Boekrecensie: De Voedselzandloper

door | mei 25, 2016 | Voeding | 0 Reacties

Boeken over gezondheid en afslanken zijn er in overvloed en auteurs moeten zich onderscheiden. Je hebt een zogenaamde ‘hook’ nodig, waarmee je in een zin uitlegt, waarom je boek anders is. Dat kan de focus zijn op een heel specifiek product, bijvoorbeeld een fruittype, chemicaliën, of een bereidingswijze zoals rauw eten. Ook dit boek, de Voedselzandloper, heeft een dergelijke ‘hook’, namelijk biogerontologie, de leer van het verouderingsproces. Het lijkt aan te sluiten op de tijdsgeest van een maakbare jeugdigheid. Het kennisniveau en de bijzondere achtergrond van de auteur wekken de indruk, dat het meer is dan alleen inspelen op een hype.

 

Inleiding
De populariteit van dit boek moet enorm zijn, aangezien deze inmiddels een 11e druk kent, drie maanden na de lancering.
Het boek, de Voedselzandloper, is vernoemd naar de adviesillustratie van de auteur, die een vorm heeft van een zandloper. Deze vorm moet de tekortkomingen oplossen van de meer traditionele driehoek of schijf. Feitelijk bestaat de zandloper uit twee gespiegelde driehoeken, waarvan de lagen corresponderen. Als een product in een driehoek wordt afgeraden, dan zal er in de gespiegelde laag een alternatief worden geboden. Het is leuk bedacht, zeker als je in ogenschouw neemt, dat de zandloper ook symbool staat voor de levensverwachting als gevolg van deze adviezen.

 

Buiten deze speelse en nuttige vorm van communicatie, wijkt de zandloper ook op diverse punten af van de gangbare schijf van 5 of de actieve voedingsdriehoek. Zo wordt bijvoorbeeld het advies gegeven om brood, pasta, rood vlees en zuivel te minderen. Het zijn interessante standpunten die hij ondergebracht heeft onder drie basisprincipes, namelijk 1. Verminder suiker drastisch, 2. Verminder eiwitinname en 3. Vetten gezonder dan gedacht. We zullen verderop deze basisprincipes bespreken.

 

De auteur valt op vanwege zijn brede interesse, zijn productiviteit als auteur en verdiensten als arts-onderzoeker op 25-jarige leeftijd. Een van zijn interesses is biogerontologie, de studie naar het verouderingsproces, die een centrale rol speelt in dit voedingsboek. Zijn academische achtergrond is van meet af aan merkbaar, als hij opent met een stevig pleidooi voor wetenschappelijk onderzoek. Hij legt daarbij de lat meteen erg hoog en we zullen deze als eerste behandelen, alvorens we aandacht schenken aan zijn drie basisprincipes.

 

 

De lat
Allereerst stelt de auteur dat de geneeskunde zelden geneest en dat de consument haar eigen rol in de gezondheid nogal onderschat. Dit is een sympathieke en geloofwaardige boodschap van de arts- onderzoeker. Dit tekort aan vertrouwen in eigen vermogen komt volgens de auteur, mede door de tegenstrijdige boodschappen uit de media en van goeroes. Daarom is het belangrijk om adviezen te baseren op solide wetenschappelijk onderzoek. Hij introduceert de lezer vervolgens in de wereld van de wetenschap. Daarbij wordt stilgestaan bij het fenomeen selectieve citaties, het nut van onafhankelijke controle en de kwaliteit van het wetenschappelijke tijdschrift waarin is gepubliceerd, uitgedrukt in de zogenaamde impact factor. Als er voldaan wordt aan een indrukwekkende lijst van voorwaarden, dan pas kan men, volgens de auteur, een gedegen advies uitbrengen. Hij sluit dan ook af met de strijdlustige stelling om vooral geen adviezen over te nemen uit de populaire media.

