Otten (2026) combineerde zes grote internationale datasets met gegevens van ruim 743.000 mensen uit 121 samenlevingen. In alle datasets werd afzonderlijk gemeten hoe prosociaal mensen waren tegenover hun binnengroep en buitengroep, bijvoorbeeld via vertrouwen, samenwerking, tolerantie of het verdelen van geld. Zo kon worden onderzocht of mensen die behulpzaam zijn tegenover hun eigen groep dat ook zijn tegenover buitenstaanders.
Daarnaast onderzocht Otten of binnen- en buitengroepprosocialiteit samen één algemene prosociale houding vormen en onderscheidde hij typen deelnemers, zoals universeel prosociale, parochiaal prosociale en zelfgerichte mensen.
💡 De bevindingen
Het belangrijkste resultaat is dat prosocialiteit tegenover de binnengroep en buitengroep positief samenhangt: wie prosocialer is tegenover de binnengroep, is meestal ook prosocialer tegenover de buitengroep. De afbeelding laat dit zien: de trendlijn loopt van linksonder naar rechtsboven.
Die samenhang was in alle zes datasets positief en vrij sterk, met correlaties van r = .40, .69, .83, .59, .56 en .65. Tegelijk waren mensen gemiddeld iets prosocialer tegenover hun binnengroep dan tegenover de buitengroep. Dat verschil varieerde sterk: van Cohen’s d = .06 en .14 (zeer klein) tot d = .47, .55 en .70 (klein tot middelgroot) en d = 1.50 (zeer groot). Kortom: er is binnengroepvoorkeur, maar die gaat doorgaans samen met prosociaal gedrag richting de buitengroep.
💡 Overwegingen
Sommige onderzoekers, zoals Choi & Bowles (2007), hanteren een nauwe interpretatie van parochiaal altruïsme, waarin binnengroepliefde samengaat met vijandigheid tegenover de buitengroep. Brewer (1999) stelde echter al dat binnengroepvoorkeur en buitengroephaat geen spiegelbeeld zijn. Halevy et al. (2008) lieten dit experimenteel zien. Otten bevestigt dit patroon nu in een grootschalige landenvergelijking.
Prosocialiteit is ook relevant voor rechtvaardigheid. Je kunt rechtvaardigheid zien als een verdelingsnorm en als een manier om samenwerkingsproblemen op te lossen. Mensen werken samen met mensen die ze niet kennen en soms nooit zullen ontmoeten. Wie doneert om nood te verlichten in getroffen gebieden, deelt een deel van zijn middelen met onbekenden.
Individuele verschillen worden daarmee niet ontkend. Wel blijkt keer op keer dat samenwerking en prosocialiteit breed menselijke eigenschappen zijn. Samenwerking is immers essentieel voor ontwikkeling.
Dat vormt ook de basis voor onze definitie van vitaliteit: de energie om te ontwikkelen. Wij passen dit begrip toe op individuen, groepen, teams, organisaties en de samenleving. Meer info:
Morele verwonding is volgens ons niet goed te bestuderen zonder eerst scherp te zijn over twee vragen: wat verstaan we onder moraliteit, en hoe ontstaan emoties na een morele gebeurtenis?
Dat wordt goed zichtbaar wanneer we twee recente lijnen van onderzoek naast elkaar leggen: de validatie van een meetinstrument voor morele verwonding bij Nederlandse veteranen én onderzoek naar de relatie tussen morele gebeurtenissen en emoties.
Een recent gevalideerde Nederlandse schaal voor morele verwonding is gebaseerd op een Amerikaans instrument van Currier et al. (2018). Het instrument werd onderzocht bij 455 behandelingzoekende Nederlandse veteranen uit vier gespecialiseerde psychotraumacentra. Een belangrijke uitkomst is dat morele verwonding empirisch te onderscheiden bleek van PTSS. Dat is relevant en klinisch waardevol.
Tegelijkertijd roept de theoretische basis vragen op.
💡 Van morele gebeurtenis naar emotie
Het instrument sluit aan bij een sociaal-functionalistische benadering van moraliteit en emotie. Daarin bestaat de gedachte dat bepaalde typen morele schendingen relatief specifieke emoties oproepen.
