Skip to main content

Terugblikkend op het jaar was een van de belangrijkste bevindingen dat een experiment met het universeel basisinkomen (UBI), waarbij 1.000 gezinnen drie jaar lang onvoorwaardelijk maandelijks een extra 1.000 dollar ontvingen, geen effect had op de psychische en fysieke gezondheid. Hoewel motivatiewetenschap dit voorspelt, leidde het tot teleurgestelde en defensieve tegenargumenten.

https://www.nber.org/papers/w32711

  1. Niet alle gezinnen waren arm

Dat klopt, maar wat denk je dat universeel betekent? Het tweede punt is echter dat de gezondheidsindicatoren het eerste jaar toenamen, maar na een jaar weer terugvielen naar de baseline, ongeacht het inkomen.

  1. Het toeslagenstelsel werkt niet

Die indruk krijgen we ook, maar dat is geen UBI.

  1. Het bevredigt de basisbehoefte autonomie volgens de zelfdeterminatietheorie (ZDT)

Nee, het vergroot de (financiële) veiligheid en is daarmee veel meer gerelateerd aan biologische basisbehoeften (ook belangrijk). Veiligheid is echter geen psychologische basisbehoefte (PBB), maar een frustratiebehoefte. Bij de mensen met de laagste inkomens neemt het welzijn toe. In een ander experiment waar autonome motivatie (ZDT) is gemeten in relatie tot werk, bleek dat het effect van autonome motivatie groter, consistenter en langduriger is dan UBI.

t.ly/o4rE3

Dat geldt overigens ook voor gezondheidsgedrag, dat veel consistenter is als er sprake is van autonome motivatie.

t.ly/P9lj6

Hedonistische adaptatie

De bevindingen van het experiment haken aan bij wat bekend staat als hedonistische adaptatie. Je went aan dingen die je een goed of een slecht gevoel geven, waarna het gevoel weer afneemt. Dat kan ook in extreme situaties, zoals het begin van de Russische inval in Oekraïne, waarna het geluk flink afnam, maar na vier weken terugviel naar de baseline. Dit betekent niet dat iedereen herstelt, maar dat is vooral toe te schrijven aan de persoonlijkheid en minder aan de omstandigheden.

t.ly/3xlLN

Hoofdzaken

Uit het experiment, maar ook uit de teleurgestelde reacties, blijkt dat er begripsverwarring is en dat er te veel focus ligt op randzaken. Men mist de essentie, die motivatiewetenschap blootlegt. Allereerst heeft het concept van UBI slechts ten dele overlap met bestaanszekerheid en is het daarom geen vervanging van het toeslagensysteem. Ten tweede is psychisch welzijn gemeten via de SF-12 en klinische vragenlijsten. Dit gaat feitelijk over hedonistisch welzijn en is daarmee ook onderhevig aan hedonistische adaptatie.

Wij stellen echter dat het draait om waardigheid: het recht (en de mogelijkheden) om waardevolle activiteiten te ontplooien voor jezelf en van waarde te zijn voor anderen. Dat bevredigt de PBB en leidt tot duurzaam welbevinden. Dat kan met en zonder geld. Met geld gaat het gemakkelijker, maar het biedt geen garantie, zoals dit UBI-experiment laat zien. Daarom moeten we randzaken scheiden van hoofdzaken en waardigheid als uitgangspunt nemen in plaats van bestaanszekerheid. Waardig leven, waardig werk en een waardige samenleving.

Basisinkomen genuanceerd

Vanuit het veld van gedragsgenetica weten we dat opvoeding een zeer beperkte invloed heeft op de ontwikkeling van persoonskenmerken. Het sterkste bewijs komt van eeneiige tweelingen die vanaf jonge leeftijd apart zijn opgevoed.

De eerste wet van de gedragsgenetica stelt dat alle gedragseigenschappen erfelijk zijn, maar de tweede wet nuanceert dit door te stellen dat geen enkele gedragseigenschap voor 100 procent erfelijk is. Vanuit een motivatieperspectief is dat belangrijk, omdat we uitgaan van een menselijke natuur, dus van een genetische basis.

De eerste wet - Alles heeft een genetische basis.
Alle kenmerken – niet slechts enkele of veel, maar alle – zijn gedeeltelijk erfelijk. Dit betekent dat verschillen tussen individuen in elk gemeten kenmerk in significante mate samenhangen met verschillen in hun genen. Dit geldt voor fysieke kenmerken zoals lengte, gewicht en BMI; psychologische kenmerken zoals intelligentie, persoonlijkheid en zelfbeheersing; en zelfs voor merkwaardige zaken zoals politieke opvattingen, het gebruik van mobiele telefoons en de tijd die wordt doorgebracht op sociale media (zie hier voor een overzicht).

Het belangrijkste bewijs voor de Eerste Wet is het feit dat eeneiige tweelingen in alle kenmerken meer op elkaar lijken dan twee-eiige tweelingen, zelfs wanneer ze apart opgroeien. De onderstaande grafiek, gemaakt door Spencer Greenberg, toont de schattingen van de erfelijkheidsgraad voor een selectie van fysieke en psychologische kenmerken.