 

 

Onze lat
Epidemiologisch onderzoek vertelt je hoe vaak iets voorkomt en in combinatie waarmee. Zo komt diabetes het meest voor in het zuiden van Zuid-Holland. Dit betekent echter niet dat diabetes wordt veroorzaakt door het gebied Zuid-Holland. Het zijn de beperkingen van epidemiologisch onderzoek
Hoewel we zeer veel sympathie op kunnen brengen voor het pleidooi van goed onderbouwde adviezen, hebben we hier zeker het een en ander aan te vullen. Interessant is namelijk, dat de auteur nergens in het openingshoofdstuk, de tekortkomingen van epidemiologische studies adresseert. Dit is relevant, aangezien het overgrote deel van de voedingsadviezen, ook in dit boek, juist zijn gebaseerd op dit type onderzoek. Daarom moeten we dit uitgebreid bespreken. We besteden hier vier alinea’s aan, maar mocht je dat teveel vinden, dan kun je doorscrollen naar de laatste alinea met het kopje ‘Bewijskracht in de praktijk’.

 

In epidemiologisch onderzoek wordt uitsluitend geobserveerd en niet geëxperimenteerd. De dataverzameling die zo ontstaat, wordt gebruikt om te zoeken naar correlaties, dus twee of meer zaken die vaker samenvallen. Een voorbeeld is het verband, dat gevonden is tussen olijfolieconsumptie en hart- en vaatziekten in het Middellandse zeegebied. Hierdoor wordt aannemelijk dat olijfolie beschermt tegen hart- en vaatziekten. Het ligt minder eenvoudig, omdat in het Middellandse zeegebied, visrijker gegeten wordt dan andere gebieden en het gunstige effect mogelijk toe te schrijven is aan visconsumptie. Men probeert deze verbanden te versterken, door te kijken wie er olijfolie consumeert, wie vis, wie van beiden evenveel en dat te relateren aan de mensen met hart- en vaatziekten. Zo ontstaat een zogenaamd gecorrigeerd beeld, waardoor het toegekende effect van olijfolie sterk begint terug te lopen. Hiermee lijkt de zaak opgelost, totdat iemand oppert, dat er in die gebieden ook vaker een siësta wordt genoten. Dit heeft ook een aannemelijk gunstig effect op hart- en vaatziekten, maar is nog niet eerder gemeten en dus ook nog nooit gecorrigeerd. Epidemiologisch onderzoek kan daarom geen bewijs leveren, omdat men de variabelen niet onder controle heeft. Daar is een gecontroleerd experiment voor nodig. Tegenstrijdige uitkomsten uit epidemiologisch onderzoek, zijn dan ook eerder regel, dan uitzondering. De zaak wordt nog verder verergerd door additionele beperkingen van dit onderzoekstype.

 

In epidemiologisch onderzoek wordt data geanalyseerd en het is goed om te weten, hoe de data wordt vergaard. Er wordt veelal met vragenlijsten gewerkt, die uitgaan van een nagenoeg perfect geheugen en eerlijkheid van de geïnterviewde. Uit validatie onderzoeken blijkt, weinig verrassend, dat mensen vaak invullen wat ze zouden moeten eten, in plaats van wat ze daadwerkelijk eten (Hu FB 1999, Salvini S 1989). Dit moet allemaal gecorrigeerd worden en we weten inmiddels wat dat betekent. Wederom gaat het hier weer om factoren die al bekend zijn, maar zo is pas redelijk recent ontdekt dat een negatief lichaamsbeeld invloed heeft op de antwoorden (Lara JJ 2004). Zelfbeeldinventarisaties maken geen standaard onderdeel uit van dit soort vragenlijsten en kunnen dus niet worden gecorrigeerd. Dit is slechts één voorbeeld, maar het zal je niet verbazen, dat er door de jaren heen nog een veelvoud aan factoren is ontdekt, die verkeerde zelfrapportage in de hand werken.

 

Ook boeiende materie is de classificatie van voedsel. Wat is bijvoorbeeld rood vlees? Is dat een eerlijk biefstukje of is het een heerlijk, maar zeer gekunstelde HEMA worst? De eerste zal door de meeste mensen worden beschouwd als een rood vlees, terwijl de tweede toch iets meer weg heeft van een staaf vet, zout en wat nog meer, vermomd als een stukje vlees. Het zal je wellicht verbazen, maar pizza’s behoren volgens vele onderzoekers, ook tot de categorie rood vlees. Er zit immers soms rood vlees op, in de vorm van bijvoorbeeld salami. De betrouwbaarheid van de data laat dus nogal wat te wensen over. De conclusies zijn dan ook het product van aannames op aannemelijke correcties van nog meer aannames.