Die gedachte zien we ook terug in bekende theorieën als Haidts Social Intuitionist Model, de CAD-triade van Rozin en Moral Foundations Theory. Grofweg: schendingen van autonomie zouden bijvoorbeeld vooral woede oproepen, terwijl schendingen rond puurheid sterker met walging samenhangen.
Je zou dit een SIM-achtige benadering kunnen noemen: het type morele gebeurtenis stuurt in belangrijke mate welk type emotie volgt.
Juist dat uitgangspunt wordt in ander onderzoek ter discussie gesteld.
Vanuit appraisaltheorie wordt emotie niet primair bepaald door de categorie waarin een gebeurtenis valt, maar door de manier waarop iemand die gebeurtenis beoordeelt. Daarbij spelen onder andere persoonlijke relevantie, verwachtingen, ervaren controle, onverwachtheid, onzekerheid en omstandigheden een rol.
Dat levert een ander beeld op.
Een schending van autonomie bleek bijvoorbeeld niet eenvoudigweg tot woede te leiden. Wanneer een gebeurtenis persoonlijke waarden sterk raakt, namen meerdere negatieve emoties toe — in het betreffende onderzoek zelfs vooral walging. Bij schendingen van gemeenschapswaarden, waarbij vanuit een SIM-achtige benadering vooral verachting of woede zou worden verwacht, werd juist verdriet vaak gerapporteerd.
De relatie tussen gebeurtenis en emotie blijkt dus minder één-op-één dan sommige modellen veronderstellen.
Dat maakt het begrip ‘morele emotie’ ingewikkelder. Zeker wanneer de redenering circulair dreigt te worden: we classificeren een gebeurtenis als walgelijk, constateren vervolgens walging en gebruiken die emotie daarna als bewijs dat het om dit type morele schending ging.
💡 Maar wat is eigenlijk een morele schending?
Daarmee komen we bij een nog fundamentelere vraag.
Het Nederlandse meetinstrument hanteert geen scherp uitgewerkte definitie van moraliteit. Dat lijkt misschien theoretisch, maar heeft directe gevolgen voor welke gebeurtenissen als moreel relevant worden beschouwd, welke items worden opgenomen en hoe uitkomsten worden geïnterpreteerd.
Binnen modern onderzoek naar moraliteit wordt bijvoorbeeld benadrukt dat schade niet simpelweg gelijkstaat aan ‘iets wat tegen mijn waarden ingaat’. Bij prototypische morele schendingen is vaak sprake van een relatie tussen een handelende persoon — een agent — en iemand of iets dat schade ondervindt — een patiënt.
Dat onderscheid blijkt relevant.
Concrete gebeurtenissen zoals iemand slaan of een dier schoppen roepen relatief duidelijke reacties op. Een gebeurtenis die vooral strijdig is met iemands persoonlijke kernwaarden laat een ander emotioneel patroon zien.
Een schending van mijn waarden is dus niet automatisch hetzelfde als een morele schending.
Dat onderscheid is voor onderzoek naar morele verwonding essentieel. Wie beide onder één noemer plaatst, loopt het risico psychologisch verschillende processen samen te voegen.
En dat heeft mogelijk ook gevolgen voor begeleiding en behandeling.
💡 Dezelfde spanning zien we terug in de schaal
Het meetinstrument onderscheidt zelfgerichte en andergerichte morele verwonding. Schuld en schaamte worden sterker gekoppeld aan de zelfgerichte factor en woede vooral aan de andergerichte factor.
Maar ook hier blijkt de werkelijkheid minder netjes.
Eén algemene factor verklaarde ongeveer 70% van de gemeenschappelijke variantie. Woede hing bovendien niet alleen met andergerichte, maar met beide factoren samen. Zelfgerichte woede wordt in de schaal nauwelijks expliciet gemeten, terwijl die in ander onderzoek wel wordt gevonden.
Dat kan mede verklaren waarom het tweefactorenmodel psychometrisch niet optimaal paste. Voor Nederland is bovendien nog niet bekend hoe stabiel de schaal door de tijd heen is, omdat het onderzoek cross-sectioneel was.
💡 Walging, puurheid en universele emoties
Een vergelijkbaar probleem speelt rond walging.