Studie na studie laat zien dat mensen die in hetzelfde huis zijn opgegroeid vaak weinig tot geen grotere gelijkenissen vertonen dan even nauw verwante personen die apart zijn opgegroeid, althans tegen de tijd dat ze volwassen zijn (zie de kolom "Shared environmental effect" in de onderstaande tabel van Bouchard uit 2004). Deze bevinding stelt alledaagse opvattingen over het belang van het ouderlijk huis ter discussie — en daagt ook enkele van de beroemdste psychologische theorieën uit, waaronder de Freudiaanse theorie, de sociale leertheorie en de gehechtheidstheorie.

No alt text provided for this image

Dit geldt ook voor de hype dat men de persoonlijkheid kan veranderen. De overeenkomsten tussen apart opgegroeide eeneiige tweelingen zijn opmerkelijk, vooral wanneer zelfrapportages worden gecombineerd met observaties van derden. De veranderingen die vaak gevonden worden blijken vooral te worden uitgelokt door triggers, zoals stressbronnen en perverse prikkels. Het wegnemen ervan, verandert het gedrag.

Nog interessanter is dat de genetische samenhang sterker wordt naarmate mensen ouder worden en in welvarende omgevingen leven. Dit lijkt vooral toe te schrijven aan het feit dat beide factoren ervoor zorgen dat je de omgeving meer kunt afstemmen op je basisbehoeften, zowel biologisch als psychologisch. Er is dus meer ruimte om je authentieke zelf te zijn.

De tweede wet - Geen eigenschap is 100% overerfbaar

Hoewel alle kenmerken deels worden beïnvloed door genen, wordt geen enkel kenmerk uitsluitend door genen bepaald. Als een kenmerk volledig door genen zou worden bepaald, zouden eeneiige tweelingen voor dat kenmerk letterlijk identiek zijn. Dat is echter nooit het geval; ze lijken verrassend veel op elkaar, maar zijn nooit volledig gelijk. Schattingen van erfelijkheid halen nooit de 100% en blijven daar meestal aanzienlijk onder. We noemen dit vakgebied gedragsgenetica, maar we zouden het net zo goed gedragsomgevingsonderzoek kunnen noemen, omdat de bevindingen net zo goed het belang van de omgeving benadrukken als dat van genen. Sterker nog, het vakgebied levert enkele van de sterkste bewijzen dat de omgeving een cruciale rol speelt in het vormen van individuele verschillen.

Naar schatting dragen genen voor 50 procent bij aan persoonskenmerken en opvoeding voor ongeveer 10 procent. Dit laat een resterende 40 procent over voor de directe omgeving, zoals de buurt en school. Ook kan mediaconsumptie hierin een rol spelen.

De grote vraag over nature en nurture is daarmee nog lang niet beslecht. Er is namelijk nog sprake van een ruiseffect. Je kunt het dus beschouwen als een combinatie van nature, nurture en noise, als je wilt. De bijdrage van genen is echter onmiskenbaar, en de replicaties zijn zeer consistent (Plomin R 2016).

Dit weten we uit de praktijk met ouders die meerdere kinderen hebben, die niet alleen flink verschillen onderling, maar waarvan een enkel kind ook maatschappelijk kan ontsporen. Het helpt om te begrijpen dat het dominante deel van het gedrag buiten de invloed van opvoeding geplaats kan worden. Het leidt tot minder stigmatisering en meer (zelf)compassie.

Dit onderwerp is een onderdeel van de opleiding tot vitaliteitskundige (OVK), waarin we je scholen in toegepaste motivatiewetenschap. Meer informatie:

chivo.nl/ovk

Gedragsgenetica, een introductie

Als je extreem progressieven zou afzetten tegen extreem conservatieven, welke van de twee groepen zou eerder kiezen voor polarisatie? De progressieven, zo suggereert deze publicatie (Fittapelli B et al 2024).

Het gaat om een vignetstudie, waarbij deelnemers zich een persoon genaamd Pat moeten voorstellen die een 'Blue Lives Matter' of een 'Black Lives Matter'-shirt draagt en hun buurman wordt. Dit werd uitsluitend gedaan met de deelnemers die zich als extreem identificeerden. Vervolgens werden hen diverse vragen gesteld, waarvan de belangrijkste gingen over het helpen van Pat, bijvoorbeeld met koffie aanbieden of naar het vliegveld rijden.

Ook werden de donkere (narcisme, psychopathie en machiavellisme) en lichte triade (kantianisme, humanisme, vertrouwen in de mensheid) vastgesteld bij de deelnemers, waarna de antwoorden werden geanalyseerd.