 

 

Bewijskracht in de praktijk
Ons bezwaar tegen epidemiologische onderzoeken kan gezocht lijken, maar vrouwen die hormoontherapie kregen, leken een 44% verminderde kans te hebben op hart- en vaatziekten (Stampfer MJ 1991). Daar zaten ook onderzoeken bij, die in de meest gerenommeerde vaktijdschriften zijn gepubliceerd. De Nederlandse huisartsen besloten dat het epidemiologisch bewijs geen bewijs was en wilde een experiment afwachten. Gelukkig maar, want een experiment dat erop volgde, liet zien dat hormoontherapie juist leidde tot 29% meer kans op hart- en vaatziekten (WHI 2002). Het niet in de hand hebben van de variabelen in combinatie met redelijk onbetrouwbare databronnen, voedselclassificaties en onmogelijke correcties, sterken bij elkaar, ons argument dat epidemiologische bevindingen niet als bewijs kunnen worden beschouwd. Als je dus leest dat elke dag vruchtensap drinken leidt tot 75% verminderde kans op alzheimer, dan zegt dat dus niet zoveel.

 

Naast onze reserveringen met betrekking tot epidemiologische onderzoeken, hebben we ook nog wat aan te vullen over dieronderzoek. We kunnen niet onbeperkt experimenteren op mensen en veel van het onderzoek vindt eerst plaats op (dood) weefsel, dan op dieren en als laatste op mensen, als het al gebeurt. Dit is belangrijk omdat veel conclusies, ook uit dit boek, gebaseerd zijn op dieronderzoek. Het is altijd lastig om dit te vertalen naar mensen. Zo blijken muizen en ratten een heel andere koolhydraatmetabolisme te hebben, waardoor ze veel sneller ongezond buikvet opslaan dan mensen. Sommige muissoorten worden snel dik, anderen krijgen snel diabetes en er zijn soorten die bestendig lijken te zijn tegen de slechte invloed van junkfood (West DB 1992). Met al deze varianten, mag het duidelijk zijn dat muisonderzoek zich dus niet eens goed laat vertalen naar andere muissoorten, laat staan dat je de conclusies overneemt voor mensen.

 

De voorwaarden die de auteur opgesteld heeft voor zijn eigen adviezen, vullen we aan met onze eigen overwegingen, zodat we een evenwichtig oordeel kunnen vellen over het boek. Daarbij hebben we minder oog voor bijvoorbeeld de impact factor, aangezien naar onze mening evidence-based werken vooral gaat over bewijs en niet over gezag. We zullen publicaties dus op inhoud beoordelen, evenals het boek.

 

 

De literatuurlijst
Het boek bevat voor allerlei claims, een directe verwijzing naar een literatuurreferentie. We zijn daar heel blij mee, omdat het ons meteen een idee geeft hoe de claims zijn onderbouwd. Erg interessant is dan om te zien dat er regelmatig verwezen wordt naar een boek ‘Beyond 120 year diet’, een artikel over Blue zones en het gezaghebbende rapport van het wereld kankerfonds (WCRF). Geen van deze bronnen is ooit verschenen in een gecontroleerd wetenschappelijke uitgave. Dit is allemaal in strijd met de eigen voorgestelde voorwaarden, waaraan bewijs moet voldoen.

 

Dit gezegd hebbende, gaan we over op de inhoud en richten we ons op de drie basisprincipes van de auteur:

 

1. Suiker is zeer ongezond
Suiker is niet ongezond, maar heel ongezond, zo pleit de auteur
Begin van dit jaar werden we opgeschrikt door een opiniërend artikel in Nature, waarbij de boodschap was, dat suiker levensgevaarlijk is. Interessant is dat deze auteur ook deze mening is gedaan, alleen om andere redenen. De auteur van dit boek is namelijk minder bang voor fructose, maar primair gericht op twee zaken rondom suiker en de eerste heeft te maken met insuline als anabool hormoon, dat de aanmaak IGF-1 aanjaagt. Dit laatste hormoon zet aan tot groei en dat is volgens de auteur een gegarandeerde manier om de levensverwachting te verkorten. Grotere dieren leven langer dan kleinere dieren, maar binnen hetzelfde soort leven de groteren korter. Er zijn echter meerdere wegen naar een langere levensverwachting en IGF-1 verlagen is er een van. Daarnaast hebben we calorierestrictie en functiewijziging van de mitochondria. Gek genoeg blijkt uit een onderzoek onder vrouwtjesmuizen, de grootte geen relatie te hebben de levensverwachting, maar de stofwisselingssnelheid wel. Hoe hoger de snelheid, hoe ouder de muizen werden (Speakman R 2001/2004). Dit werd ook bij schapen aangetroffen (Baudisch A 2011). Er zijn meer vragen dan antwoorden en daarnaast is het onduidelijk of verlaging van de IGF-1 bij mensen, zal leiden tot een langere levensverwachting. Het is interessante materie, maar het plaatje is in ieder geval minder klip en klaar dan de auteur voorstelt.