Walging wordt binnen sommige morele theorieën gekoppeld aan ‘puurheid’. Maar puurheid is binnen de hedendaagse morele psychologie een omstreden construct en de empirische basis ervan staat ter discussie. Bovendien blijkt walging maar beperkt samen te vallen met veronderstelde schendingen van puurheid.
Ook breder is het idee van vaste, universele emotiecategorieën problematisch. Crosscultureel onderzoek laat zien dat vergelijkbare gebeurtenissen verschillende emotionele reacties kunnen oproepen en dat zelfs dezelfde emotieterm niet noodzakelijk overal naar precies dezelfde ervaring verwijst.
Dat maakt een meetinstrument dat relatief vaste relaties veronderstelt tussen morele gebeurtenis, emotiecategorie en type morele verwonding theoretisch kwetsbaar.
💡 Waarom dit ertoe doet
Morele verwonding is een relevant klinisch verschijnsel. Dat het bij Nederlandse veteranen empirisch van PTSS kan worden onderscheiden, is belangrijke vooruitgang.
Maar goede psychometrie begint niet bij factoranalyse.
Ze begint bij constructzorgvuldigheid.
Wat verstaan we onder moraliteit? Wanneer spreken we van een morele schending en wanneer van een bedreiging van persoonlijke waarden? Zijn emoties vaste categorieën, of ontstaan ze mede uit appraisal, context en betekenisgeving? En hoeveel theoretisch gewicht kunnen we hangen aan begrippen als schaamte, schuld, woede of walging?
Onderzoek naar morele verwonding kan daarom niet los worden gezien van ontwikkelingen binnen de morele psychologie en emotiewetenschap.
Juist daar ligt volgens ons de volgende stap: niet alleen steeds betere instrumenten ontwikkelen om morele verwonding te meten, maar eerst preciezer bepalen welk psychologisch verschijnsel we eigenlijk proberen te meten.
Morele psychologie is per definitie interdisciplinair. Moraliteit, waarden, emoties en klinische maladaptatie komen er samen. De kwaliteit van onderzoek naar morele verwonding hangt daarom mede af van de vraag of inzichten uit al deze onderzoeksvelden theoretisch coherent worden geïntegreerd.
Meer leren
Een praktische aanpak voor begeleiding leer je in de module emotieregulatie uit de opleiding Vitaliteitskundige.
Jongeren worden geregeld weggezet als ‘sneeuwvlokjes’: ze zouden te weinig echt contact maken en ‘curlingouders’ zouden elk obstakel wegnemen. Maar of dat beeld klopt, valt nog te bezien, zo blijkt uit recent onderzoek (Chen, et al 2026).
💡 Opzet
Onderzoekers volgden 40 jongeren van 15 tot 20 jaar maximaal 90 dagen. Iedere ochtend vulden zij via hun telefoon een korte vragenlijst in over positieve en negatieve gevoelens en slaapkwaliteit. Een onderzoeksapp registreerde automatisch hun telefoongebruik, fysieke activiteit en slaapduur. Daarbij werd onderscheid gemaakt tussen actief gebruik, zoals typen, en passief gebruik, zoals scrollen of kijken zonder te typen. Centraal stond de vraag: beïnvloedt telefoongebruik hoe jongeren zich voelen en slapen, of beïnvloedt hun stemming juist hun telefoongebruik?
💡 Resultaten
Chen et al. vonden dat jongeren op dagen waarop zij zich ’s ochtends negatiever voelden dan gebruikelijk, later die dag iets meer passief hun telefoon gebruikten. Elk punt hogere negatieve stemming hing samen met gemiddeld 7,6 minuten extra passief telefoongebruik.
Positieve stemming voorspelde passief gebruik niet (b = 1,15; p = .656), en negatieve stemming evenmin actief gebruik (b = 0,23; p = .464). Ook omgekeerd waren de effecten vrijwel nul: actief en passief gebruik voorspelden noch positieve stemming de volgende ochtend (β = −.004 en −.024), noch negatieve stemming (β = −.005 en .014).