De groepen extreem progressief en conservatief waren helaas scheef verdeeld (212/47). Hoewel hiervoor is gecorrigeerd, vormt dit een belangrijke beperking. De analyse suggereert dat progressieven minder bereid waren om iemand buiten hun groep te helpen. Dit lijkt eerder een morele veroordeling van de persoon zelf dan van diens gedachtengoed. Dat is de basis voor een neerwaartse spiraal.

In het model van de onderzoekers werd gekeken naar de samenhang tussen de donkere en lichte triade en behulpzaam gedrag tegenover de 'tegenpartij'. Mensen die hoog scoorden op de lichte triade, vooral op 'vertrouwen in de mensheid', bleken vaker bereid te helpen. Ook narcisme binnen de donkere triade bleek significant: deelnemers met hogere scores op narcisme waren vaker bereid anderen te helpen. Conservatieven scoorden gemiddeld iets hoger op de lichte triade dan progressieven en waren volgens deze vignetstudie vaker bereid om iemand te helpen die niet hun waarden deelt. Het model van de onderzoekers verklaarde 20 procent van de variantie. De uitkomsten liggen in lijn met motivatiewetenschap, waarin waarden goed bestudeerd zijn.

Nu weten we al dat activisme, zelfs voor altruïstische doelstellingen, gepaard gaat met hogere scores op de donkere triade, en dat beide groepen activistisch kunnen zijn (Zacher H 2024).

De verminderde bereidheid om elkaar te helpen omdat je de persoon veracht vanwege diens waardenset, is een probleem. Als je sterke gevoelens hebt over anderen vanwege hun waardenset, kun je je afvragen of je daarmee de polarisatie niet voedt. Als je de 'zuurstof' van polarisatie wilt wegnemen, kun je jezelf afvragen welke drie voordelen jij ziet in de waardenset van de ander. Je kunt namelijk pas echt met iemand debatteren als je het standpunt van je tegenstander zou kunnen verdedigen, aldus Rogers. Dat is een goed uitgangspunt om bruggen te bouwen.

Progressieven polariseren

De Amerikanen uit deze Harrispoll stellen ongeacht het salaris dat ze hebben, dat pas gelukkig zijn als ze 25k meer per jaar zouden verdienen, Dit zou wel eens gekoppeld kunnen zijn de escalatie van verwachtingen.

Het door de psycholoog Csikszentmihalyi beschreven als escalation of expectations, is een proces waarin mensen, zodra een bepaald niveau van voldoening of prestatie is bereikt, dat niveau als vanzelfsprekend gaan beschouwen en nieuwe, hogere verwachtingen ontwikkelen. Dit maakt het moeilijk om blijvende tevredenheid te ervaren, omdat het streven naar meer een eindeloze cyclus wordt.

  • Relevantie in zijn werk:

    • Hij koppelt dit concept aan de uitdagingen van het moderne leven, waar groeiende consumptie, materialisme en sociale vergelijking bijdragen aan een constant gevoel van tekortschieten.
    • Csikszentmihalyi benadrukt dat het begrijpen en beheersen van dit fenomeen cruciaal is voor het ervaren van duurzaam geluk en welzijn.

Het richten op meer ontplooiingsdoelen zoals zelfexpressie en meesterschap in plaats van imagodoelen zoals financiele doelen en status, helpt om dit escalatie-effect in te dammen.

Altijd meer geld nodig om gelukkiger te worden?

Een recente studie onder 857 Zweedse jongeren onderzocht hoe basiswaarden samenhangen met politieke interesses en gedragingen van adolescenten. Voorspellen ze ook iets?

De deelnemers waren gemiddeld 16,6 jaar oud, en de onderzoekers wilden begrijpen hoe waarden zoals zorg voor anderen en milieubewustzijn politieke attitudes en activiteiten vormgeven. Door middel van een clusteranalyse, gebaseerd op politieke interesse en het belang dat wordt gehecht aan het welzijn van anderen, werden vijf groepen jongeren onderscheiden.

  1. HH: High political interest, High importance attached to others' welfare.
  2. HL: High political interest, Low importance attached to others' welfare.
  3. LL: Low political interest, Low importance attached to others' welfare.
  4. LA: Low political interest, Average importance attached to others' welfare.
  5. AA: Average political interest, Average importance attached to others' welfare.

De focus van het onderzoek lag op de HH- en HL-groepen vanwege hun hoge politieke interesse, maar fundamentele verschillen in waarden en gedragingen.

  1. HH:

Jongeren die zowel politiek geïnteresseerd zijn als grote waarde hechten aan universele waarden zoals zorg voor anderen, sociale rechtvaardigheid en milieubescherming. Gelijke verdeling mannen/vrouwen.

- Milieubewustzijn: d = 1.73 (zeer groot effect).
- Inclusieve attitudes tegenover immigranten: d = 0.84 (groot effect).
- Attitudes tegenover democratische principes: d = 0.50 (gemiddeld effect).
- Vertrouwen in sociale bewegingen: d = 0.60 (gemiddeld tot groot effect).

Overwegend in het zelftranscendente/sociale waardencluster met nadruk op universalisme.