 

Glycatie lijkt een belangrijke oorzaak te zijn van veroudering, maar komt het door suiker?
Het tweede probleem, dat de auteur schetst met suiker, heeft te maken met glycatie, een proces waarbij glucose zich hecht aan eiwit. Het leidt tot gevaarlijk geachte producten, genaamd advanced glycation end-products (AGE). Na een prachtige uitleg van wat er moleculair gebeurt tijdens glycatie, wordt gesuggereerd dat suiker leidt tot versnelde veroudering. Dit is echter slechts ten dele waar, want AGE’s komen op verschillende wijze tot stand en het lijkt erop dat de weg via suiker het minst erg is. Op pagina 28 refereert de auteur naar een studie waarin diabetespatiënten op een Atkins dieet tot zes maal meer methylglyoxal produceerden. Er is hiervoor geen literatuurreferentie afgegeven, maar we vermoeden dat het gaat om de studie van Beisswenger (2005). Methylglyoxal is een dicarbonyl, dat 10 tot 100 keer meer AGE’s produceert, dan waarschijnlijk met suiker zou kunnen. De inzet van het Atkins dieet maakt duidelijk, dat hier helemaal geen suiker voor nodig is. Eiwit, maar ook vet zijn betrokken bij de vorming van dicarbonylen en leiden tot de gevreesde AGE’s. Een biochemisch onderzoek (Thornalley PJ 2003) suggereert, dat het overgrote deel van de AGE productie, via dicarbonylen in de cel plaatsvindt en niet het gevolg is van suikerrijk bloedplasma. Suiker is misschien niet onschuldig, maar speelt waarschijnlijk een relatief kleine rol in dit proces.

 

Het ligt voor de hand om diabetespatiënten in te zetten om de effecten van verregaande glycatie te illustreren, maar dit vergelijk is verre van representatief. Ten eerste hebben diabetespatiënten een relatief insulinetekort, dat leidt tot glucoseniveau’s die je bij gezonde mensen niet aantreft. Verder is het probleem niet een geremde opname van glucose, maar juist de overproductie van nieuwe glucose, waardoor de glucoseniveaus bij diabetespatiënten volledig ontsporen. Er zijn bij diabetespatiënten diverse zaken mis, die in meer of mindere mate leiden tot een toename van dicarbonylen, wat toch redelijk los lijkt te staan van suiker. Interessant is overigens dat de auteur stelt dat diabetes meer te maken heeft met overgewicht dan met suikerconsumptie. Toch suggereert de auteur dat diabetespatiënten dikker worden van insulinegebruik, vanwege de anabole werking van IGF-1. We begrijpen dat deze claim aansluit op waarnemingen in de klinische praktijk, maar de vraag is dan natuurlijk waar deze vetcellen dan mee gevuld worden? Daar zijn gewoon calorieën voor nodig. Het gebruik van insuline zorgt ervoor dat de calorieën, die voorheen door insulineresistentie werden uitgeplast, nu opgenomen worden. De vetcellen worden dus niet gevuld met ether, maar simpelweg met een teveel aan calorieën.