Ook voor slaap waren de verbanden klein en niet statistisch significant: voor slaapkwaliteit varieerden de effecten van β = .007 tot .020 en voor slaapduur van β = −.033 tot −.035. Negatieve stemming lijkt dus eerder vooraf te gaan aan iets meer passief gebruik, terwijl er weinig aanwijzingen zijn dat dagelijks telefoongebruik op korte termijn stemming of slaap verslechtert.
💡 Curlingouders
Dit sluit aan bij een ander mogelijk misverstand: dat overbezorgde ouders obstakels voor hun kinderen wegpoetsen. Uit dagboekonderzoek blijkt dat adolescenten juist meer overbescherming rapporteren wanneer zij aangeven het moeilijk te hebben (Boele 2026). Ook hier kan de richting omgekeerd zijn: problemen kunnen meer ouderlijke bescherming oproepen.
💡 Overwegingen
De resultaten sluiten aan bij het Nederlandse AWeSome-project, waarin jongeren gedetailleerde dagboeken bijhouden. Negatieve gevoelens lijken eerder vooraf te gaan aan problematisch socialemediagebruik dan andersom. Een vergelijkbare nuance geldt voor curlingouders.
Als psychische klachten onder jongeren toenemen, moeten we voorbij oppervlakkige clichéanalyses. Een deel kan samenhangen met betere bespreekbaarheid, een ander deel met prestatiedruk en onzekerheid. Ouders, leerkrachten en beleidsmakers zijn niet altijd toegerust om jongeren op deze veranderende wereld voor te bereiden.
🔍 Meer leren
Hoe gezonde ontwikkeling werkt in deze nieuwe wereld, is een onderwerp in de module Identiteitsontwikkeling (chivo.nl/mio).
Mensen zoeken twee belangrijke eigenschappen in leiders: enerzijds competentie/energie en anderzijds warmte/integriteit. De rest is gerommel in de marge. De vraag is waarom mensen dan toch leiders accepteren die aantoonbaar liegen.
💡 Leiderschapsstijlen ontkracht
Als mensen hetzelfde zoeken in leiders, waarom hebben we dan zoveel leiderschapsstijlen? Waarom denken we dat verschillende situaties ook verschillende stijlen vereisen?
De stijl die iedereen prefereert blijft dezelfde, namelijk terug te brengen tot warm en competent. Dat geldt ook voor dreigende situaties, zoals oorlog, zo is gebleken uit analyses van Oekraïne (Lautsten 2025). Ook daar is geen voorkeur voor dominante leiders.
De benodigde competenties verschillen echter afhankelijk van de situatie. In organisatiepsychologie worden stijlen verward met benodigde competenties. Het is om die reden dat het hele concept van leiderschapsstijlen sterk bekritiseerd wordt.
Daarom kijken wij graag buiten gebaande paden en bijvoorbeeld naar politiek onderzoek: alles speelt zich in het openbaar af.
💡 Competentie
Politieke leiders van extreemconservatieve partijen worden verguisd vanwege hun loze beloftes. Vooral de Amerikaanse president Donald Trump inspireerde tot onderzoek (Hall 2018).
In situaties waarin een gevestigde orde de rest onderdrukt, kan de weerbare uitdager van die gevestigde orde de competente leider zijn die men zoekt. De competentie zit dan in het weerstaan van de aanvallen van de gevestigde orde.
💡 Authenticiteit
In experimenten zagen deelnemers de leugenachtige demagoog als authentieker dan een eerlijke kandidaat wanneer zij zich identificeerden met een benadeelde groep. Dit toont aan dat een politicus juist aantrekkelijker kan worden door het openlijk schenden van normen als kiezers zich gemarginaliseerd voelen en deze normschending zien als een teken van loyaliteit aan hun belangen. Het is een vorm van binnengroepbias.
De morele verontwaardiging van de gevestigde orde voedt daarmee de reputatie van competentie.
💡 Volgers
Er wordt veel tijd verspild aan leiderschapsstijlen, in plaats van te kijken naar volgers en het motief waarom zij een leider volgen. Bovendien verwart men benodigde competenties ook nog eens met leiderschapsstijlen.
Begrijp wat volgers nodig hebben, en je weet welke competenties je in een leider moet zoeken.