Meer betrokken bij offline en collectieve acties, maar ook online actief. Bereidheid tot actie bij onrecht was hoog (d = 0.95).

  1. HL:

Jongeren met hoge politieke interesse, maar weinig aandacht voor universele waarden. Ze tonen weinig zorg voor anderen en hebben minder interesse in milieukwesties. Meer mannen (78%).

Deze groep scoorde laag op milieubewustzijn, inclusieve attitudes tegenover immigranten, attitudes tegenover democratische principes en vertrouwen in sociale bewegingen.

Overwegend in het zelf-optimalisatie/neoliberale cluster met nadruk op succes en invloed.

Minder offline betrokken, meer individueel, maar wel online actief en meer betrokken bij online discussies. Nauwelijks bereidheid om in te grijpen bij onrecht.

Dit geeft een fascinerende kijk op hoe waarden politieke interesses en activiteiten voorspellen, ook in een land met een egalitaire en matriarchale cultuur. Het geeft ook een kijkje in de bruikbaarheid van basiswaarden voor politieke wetenschappen, aangezien de politieke begrippen links en rechts nutteloos zijn voor drijfveren.

Wil je hier meer over leren, dan kan dat in de opleiding tot Vitaliteitskundige (OVK), waarin we je wijsmaken in toegepaste motivatiewetenschap. Meer info:

chivo.nl/ovk (start 6 en 7 feb 2025)

Basiswaarden voorspellen politieke interesses en activiteiten

De menselijke geest verwerkt informatie met een snelheid van slechts 10 bits per seconde (Zheng J & Meister M 2024). Dat lijkt ongelooflijk langzaam, zeker in vergelijking met de gigabits per seconde die ons perifere zenuwstelsel kan opnemen. Hoe is het mogelijk dat we met deze schijnbare traagheid toch succesvol kunnen navigeren in een complexe wereld?

Een groot contrast: zintuigen versus cognitie

Ons zenuwstelsel is in staat om enorme hoeveelheden informatie vanuit de omgeving te verwerken. Denk aan de kleuren, geluiden, geuren en bewegingen die we constant waarnemen. Deze gegevens worden echter niet allemaal doorgestuurd naar ons bewuste brein. Sterker nog, de daadwerkelijke 'output' van onze gedachten en acties verloopt met een snelheid van slechts 10 bits per seconde. Dat is vergelijkbaar met het typen van één woord per seconde op een ouderwets toetsenbord.

Deze beperking—een verschil van zo’n 100 miljoen keer tussen input en output—kan paradoxaal lijken. Toch is deze traagheid voldoende om te overleven. Onze voorouders kozen niches waarin de wereld langzaam genoeg veranderde om dit verwerkingsmodel effectief te maken. Dit is waarom menselijke cognitie zo ontworpen is dat het prioriteit geeft aan wat essentieel is.

Het geheim van efficiëntie: minder is meer

Het brein fungeert als een filter en een samenvattend apparaat. Het selecteert en comprimeert informatie, zodat alleen de belangrijkste gegevens worden doorgestuurd naar het bewuste denken. Deze werkwijze minimaliseert de energie die nodig is om te overleven in een complexe omgeving. Ons brein, hoewel maar 5% van ons lichaamsgewicht, gebruikt al 20% van onze totale energie. Door de verwerkingssnelheid laag te houden, wordt het energiegebruik beheersbaar.

Traag, maar effectief

Deze beperking geldt niet alleen voor alledaagse situaties, maar ook voor uitdagende taken zoals E-sports, waar spelers onder druk beslissingen moeten nemen. Onderzoek toont keer op keer aan dat, ongeacht de omstandigheden, menselijke cognitieve processen niet sneller werken dan 10 bits per seconde. Dit komt omdat het brein zich richt op patroonherkenning en besluitvorming, wat vaak belangrijker is dan het verwerken van rauwe data.

Niet reageren, maar voorspellen

De reden waarom de hersenen weg kunnen komen met deze traagheid, is waarschijnlijk omdat het brein voldoende vaak juist voorspelt om als mensheid te kunnen overleven. Dat voorspellen heeft een heel groot voordeel, namelijk energiebesparing. Naar waarschijnlijkheid zouden de hersenen drie maal groter moeten zijn om vele malen sneller te kunnen reageren, maar het zou ook ook betekenen dat de hersenenen meer dan de helft van alle energie voor rekening zouden nemen. Die energie moet dan ook binnengehaald worden. Het lijkt erop dat voorspellen een veel grotere overlevingskans biedt.

Conclusie

Hoewel 10 bits per seconde misschien traag lijkt in een wereld waarin technologie ons aan megabits per seconde laat wennen, is dit tempo precies wat mensen nodig hebben. Het stelt ons in staat om met minimale middelen maximale efficiëntie te bereiken. Ons brein is niet ontworpen voor snelheid, maar voor duurzaamheid en precisie. Daarmee bewijst het: langzaam kan ook slim zijn.