Gelukkig sluit de auteur af met een genuanceerde stelling dat we koolhydraten nodig hebben.
2. Kijk uit met eiwit(rijke diëten)
Ook in dit hoofdstuk neemt de auteur interessante standpunten in, die een voorkeur voor de vegetarische leefstijl suggereren. Zo lijkt hij vooral slechte eigenschappen toe te kennen aan dierlijke eiwitten. Deze zouden bijvoorbeeld schuldig zijn aan botontkalking vanwege een mechanisme van verzuring. De literatuurreferentie is echter geen gedegen wetenschappelijk gecontroleerd artikel, maar een boek. Er wordt vervolgens gesteld dat een epidemiologische studie laat zien, dat een hoge zuivelconsumptie leidde tot 45 procent meer heupbreuken. Dit stuit echter op een aantal tegenstrijdigheden in dezelfde publicatie, waarbij (dierlijk) eiwit en calcium van gelijke hoeveelheid, maar van andere bronnen geen relatie laten zien met heupbreuken. Daarnaast verbazen de auteurs zich erover dat de stijging zich wel voordoet bij heupbreuken, maar niet bij armbreuken. Dat zijn conflicterende bevindingen in dezelfde studie, maar ook een onafhankelijke vervolgstudie vindt geen verband tussen melkconsumptie en heupbreuken (Benetou V 2011). Nog veel interessanter wordt het, als blijkt, dat alle zuivel- als vleesexperimenten geen verzwakking van het skelet laten zien, maar juist een versteviging. Eiwit heeft een anabool effect, ook op het skelet en professor Kok heeft recent nog gepleit (Blom J 2009) voor een verhoging van de eiwitinname. Het standpunt over botontkalking door eiwitconsumptie is ongefundeerd, het mechanisme is implausibel en geheel uit de context gehaald.

 

De auteur heeft ook een visie op het Paleo dieet. De oermens at weinig granen, zuivel, maar volgens hem ook weinig vlees. Het was volgens hem niet gemakkelijk om elke dag een mammoet te vangen of een gazelle. Deze claim gaat niet gepaard met enige onderbouwing en we vermoeden dat hij hiermee een beroep doet op ons gezond boerenverstand. Daar kunnen we helaas niet in mee, want wij beschikken over een indrukwekkende databank aan literatuurstudies, die iets anders suggereren en bovendien begrijpen we de logica gewoonweg niet. We stellen ons namelijk voor, dat na een schaamteloze schranspartij aan mammoetspareribs, we een doggy bag mee naar huis nemen ter grootte van een 20 voet container, zodat we de rest van de week niet meer hoeven te jagen. Het sluit heel duidelijk aan op antropologische rapporten over moderne jager-verzamelaarstammen, die drijfjachten voeren van 3 tot 4 uur en dan drie dagen van de vangst kunnen leven (Liebenberg L 2006). Het is ook niet onmogelijk om elke dag te jagen, zo laten de Ache indianen zien en hun voedingspatroon bestaat voor meer dan 80 procent uit vlees (Kaplan H 1984). En natuurlijk zijn er moderne jager-verzamelaars die ook weinig vlees eten, maar het illustreert heel duidelijk dat de stelling van de auteur ongefundeerd is.

 

De auteur heeft nog wel meer te melden over rood vlees en consumptie ervan wordt dan ook sterk afgeraden. Hij haalt hierbij, twee oudere maar gerespecteerde epidemiologische studies, aan uit de koker van Harvard. Inmiddels is het sentiment wat gekeerd en probeert men, vanwege de sterk conflicterende resultaten, een betere grip op de data te krijgen door bewerkt vlees en onbewerkt vlees te scheiden voor analyse (Willet WC 2000). Dat is niet gebeurd in de door hem opgegeven studies. Een massale analyse van 20 studies met ruim 1,2 miljoen deelnemers, laat geen verband zien tussen rood vlees, hartziekten en diabetes, maar suggereert wel een relatie met bewerkt vlees (Micha R 2010). Daarmee zou het probleem dus niet bij vlees liggen, maar bij toevoegingen zoals nitriet, dat het vlees niet alleen conserveert, maar ook de mooie rode kleur geeft. Het is misschien wat kinderachtig, maar mogen we ook nog een epidemiologische studie voor de voeten werpen, waaruit zou moeten blijken dat vegetariërs een grotere kans op darmkanker hebben (Key T 2009). Het is niet voor niets, dat we uitgebreid aandacht hebben besteed aan de beperkingen van dit onderzoekstype, die grotendeels de claims in dit boek moeten onderbouwen.