🔍 Meer leren
De dynamiek tussen leiders en volgers kan alleen goed worden begrepen vanuit een motivatieperspectief. Je kunt hierover meer leren in de opleiding Organisatie Vitaliteitskundige (chivo.nl/oov).
Er bestaan verschillende definities van vitaliteit. Onze definitie is: de energie die noodzakelijk is om te ontwikkelen. Deze definitie is van toepassing op individuen, groepen, gemeenschappen, teams, organisaties en samenlevingen.
💡 Motivatie en veerkracht
Motivatie is het proces waarmee energie wordt gemobiliseerd en gericht. Veerkracht is het vermogen om verloren energie te herstellen.
Daarmee wijkt onze benadering af van de invulling van TNO. Energie, motivatie en veerkracht zijn niet langer drie afzonderlijke facetten van vitaliteit, aangezien vitaliteit gelijk staat aan energie (om te ontwikkelen). Motivatie en veerkracht staan juist in een dynamische relatie tot die energie: ze dragen eraan bij dat mensen vitaler worden en kunnen ontwikkelen.
💡 Waardigheid
Het uitgangspunt voor vitaliteit is niet gezondheid, maar waardigheid. Mensen met een ziekte kunnen zich namelijk nog uitstekend ontwikkelen en dus vitaal zijn. Zij moeten echter ervaren dat ze zelf waarde hebben en waardevolle activiteiten na willen streven. Waardigheid is daarmee de basis voor duurzame vitaliteit.
💡 Vitaliteitskundigen
Vitaliteitskundigen zijn specialisten in ontwikkelen en worden opgeleid in de toegepaste motivatiewetenschap. Ze voegen waarde toe waar duurzaam ontwikkelen en veranderen gewenst zijn. Er zijn drie specialisaties:
- Vitaliteitskundigen helpen individuen en groepen bij ontwikkelen.
- Organisatievitaliteitskundigen adviseren over context en omgeving die ontwikkelen bevorderen.
- Pre-integratievitaliteitskundigen (volgt nog).
Deze post maakt duidelijk dat we een geïntegreerd beeld hebben van vitaliteit en hoe dit samenhangt met motivatie, veerkracht en waardigheid.
🔍 Meer leren
Wil je weten wat je leert als vitaliteitskundige? Bekijk dan de pagina Vitaliteitskundige of Organisatievitaliteitskundige.
Volgens Aristoteles draait een goed leven niet alleen om het nastreven van geluk, maar vooral om het leiden van een goed en betekenisvol leven. Aristoteles benaderde deze vraag normatief: hij probeerde te bepalen wat een goed leven behoort te zijn. Berendsen et al. (2026) kozen voor een andere benadering en vroegen Nederlandse burgers wat volgens hen een betekenisvol en gelukkig leven inhoudt.
💡 Opzet
In januari 2026 vulden 2.608 Nederlandse werkenden via het LISS-panel een enquête in. Respondenten gaven aan hoe belangrijk zij betekenis en geluk vinden en beschreven in open vragen wat hun leven betekenis en geluk geeft. Deze antwoorden werden met GPT-5.2 geanalyseerd. Ook beoordeelden zij fictieve profielen die verschilden in partnerstatus, het hebben van kinderen, werksector, motivatie en inkomen. Hun ervaren betekenis en geluk werden gekoppeld aan demografische en arbeidskenmerken.
💡 Resultaat
Betekenis blijkt vooral samen te hangen met sociale verbondenheid en het iets kunnen betekenen voor anderen.
➡️ Anderen helpen (53%)
➡️ Bijdragen aan de samenleving (43%)
➡️ Vriendschappen (41%)
➡️ Familie en dierbaren (36%)
➡️ Zinvol werk en een nuttige dagbesteding (32%)
Persoonlijke doelen, groei, gezondheid en religie spelen eveneens een rol. Vrouwen, religieuze mensen en oudere respondenten rapporteren gemiddeld meer betekenis.
Geluk hangt eveneens sterk samen met relaties, maar meer vanuit de ‘ontvangende’ kant.
➡️ Steun, liefde en waardering, en vooral het hebben van een partner (55%)
➡️ Gezondheid (41%)
➡️ Financiële zekerheid (20%)
➡️ Gemoedsrust (21%)
➡️ Plezierige activiteiten (18%)
➡️ Autonomie (11%)
Een hoog inkomen draagt duidelijk bij aan geluk, maar nauwelijks aan betekenis.