Waarom langzaam denken efficiënt is

In dit boek staan goed onderzochte feiten over IQ, een van de best onderzochte en gerepliceerde constructen ter wereld. Toch zijn er veel misverstanden over. Tien van deze uit het boek:


  1. "Je kunt een persoon niet samenvatten of de waarde van een persoon meten in één enkel getal."
    (Niemand zei dat je dat kon — zie Hoofdstuk 3.)
  2. "Intelligentietests laten alleen zien hoe goed je bent in het maken van intelligentietests."
    (Ze vertellen je veel meer dan dat — zie Hoofdstuk 3.)
  3. "Je IQ is slechts een weerspiegeling van je sociale achtergrond."
    (IQ correleert slechts in beperkte mate met sociale achtergrond — zie Hoofdstuk 3.)
  4. "Er zijn meerdere aparte intelligenties."
    (Alle mentale vaardigheden zijn gecorreleerd — zie Hoofdstuk 2.)
  5. "Hersengrootte heeft niets te maken met intelligentie."
    (Grotere hersenen worden in verband gebracht met een hoger IQ — zie Hoofdstuk 4.)
  6. "Intelligentie is onveranderlijk."
    (Er is volop bewijs dat IQ kan veranderen — zie Hoofdstuk 5.)
  7. "Intelligentieonderzoek is elitair/seksistisch/racistisch."
    (Feiten hebben geen morele waarden — zie Hoofdstuk 6.)
  8. "Intelligentietests meten alleen cultureel gewaardeerde informatie."
    (Ze bevatten veel meer fundamentele testen, zoals snelheid — zie Hoofdstuk 2.)
  9. "Tweelingstudies zijn in diskrediet gebracht."
    (Dat is niet zo, en zelfs als dat het geval was, wijzen andere methoden erop dat IQ erfelijk is — zie Hoofdstuk 4.)
  10. "IQ-tests zijn oorspronkelijk uitgevonden voor eugenetische doeleinden."
    (Het verhaal is complex, maar de eerste test werd uitgevonden door Binet om kinderen met leerproblemen te helpen — zie Hoofdstuk 1.)

Tien veelvoorkomende mythes (weerlegd in dit boek)

De Deense sociaal-democraten hebben een hard migratiebeleid. Is dat nu links of rechts? Hier zie je de beperkingen van het ongepast oprekken van deze meer economische termen. Omdat het feitelijk gaat om drijfveren, zie je dat politicologen en economen een vakgebied betreden waar ze niet comfortabel in zijn.

Drijfveren behoren tot de psychologie, een discipline die recent een replicatiecrisis heeft doorgemaakt. Dit betekent dat onafhankelijke onderzoekers klassieke experimenten opnieuw hebben uitgevoerd om te zien of ze hetzelfde resultaat behalen. Dat proces was zowel gênant als heel leerzaam en dient als voorbeeld voor andere disciplines.

Maak je namelijk geen illusies: er is ook een replicatiecrisis in de biomedische wetenschappen. Van de onderzoekers die hun eigen onderzoeken opnieuw uitvoerden, bleek 43% niet in staat de eerdere resultaten te repliceren.

De psychologen hebben hier echter van geleerd. De replicatiepogingen zijn massaal en doorlopend, waarmee het veld in rap tempo wordt opgeschoond. Politicologen en economen praten vooral over replicatie, zonder actie te ondernemen.

Niet alleen de afwezigheid van replicatie is een probleem, maar ook gebrekkige constructen die falen op begripsvaliditeit. Anders gezegd: het is onduidelijk wat bepaalde termen zoals ‘links’ en ‘rechts’ nu eigenlijk betekenen. Het onderste deel van de afbeelding die van Wikipedia komt lijkt redelijk duidelijk, maar de onderliggende tekst is veelzeggend.

"Politieke ideeën en politieke partijen kunnen ingedeeld worden in (economisch) links en rechts. Dit is alles behalve volledig: politieke partijen die overwegend links zijn kunnen ook rechtse standpunten hebben en andersom. Ook is dit spectrum lang niet in alle gevallen bruikbaar."

Als je stelt dat mensen om xenofobe redenen op de PVV hebben gestemd, dan wil je gebruik maken van solide psychologische constructen, die gedrag, gevoel en gedachten verklaren en voorspellen. Je wilt je niet baseren op invalide niet gerepliceerde halfbakken constructen ongeacht de disciplines. Drijfveren maken deel uit van de motivatiewetenschap, die al decennia zo zorgvuldig is gecureerd dat men nauwelijks de noodzaak zag van replicatiepogingen.

Binnen motivatiewetenschap heb je basiswaarden. Die zijn niet alleen talloze malen onafhankelijk en cross-cultureel gerepliceerd, maar ook theoretisch gefundeerd met duidelijke definities van wat een basiswaarde is en waaraan deze moet voldoen.