 

Als laatste willen we toch nog wat melden over het negatief beeld, dat de auteur schetst over hoge eiwitconsumptie. Deze zou belastend zijn voor de nieren en omdat de verwerkingscapaciteit met de jaren afneemt, vermoedt hij een relatie met een hoge eiwitconsumptie. Patiënten met nierproblemen worden dan ook op een eiwitarm dieet gezet, waarna de gezondheidsindicatoren verbeteren. Hiermee wordt het gelijk van de auteur gesuggereerd. Het is echter vergelijkbaar met de redenering over diabetes. Deze hebben een te hoog bloedsuikergehalte en door suiker te minderen, verbeteren de symptomen. De auteur stelt hier echter dat suiker eten zelf geen diabetes veroorzaakt en dezelfde redenering is wat ons betreft ook geldig voor eiwitconsumptie en nierfalen, tenzij de auteur een literatuurreferentie overlegt, waaruit dit blijkt. Dit hele hoofdstuk hangt aan elkaar met correlatie gedreven claims, (implausibele) theorieën en akelig weinig bewijs.

 

 

3. Vetten zijn gezonder dan gedacht
Over dit hoofdstuk kunnen we kort zijn, aangezien dit grotendeels overeenkomt met onze eigen standpunten. Het lezen van dit hoofdstuk is zeker de moeite waard. Wel hebben we nog een puntje met betrekking tot de claim dat omega-6, ontstekingsbevorderend is. Natuurlijk begrijpen we de biochemische redenering hiervan, maar dit is niet aangetoond. Gelukkig is het bijna een voetnoot en legt de auteur duidelijk het accent op de inname van meer omega-3 en vooral uit vis. Het hoofdstuk sluit goed aan op de tendens waarin vetten uit het verdomhoekje komen.

 

 

Overwegingen en context
De algemene indruk die mogelijk uit deze recensie ontstaat, is dat we niet enthousiast zijn over dit boek, maar niets is minder waar. We hebben alleen de inhoud getoetst aan de, door de auteur zelf opgelegde, hoge normen. Dan blijkt dat de auteur vaak de lat niet haalt, er veelvuldig onderduikt en zelfs omheen loopt. Daar kunnen we niet enthousiast van raken. Dat geldt ook voor cliché’s als suiker is vergelijkbaar met heroïne, aspartaam zorgt voor neurologische stoornissen, vaak voorzien van selectieve of helemaal geen citaties. Ook worden er regelmatig harde claims gedaan met betrekking tot preventie. Een glas sap zou bijvoorbeeld het risico op alzheimer met 75% verminderen. Hier is absoluut geen bewijs voor, want correlatie is immers geen causaliteit (denk hormoontherapie!). Tijd en ruimte verhinderen, dat we dit verder in detail kunnen behandelen. Als de auteur in zijn boek aandacht had besteed aan de tekortkomingen van epidemiologisch onderzoek en minder hard allerlei percentages had gecommuniceerd, dan hadden onze opmerkingen hierover beperkt kunnen blijven tot een alinea.

 

Als we de voedselzandloper nader bekijken, dan zal het volgen hiervan bijna altijd en automatisch tot calorievermindering leiden. Daarnaast gaat het gehalte aan vitamines, mineralen, maar ook omega-3 omhoog. Dit betekent in de praktijk, dat de meeste mensen zullen opknappen van deze voedingswijze en dat is een aanbeveling. Wat we ontzettend sterk vinden is het pleidooi om de gezondheid in eigen heft te nemen. Daarbij wordt naast voeding ook aandacht besteed aan bewegen en stress. Alles wordt in duidelijke en toegankelijke taal uitgelegd, zodat de lezer ook begrijpt waarom hij iets zou moeten doen of laten. Ook bespreekt hij voor- en tegens van zijn claims, een zeldzaamheid in populaire voedingsboeken. Dat wij de norm daarin nog een stuk hoger leggen, doet daar niets aan af. We hopen dan ook dat de auteur het als een aanmoediging ziet.

 

 

Conclusie
De Voedselzandloper is een prettig leesbaar boek, dat de kennis en kunde van de auteur, op toegankelijke wijze etaleert. Er wordt een keur aan onderwerpen besproken, die voortvloeien uit drie basisprincipes, namelijk dat suiker ongezond is, eiwitconsumptie verminderd mag worden en dat vetten gezonder zijn dan gedacht. Dit alles wordt vertaald in een bruikbare zandlopergrafiek, waarmee eenvoudig en ook verantwoorde keuzes gemaakt kunnen worden. De onderbouwing van deze basisprincipes is helaas niet zo stevig als gesuggereerd wordt en moet dan ook met voorzichtigheid benaderd worden. Het advies van de auteur om nooit zomaar adviezen over te nemen uit de populaire media, is dan ook van toepassing op zijn eigen boek. Met die regel in het achterhoofd, is dit boek een verrijking voor de kritische consument en professional.