💡 De verschillen
Kinderen geven veel betekenis, maar dragen nauwelijks bij aan geluk. Werken in de zorg of het onderwijs maakt een leven betekenisvoller, maar niet noodzakelijk gelukkiger. Mensen die betekenis minstens even belangrijk vinden als geluk, werken bijvoorbeeld vaker in de zorg en hebben gemiddeld een lager inkomen. Zij ervaren meer betekenis, maar iets minder geluk.
Ook de ‘happiness paradox’ van John Stuart Mill wordt niet bevestigd. Mensen die geluk belangrijker vinden dan betekenis, rapporteren gemiddeld meer geluk (7,5 tegenover 7,2). Wie betekenis prioriteit geeft, ervaart daarentegen meer betekenis. Er lijkt dus sprake te zijn van een afweging tussen beide.
💡 Conclusie
De resultaten kunnen worden samengevat als een verschil tussen geven en ontvangen. Betekenis ontstaat vooral door iets voor anderen of de samenleving te betekenen; geluk hangt sterker samen met liefde, steun, gezondheid, financiële zekerheid en plezier. Daarmee sluiten de bevindingen aan bij Aristoteles’ idee dat een goed leven meer omvat dan alleen gelukkig zijn.
🔍 Meer leren
Zingeving is een onderwerp binnen de module Identiteitsontwikkeling (chivo.nl/mio), onderdeel van de opleiding Vitaliteitskundige (chivo.nl/ovk), waarin je wordt opgeleid tot specialist in het ontwikkelen van individuen en teams.
#vitaliteit #zingeving #geluk #betekenis
Een update over het universeel basisinkomen (UBI). De belangrijkste studie is de Amerikaanse OpenResearch Unconditional Income Study (ORUS), die Sam Altman van OpenAI voor een kwart financierde. Daarbij kregen 1.000 gezinnen drie jaar lang 1.000 dollar per maand; 2.000 gezinnen ontvingen als controlegroep maandelijks 50 dollar. De massale studie met analyses had voorgeregistreerde uitkomstmaten.
Inmiddels is er een vijfde analyse. De eerste vier:
✔️ Miller et al. (2025): Tijdelijke verbetering van mentale gezondheid en voedselzekerheid in jaar 1; daarna terug naar baseline. Geen verbetering in fysieke gezondheid, ook niet volgens biomarkers.
✔️ Bartik et al. (2025): Kortstondig betere financiële gezondheid, maar geen substantiële verandering in vermogen of financieel gedrag.
✔️ Broockman et al. (2024): Geen effecten op politieke voorkeuren en participatie, al is er enig bewijs voor stemmingstoerekening (mood misattribution).
✔️ Krause et al. (2025): Beperkte effecten op kinderen en ouderschap: meer uitgaven aan kinderen, maar rapporteren ook meer ontwikkelingsproblemen en stress, zonder duidelijke verbetering in onderwijsuitkomsten.
De meest recente analyse:
✔️ Vivalt et al. (2026): Een matige daling van arbeid en inkomen, niet gecompenseerd door andere productieve activiteiten zoals mantelzorg. Vrije tijd en consumptie nemen toe, zonder blijvende verbetering in werkgelegenheidskwaliteit of welzijn.
Daarnaast is er een nieuwe analyse (Bernhard 2026) over een bestaand Duits UBI-experiment, meer gericht op floreren, met slechts 107 alleenstaanden met iets hogere inkomens.
ORUS gaat meer over overleven. Onze (voorlopige) conclusies:
- "Mensen stoppen massaal met werken" wordt niet ondersteund.
Zelfs in ORUS, waar het negatieve arbeidseffect duidelijker is, gaat het gemiddeld om 1 à 2 uur per week.
- "Een basisinkomen heeft helemaal geen effect op arbeid" wordt óók niet ondersteund.
ORUS vindt wel een causale daling van het arbeidsaanbod.
- Het effect hangt sterk af van wie het geld krijgt.
Een grote transfer aan mensen met lage inkomens kan andere gevolgen hebben dan dezelfde transfer bovenop een middeninkomen.