Die basiswaarden blijken daarnaast ook te clusteren tot vier sets die cross-cultureel stand hebben gehouden. Deze sets zijn goed te vertalen naar politieke stromingen, zoals zichtbaar in de afbeelding. Het is een quasi-circumplex en daarmee een continuum. Een politiek standpunt bevindt zich op dat continuum en leunt vaak sterk op zo’n cluster. Daarmee hebben we een motivatiebasis van waaruit we motieven, handelingen en oordelen kunnen beschrijven en onderzoeken. De vier clusters die universeel worden gevonden hebben we vertaald naar politieke waarden met de originele psychologische benaming achter haakjes):

  1. Sociaal (Zelftranscedent)
  2. Conservatief (Conservatisme)
  3. Neoliberaal (Zelfoptimalisatie)
  4. Progressief (Openstaan)

Elk mens hecht belang aan alle vier de clusters, alleen niet in dezelfde volgorde. Het betekent concreet dat iemand die Neoliberaal als sterkste waardenset heeft (12 procent) ook sociaal zijn belangrijk vindt. Het is alleen minder vrijgevig en er mag een competitief element in zitten. Het betekent concreet dat iemand die Sociaal is heel altruïstische aspiraties heeft, terwijl iemand die Neoliberaal en sociaal is, streeft naar effectief altruïsme. Men is dan nog steeds Neoliberaal. Daarnaast is het belangrijk dat de flanken van Neoliberaal worden gevormd door Progressief en Conservatief. Vanuit het Neoliberale hart kun je dus verbreden en zo meer Conservatieven en Progressieven naar je toe trekken of je kunt als partij zelf meer opschuiven en dan word je Neoliberaal-progressief.

Met die basiswaardensets wordt het duidelijk dat de Deense Sociaal-democraten, voornamelijk sociaal-conservatieve standpunten innemen. Ze liggen niet voor niets naast elkaar in de cirkel. Sociaal kan echter ook meer de andere zijde uitschuiven en dan spreekt men van sociaal-progressief. Tegenover de progressieven staan de conservatieven. Tegenover de socialen staan de neoliberalen. Zowel hun waarden, interesses als beleid staan diametraal ten opzichte van elkaar. De Conservatieven en neoliberalen worden verbonden via neoconservatieven, terwijl neoliberalen en progressieven meer versmelten tot liberaalprogressieven. De basiswaarden scheppen met het continuum daarmee overzicht. Ze verklaren niet alleen, maar voorspellen ook interesses en acties.

Laat links en rechts daarom los, want ze zijn inhoudsloos. We hebben dus een beter systeem, waarin observaties en mechanismen samensmelten.

Politiek links en rechts zijn zinloze begrippen Politiek links en rechts zijn zinloze begrippen Politiek links en rechts zijn zinloze begrippen Politiek links en rechts zijn zinloze begrippen Politiek links en rechts zijn zinloze begrippen Politiek links en rechts zijn zinloze begrippen

Die stemmers zijn allemaal voorgelogen door Trump. Wat zielig, zou je zeggen, behalve dat ze weten dat hij liegt en daar blij mee zijn. Dit weten we niet alleen uit kwalitatief onderzoek onder Trump-sympathisanten, maar het is ook experimenteel getoetst.

https://psycnet.apa.org/record/2018-03903-001

In het onderzoek "The Authentic Appeal of the Lying Demagogue" analyseert men waarom sommige kiezers een politicus authentiek vinden, zelfs wanneer die politicus openlijk liegt en normen overtreedt. De auteurs stellen dat kiezers in situaties van een legitimiteitscrisis – waarin zij zich niet vertegenwoordigd voelen door de gevestigde orde – een leugenachtige demagoog kunnen zien als een authentieke verdediger van hun belangen.

Er werden twee soorten legitimiteitscrises bestudeerd:

  1. Representatiecrisis: een groep voelt zich uitgesloten van politieke invloed.
  2. Statusverliescrisis: een gevestigde groep vreest status te verliezen aan opkomende groepen.

In experimenten zagen deelnemers de leugenachtige demagoog als authentieker dan een eerlijke kandidaat wanneer zij zich identificeerden met een benadeelde groep. Dit toont aan dat een politicus juist aantrekkelijker kan worden door het openlijk schenden van normen als kiezers zich gemarginaliseerd voelen en deze normschending zien als een teken van loyaliteit aan hun belangen. Het is een vorm van binnengroep bias.

Het onderzoek vertelt je echter twee zaken:

  1. Trump is een stok om mee te slaan, en het maakt niet uit hoe krom de stok is.
  2. Sympathisanten kiezen voor desinformatie (en worden niet misleid).