 

 

 

Meer lezen uit deze categorie 'Voeding':

Hebben dikke mensen meer cravings?

Hebben dikke mensen meer cravings?

Als verlangen verandert in hunkeren naar voedsel dan wordt het een craving genoemd. Die cravings lijken vooral sterk te zijn gecorreleerd met hyperpalatibele (smakelijk) en hypercalorische voedingsmiddelen. Dik en dun kennen het verschijnsel van cravings, maar is er...

Wat voegt de leefstijlarts toe?

Wat voegt de leefstijlarts toe?

De belangstelling voor leefstijlgeneeskunde bij (huis)artsen neemt toe en dat lijkt terecht te zijn, aangezien veel van de gezondheidsproblemen ontstaan door de wijze waarop we leven. Nu hebben we al leefstijlcoaches en diëtisten. Wat voegt de leefstijlarts toe?    ...

Maakt een gezond microbioom een gezond mens?

Maakt een gezond microbioom een gezond mens?

Tientallen boektitels, vele cursussen en ontelbare blogs zijn er verschenen over het microbioom. Het betreft de honderden kolonies aan bacteriesoorten die leven in onze darmen. Dit microbioom zou via verschillende wegen een enorme invloed hebben op de gezondheid van...

Dit onderwerp komt aan bod in de volgende opleidingen:

Recente artikelen (kennisbank) uit overige categorieën:

Hebben dikke mensen meer cravings?

Hebben dikke mensen meer cravings?

Als verlangen verandert in hunkeren naar voedsel dan wordt het een craving genoemd. Die cravings lijken vooral sterk te zijn gecorreleerd met hyperpalatibele (smakelijk) en hypercalorische voedingsmiddelen. Dik en dun kennen het verschijnsel van cravings, maar is er...

Beter, beter, beter met meditatie?

Beter, beter, beter met meditatie?

Oost en west lijken verenigd in het enthousiasme over meditatie. De consument, de media en de wetenschap zijn unaniem over het heilzame effect van een paar minuten mediteren per dag. Niet zweverig, wetenschappelijk bewezen effectief, geen wondermiddel, maar toch...

Insuline onbegrepen deel 13: Koolhydraatintolerant

Insuline onbegrepen deel 13: Koolhydraatintolerant

Zijn er mensen die niet tegen koolhydraten kunnen en zou dat de reden zijn waarom ze diabetes krijgen? Steeds vaker spreekt men van koolhydraatintolerantie, zo ook in een recent onderzoek van de Ohio universiteit. Deze mensen zouden gebaat zijn bij een...

Redactionele noot

Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, worden opgeslagen of openbaar gemaakt in enige vorm of op enige wijze zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.

De conceptversie van dit artikel is voor publicatie aan de auteur, Kris Verburgh, voorgelegd en eventuele feitelijke onjuistheden zijn aangepast. We zijn de dr. Verburgh dan ook zeer erkentelijk voor de medewerking. Wel had de auteur nog een aantal opmerkingen:

Ik heb uw recensie gelezen en het is een kritische benadering, wat ik enkel maar kan toejuichen…al heb ik het gevoel dat er teveel gekeken wordt naar de de referenties, terwijl dit een populair wetenschappelijk boek is, en geen wetenschappelijk artikel. Ik zou veel meer, en vaak nog betere referenties kunnen aanhalen, zonder bepaalde claims te veranderen. Uiteraard, als onderzoeken anders uitwijzen, ben ik zeker bereid om mijn meningen te herzien…“, aldus dr. Kris Verburgh, auteur de Voedselzandloper

Wij hebben niet alleen gekeken naar de referenties, we hebben gekeken naar de claims en vervolgens de bijgeleverde referenties in de context geplaatst. Feiten zijn feiten, maar feiten op zich zijn geen bewijs, daar is context voor nodig. Het is juist die context, die de conclusie dramatisch doet wijzigen.”,  reactie Chi L. Chiu van Chivo

We hebben de auteur van enkele standpunten, een verdere onderbouwing en verdieping toegezonden, waarop hij kan reageren. Het is mogelijk dat we het een ander zullen aanvullen via een naschrift.