- Welzijnseffecten zijn niet universeel.
Duitsland vindt sterke en duurzame verbeteringen, tot 18 maanden na afloop en vooral bij vrouwen; ORUS vooral tijdelijke gezondheidseffecten.
💡 Een motivatie alternatief 💡
Dan blijft de vraag hoe we dit financieren. Geen idee, geen verstand van. We sluiten daarom af met een goedkoop Nederlands alternatief waarbij de sollicitatieplicht en monitoring bij bijstandsuitkeringen werden afgeschaft (Verlaat 2026). Interessant vanuit motivatiewetenschap!
Na 19 maanden lag de werkgelegenheid in de autonomiegroep 6 procentpunt hoger dan in de controlegroep (+36%). In maand 31 was dit 10 procentpunt (+60%). Ook de kans op zelfredzaamheid, met inkomen uit werk boven de bijstandsnorm, steeg van 8% naar 14%.
U bent weer op de hoogte!
Er is een nieuw leiderschapscircumplex (Van Lill 2026) dat doet waar wij al jaren voor pleiten: Persoonlijkheidstrekken blenden in plaats van reduceren tot twee, zoals het Leadership Circumplex (LSC) van Redeker (2014) impliciet doet. Het heet het Socioanalytic Leadership Circumplex (SLC) en gebruikt de assen agency en communion.
De belangrijkste toevoegingen zijn de ‘dark side’ en het blenden van trekken. Leiderschapsgedrag is namelijk niet goed in uitsluitend extraversie en aangenaamheid te vangen. Bij LSC begon men met 13 factoren en schrapte veel items om tot twee dimensies te komen. Daardoor verdween de extra verklarende waarde. De SLC probeert dit op te lossen, maar is gebaseerd op de Hogan-meetinstrumenten: een solide, evolutionair ingericht persoonlijkheidsinstrument, maar minder gangbaar.
💡 Geen bewijs voor effectiviteit
Deze interpersoonlijke circumplexen (IPC’s) worden gebruikt bij leiderschapstrainingen en hebben een solide persoonlijkheidsonderbouwing. Het model is statistisch robuust, maar bewijs voor de effectiviteit van IPC-gebaseerde leiderschapstraining ontbreekt volledig. Leiderschapstraining is over het algemeen slecht onderbouwd.
💡 Wat wel werkt
Daarom is het interessant om eens te kijken buiten het veld van organisatiepsychologie en dan naar autonomieondersteuning, of breder: behoefteondersteuning voor leidinggevenden. Ook daar kan de onderbouwing beter, maar er is aanzienlijk meer experimenteel bewijs voor effectiviteit dan voor IPC-leiderschapstraining, zoals deze review uit Slemp, et al. 2021 laat zien.
Belangrijker is de robuuste theoretische basis, met scherp gedefinieerde mechanismen, consistente observaties en experimenten. Niets daarvan is terug te vinden bij IPC-leiderschap, maar wel bij autonomieondersteunende training, zoals dit voorbeeld van een quasi-experiment waarover je kunt lezen in deze nieuwere open toegankelijke publicatie (Jungert, 2022).
Vergeleken met de controlegroep scoorden getrainde werknemers significant hoger op behoeftebevrediging (η2=0.15), autonomieondersteuning door de manager (η2=0.14), werkbetrokkenheid (η2=0.12) en minder burn-out (η2=0.12). Ook rapporteerden zij minder behoeftefrustratie (η2=0.08) en meer autonome motivatie (η2=0.06). Verklarend: vanaf η2 0.06 is matig en η2 0.14 is groot effect.
💡 Best-evidence
Dit betekent niet dat IPC’s geen waarde hebben, maar verwar evidence-based niet met best-evidence en een analytisch instrument niet met een interventiemiddel. Wij gebruiken bestaande robuuste taxonomie van leiderschapsgedragingen die we vertalen naar behoefteondersteuning georganiseerd in een echt circumplex met een 'dark side'. Dat ligt het dichtst bij best-evidence.
🔎 Meer info:
Wil je het zelf leren, dan kun je de Chivo opleiding tot (organisatie)vitaliteitskundige (chivo.nl/ovk) volgen.