Het onderzoek is gerepliceerd, bevestigd door experimenten met ondersteunende constructen, blijkt uit interviews, en is herkenbaar voor iedereen die ooit in gesprek is gegaan met een poster (en diens aanhangers) over desinformatie. En nee, jij gaat mij niet wijs maken dat je zo ontzettend naïef bent dat je dat niet door had. En mocht je denken dat het komt door het Dunning-Kruger-effect, dan heb ik (oud) nieuws voor je, want dat bestaat niet. Het is emotie, affectieve polarisatie.

chivo.nl/dke

Daarmee stel ik niet dat er geen naïeve of zelfs domme Trump sympathisanten zijn, maar die vormen niet de meerderheid. Wil je de boel verbeteren, zul je je echt moeten verdiepen in motivatiewetenschap. Als Trump een stok is om mee te slaan, dan begin je met de vraag: Waarom hebben ze de neiging om te slaan?

Aantrekkingskracht van liegende politici

Is de 'growth mindset' belangrijk voor het behalen van prestaties? Het antwoord is onomwonden nee, aangezien er niet zoiets bestaat als een growth mindset (groeidenken of groeimindset). Het is een verzinsel van psycholoog Carol Dweck en gaat uit van twee mensbeelden. Zij die groeidenken, geloven dat ze zichzelf kunnen verbeteren en halen daarom betere prestaties dan diegenen die beschikken over een zogenaamde 'fixed mindset' (rotsdenken).

Geen replicatie
Het probleem begint met het gegeven dat niemand haar onderzoeksresultaten ooit heeft kunnen repliceren. Dat is een wetenschappelijke doodsteek. Meta-analyses laten nauwelijks een effect zien, maar volgens Dweck voeren ze die experimenten verkeerd uit. Een dergelijke opmerking is echt problematisch, nog even los van het feit dat er onregelmatigheden zijn gevonden in haar data.

Als hoogleraren het onder de meest gunstige omstandigheden niet kunnen repliceren, kunnen leraren op school dat natuurlijk ook niet. De ironie is natuurlijk dat er miljoenen zijn geïnvesteerd op scholen door groeidenkers, die vervolgens geen resultaat behaalden. De reden laat zich raden, want groeidenken bestaat niet.

Het is een 'rebranding' van mensen aanmoedigen. Maar dat doen leerkrachten al, dus als ze dat ineens groeidenken noemen, dan verandert er dus helemaal niets. Toch is er soms een klein effect uit onderzoek. Het gaat dan met name om kinderen uit een arm milieu, die meestal opgegeven zijn. Als je die aandacht geeft en aanmoedigt, halen ze ineens betere resultaten. Wie had dat ooit kunnen bedenken? Overigens is deze retorische vraag net zo sarcastisch als verdrietig.

Mensen willen van nature ontwikkelen en als je die, net als planten, van de juiste voedingsstoffen voorziet, gaan ze floreren. Die menselijke voedingsstoffen noemen we psychologische basisbehoeften en wat blijkt? Als die bevredigd worden tijdens het lesgeven, is de betrokkenheid van de leerlingen veel groter. De groeimindset blijkt dan nog steeds een beperkte rol te spelen, en inderdaad vooral bij studenten uit een arm milieu, zo blijkt uit dit Chinese onderzoek.

Wat kun je wel doen?
Als groeidenken niets oplevert, wat valt er dan wel te verbeteren? Ook daar is antwoord op, namelijk autonomie-ondersteunend lesgeven. Dat leidt tot meer betrokkenheid, leren en psychologisch welbevinden, zo blijkt uit deze review van 51 studies, waarvan er 38 RCT's zijn. Dat gunstige effect komt omdat autonomie-ondersteuning de psychologische basisbehoeften voedt. En dat blijft niet beperkt tot kinderen, ook werknemers reageren op dezelfde manier.

Tegenstrijdige uitkomsten in meta-analyses in 2022
Toch is er opnieuw discussie over de groeimindset. Aanleiding is dat er in dezelfde maand twee meta-analyses werden gepubliceerd over het onderwerp in Psychological Bulletin met tegenstrijdige standpunten. Macnamara BN et al 2022 stelt dat growth mindset met een Cohen d = 0.02 geen significant effect oplevert.

Burnette JL daarentegen komt met een flinke Cohen d = 0.36. Een gemiddeld effect is een d = 0,20, en 0.36 is dus groot.

Die twee verschillende uitkomsten wekken de belangstelling op van de groep van statisticus Elizabterh Tipton. Die schrijft dat ze de data van Macnamara opnieuw heeft geanalyseerd en vindt ineens wel effect. Ze vindt ook Burnette de betere analyse. Hoe kun je dat verklaren?

Voor we daar induiken is het belangrijk is om te begrijpen dat je begint met een goede theorie. Wat is groeidenken, hoe ben je tot het concept gekomen, wat zijn de exacte kenmerken, hoe meet je dat, etc. Carol Dweck heeft meerdere malen haar definitie gewijzigd en bij elkaar kun je zo'n 6 factoren vinden verspreid over meerdere boeken, papers en websites. Een aantal jaar geleden haalde ze factor zes offline, zo werd opgemerkt (afbeelding).