Geraadpleegde bron(nen)

  • Baudisch A (2011) The pace and shape of ageing. Methods in Ecology and Evolution, 2011
  • Beisswenger BG (2005), Delucia EM, Lapoint N, e.a. Ketosis leads to increased methylglyoxal production on the Atkins diet. Ann NY Acad Sci. 2005;1043:201-10.
  • Benetou V (2011), Orfanos P, Zylis D, e.a. Diet and hip fractures among elderly Europeans in the EPIC cohort. Eur J Clin Nutr. 2011 Jan;65(1):132-9. Epub 2010 Oct 13.
    Blom J (2009) Nutriëntendichtheid van melk en zuivelproducten. VoedingsMagazine nummer 2, april 2009, 22e jaargang
  • Hu FB (1999), Rimm E, Smith-Warner SA, e.a. Reproducibility and validity of dietary patterns assessed with a food-frequency questionnaire. Am J Clin Nutr. 1999 Feb;69(2):243-9.
  • Hulbert AJ (2004), Clancy DJ, Mair W, e.a. Metabolic rate is not reduced by dietary restriction or by lowered insulin/IGF-1 signalling and is not correlated with individual lifespan in Drosophila melanogaster. Exp. Gerontol. 39,1137 -1143.
    Kaplan H (1984), Hill K, Hawkes K, Hurtado A. Food Sharing Among the Aché Hunter-Gatherers of Eastern Paraguay. Current Anthropology. 25:113-115.
  • Key TJ (2009), Appleby PN, Spencer EA, e.a. Cancer incidence in vegetarians: results from the European Prospective Investigation into Cancer and Nutrition (EPIC-Oxford). Am J Clin Nutr. 2009 May;89(5):1620S-1626S. Epub 2009 Mar 11
  • Lara JJ (2004), Scott JA, Lean ME. Intentional mis-reporting of food consumption and its relationship with body mass index and psychological scores in women. J Hum Nutr Diet. 2004 Jun;17(3):209-18
  • Liebenberg L (2006) Persistence Hunting by Modern Hunter-Gatherers, Current Anthropology, 47:6.
  • Micha R (2010), Wallace SK, Mozaffarian D. Red and processed meat consumption and risk of incident coronary heart disease, stroke, and diabetes mellitus: a systematic review and meta-analysis. Circulation. 2010 Jun 1;121(21):2271-83.
  • Salvini S (1989), Hunter DJ, Sampson L. Food-based validation of a dietary questionnaire: the effects of week-to-week variation in food consumption. Int J Epidemiol. 1989 Dec;18(4):858-67.
  • Speakman JR (2001), Snart S, Selman C, e.a. Living fast and dying old. FASEB J. 14,A757 2001
  • Speakman JR (2004), Talbot DA, Selman C, e.a. Uncoupled and surviving: individual mice with high metabolism have greater mitochondrial uncoupling and live longer. Aging Cell 3,87 -95.
  • Stampfer MJ (1991), Colditz GA. Estrogen replacement therapy and coronary heart disease: a quantitative assessment of the epidemiologic evidence. Prev Med. 1991 Jan;20(1):47-63.
  • Thornalley PJ (2003), Battah S, Ahmed N, e.a. Quantitative screening of advanced glycation endproducts in cellular and extracellular proteins by tandem mass spectrometry. Biochm. J. 2003;375(Pt 3):581-92.
  • Verburgh K (2012) De Voedselzandloper. ISBN 9035137582
  • West DB (1992), Boozer CN, Moody DL, Atkinson RL. Dietary obesity in nine inbred mouse strains. Am J Physiol. 1992 Jun;262(6 Pt 2):R1025-32.
  • WHI (2002) Writing Group for the Women’s Health Initiative Investigators. Risks and Benefits of Estrogen Plus Progestin in Healthy Postmenopausal Women. Principal Results From the Women’s Health Initiative Randomized Controlled Trial. JAMA. 2002;288(3):321-333.
  • Willett WC (2000). Diet and cancer. Oncologist. 2000;5(5):393-404. Review.