Dit is een probleem. Macnamara erkent dat en begint dus eerst met stevige theorievorming. Dit in tegenstelling tot Burnette. Als je dat scherp hebt, dan weet je wat er wel en niet tot het construct behoort. Dat betekent dat de rest, verstorende variabelen zijn. Let wel, dit is wat Dweck had moeten doen, maar heeft nagelaten! Macnamara definieert dan ook 11 mediërende variabelen, die de relatie tussen twee variabelen beïnvloeden. Burnette slechts twee. Stel je voor dat een onderzoek het volgende uitwijst:

  1. Mindset gemeten
  2. Mindset interventie toegepast
  3. Resultaten nemen toe

Klinkt goed toch? Maar nu komt het.

  1. Mindset opnieuw gemeten, NIETS veranderd in de score!

Zou je dit soort onderzoeken anders moeten behandelen in je meta-analyse? Natuurlijk, en Macnamara heeft dat gedaan, maar Burnette niet. Zien we het probleem?

Dus wat heeft Tipton dan gedaan, dat ze andere resultaten kreeg uit de Macnamara dataset? Ze gebruikte ook slechts 2 mediërende variabelen. Dat verklaart veel!

Macnamara heeft 2 maal zoveel onderzoeken als Burnette en ook alle hypotheses van tevoren voorgeregistreerd om bias te voorkomen en daarnaast flink gecorrigeerd voor bias in de analyse. Burnette? Niets van dit alles! Tipton trekt bizarre conclusies.

Kritiek weerlegd

Drie partijen reageerden met kritiek op de analyse van Macnamara (2022), maar hun bezwaren werden allemaal beantwoord en bleken ongegrond. Tipton had zelfs conclusies getrokken zonder duidelijke onderbouwing. De transparantie die Macnamara (2022) toonde, werd niet gevolgd door de critici. De critici hebben eind 2024 nog steeds niet gereageerd op de weerlegging en er is ook geen reden om aan te nemen dat het gaat gebeuren.

Het geheim van Dweck

Maar hoe krijgt het lab van Dweck dan deze resultaten? Laten we eens kijken naar een redelijk recent onderzoek.

https://www.nature.com/articles/s41586-019-1466-y

"The materials presented here sought to make the ideas compelling and help adolescents to put them into practice. It therefore featured stories from both older students and admired adults about a growth mindset, and interactive sections in which students reflected on their own learning in school and how a growth mindset could help a struggling ninth-grade student next year."

Wie ziet hier het probleem? Als je het woord growth mindset weghaalt, dan staat er eigenlijk het volgende.

'Oudere studenten en volwassenen die bewonderd worden, vertelden hoe zij worstelden met school en hoe ze dat hebben overwonnen'.

Geloof je dat dit werkt? Ik wel. Het is namelijk vergelijken. Het is inspireren. Het is motiveren. Wat het niet is? Groeidenken! Let wel, dit is een onderzoek van Dweck zelf!

Belangenverstrengeling
Macnamara legt ook nog bloot dat auteurs van studies, die financiële voordelen hebben bij groeidenken (cursussen, boeken, websites, etc.), gemiddeld 2,5 x groter effect hebben in hun studies. Nee, geen belangrijke mediërende variabele? Je kunt alleen maar resultaten halen met groeidenken als je Caroll Dweck heet. Heb je een andere naam, stop er dan mee!

Nieuwe review, zelfde conclusie

Een grondige analyse van 24 gerandomiseerde onderzoeken (RCT’s) laat zien dat deze interventies nauwelijks of geen effect hebben op schoolprestaties, vooral niet in de betrouwbaarste studies. De onderzoekster Carolina Gazmuri (2025) gebruikte een zogeheten ‘sieve’-methode om de kwaliteit van elk onderzoek te beoordelen op basis van steekproefgrootte, drop-out, onderzoeksopzet en datakwaliteit. Alleen studies met hoge betrouwbaarheid (3 of 4 sterren) werden serieus meegenomen. Uitkomst: de meest betrouwbare studies – met grote groepen leerlingen, weinig verlies van deelnemers en objectieve toetsresultaten – tonen effectgroottes die nagenoeg nul zijn (Cohen’s d van –0,01 tot +0,065).

Van de vijf hoogst gekwalificeerde studies toonden twee geen enkel effect (zoals een groot onderzoek in Engeland en Argentinië), terwijl drie andere een zeer klein positief effect meldden (bijv. in Peru, Noorwegen en China). Belangrijk is dat studies met minder goede methodologie vaak grotere effecten meldden, wat twijfel zaait over hun betrouwbaarheid. Ook werd opgemerkt dat veel studies met positieve resultaten afkomstig zijn van onderzoekers met een belangenverstrengeling, zoals banden met bedrijven die groeimindsetprogramma’s verkopen. De conclusie is duidelijk: scholen en overheden moeten voorzichtig zijn met grote investeringen in groeimindset-interventies, omdat het bewijs voor hun effectiviteit erg zwak is. Als ze al worden ingezet, dan liefst met weinig kosten en tijd.

Groeimindset is weinig relevant