Skip to main content

Problemen met meten morele verwonding (bij militairen)

Morele verwonding is volgens ons niet goed te bestuderen zonder eerst scherp te zijn over twee vragen: wat verstaan we onder moraliteit, en hoe ontstaan emoties na een morele gebeurtenis?

Dat wordt goed zichtbaar wanneer we twee recente lijnen van onderzoek naast elkaar leggen: de validatie van een meetinstrument voor morele verwonding bij Nederlandse veteranen én onderzoek naar de relatie tussen morele gebeurtenissen en emoties.

Een recent gevalideerde Nederlandse schaal voor morele verwonding is gebaseerd op een Amerikaans instrument van Currier et al. (2018). Het instrument werd onderzocht bij 455 behandelingzoekende Nederlandse veteranen uit vier gespecialiseerde psychotraumacentra. Een belangrijke uitkomst is dat morele verwonding empirisch te onderscheiden bleek van PTSS. Dat is relevant en klinisch waardevol.

Tegelijkertijd roept de theoretische basis vragen op.

💡 Van morele gebeurtenis naar emotie

Het instrument sluit aan bij een sociaal-functionalistische benadering van moraliteit en emotie. Daarin bestaat de gedachte dat bepaalde typen morele schendingen relatief specifieke emoties oproepen.

Die gedachte zien we ook terug in bekende theorieën als Haidts Social Intuitionist Model, de CAD-triade van Rozin en Moral Foundations Theory. Grofweg: schendingen van autonomie zouden bijvoorbeeld vooral woede oproepen, terwijl schendingen rond puurheid sterker met walging samenhangen.

Je zou dit een SIM-achtige benadering kunnen noemen: het type morele gebeurtenis stuurt in belangrijke mate welk type emotie volgt.

Juist dat uitgangspunt wordt in ander onderzoek ter discussie gesteld.

Vanuit appraisaltheorie wordt emotie niet primair bepaald door de categorie waarin een gebeurtenis valt, maar door de manier waarop iemand die gebeurtenis beoordeelt. Daarbij spelen onder andere persoonlijke relevantie, verwachtingen, ervaren controle, onverwachtheid, onzekerheid en omstandigheden een rol.

Dat levert een ander beeld op.

Een schending van autonomie bleek bijvoorbeeld niet eenvoudigweg tot woede te leiden. Wanneer een gebeurtenis persoonlijke waarden sterk raakt, namen meerdere negatieve emoties toe — in het betreffende onderzoek zelfs vooral walging. Bij schendingen van gemeenschapswaarden, waarbij vanuit een SIM-achtige benadering vooral verachting of woede zou worden verwacht, werd juist verdriet vaak gerapporteerd.

De relatie tussen gebeurtenis en emotie blijkt dus minder één-op-één dan sommige modellen veronderstellen.

Dat maakt het begrip ‘morele emotie’ ingewikkelder. Zeker wanneer de redenering circulair dreigt te worden: we classificeren een gebeurtenis als walgelijk, constateren vervolgens walging en gebruiken die emotie daarna als bewijs dat het om dit type morele schending ging.

💡 Maar wat is eigenlijk een morele schending?

Daarmee komen we bij een nog fundamentelere vraag.

Het Nederlandse meetinstrument hanteert geen scherp uitgewerkte definitie van moraliteit. Dat lijkt misschien theoretisch, maar heeft directe gevolgen voor welke gebeurtenissen als moreel relevant worden beschouwd, welke items worden opgenomen en hoe uitkomsten worden geïnterpreteerd.

Binnen modern onderzoek naar moraliteit wordt bijvoorbeeld benadrukt dat schade niet simpelweg gelijkstaat aan ‘iets wat tegen mijn waarden ingaat’. Bij prototypische morele schendingen is vaak sprake van een relatie tussen een handelende persoon — een agent — en iemand of iets dat schade ondervindt — een patiënt.

Dat onderscheid blijkt relevant.

Concrete gebeurtenissen zoals iemand slaan of een dier schoppen roepen relatief duidelijke reacties op. Een gebeurtenis die vooral strijdig is met iemands persoonlijke kernwaarden laat een ander emotioneel patroon zien.

Een schending van mijn waarden is dus niet automatisch hetzelfde als een morele schending.

Dat onderscheid is voor onderzoek naar morele verwonding essentieel. Wie beide onder één noemer plaatst, loopt het risico psychologisch verschillende processen samen te voegen.

En dat heeft mogelijk ook gevolgen voor begeleiding en behandeling.

💡 Dezelfde spanning zien we terug in de schaal

Het meetinstrument onderscheidt zelfgerichte en andergerichte morele verwonding. Schuld en schaamte worden sterker gekoppeld aan de zelfgerichte factor en woede vooral aan de andergerichte factor.

Maar ook hier blijkt de werkelijkheid minder netjes.

Eén algemene factor verklaarde ongeveer 70% van de gemeenschappelijke variantie. Woede hing bovendien niet alleen met andergerichte, maar met beide factoren samen. Zelfgerichte woede wordt in de schaal nauwelijks expliciet gemeten, terwijl die in ander onderzoek wel wordt gevonden.

Dat kan mede verklaren waarom het tweefactorenmodel psychometrisch niet optimaal paste. Voor Nederland is bovendien nog niet bekend hoe stabiel de schaal door de tijd heen is, omdat het onderzoek cross-sectioneel was.

💡 Walging, puurheid en universele emoties

Een vergelijkbaar probleem speelt rond walging.

Walging wordt binnen sommige morele theorieën gekoppeld aan ‘puurheid’. Maar puurheid is binnen de hedendaagse morele psychologie een omstreden construct en de empirische basis ervan staat ter discussie. Bovendien blijkt walging maar beperkt samen te vallen met veronderstelde schendingen van puurheid.

Ook breder is het idee van vaste, universele emotiecategorieën problematisch. Crosscultureel onderzoek laat zien dat vergelijkbare gebeurtenissen verschillende emotionele reacties kunnen oproepen en dat zelfs dezelfde emotieterm niet noodzakelijk overal naar precies dezelfde ervaring verwijst.

Dat maakt een meetinstrument dat relatief vaste relaties veronderstelt tussen morele gebeurtenis, emotiecategorie en type morele verwonding theoretisch kwetsbaar.

💡 Waarom dit ertoe doet

Morele verwonding is een relevant klinisch verschijnsel. Dat het bij Nederlandse veteranen empirisch van PTSS kan worden onderscheiden, is belangrijke vooruitgang.

Maar goede psychometrie begint niet bij factoranalyse.

Ze begint bij constructzorgvuldigheid.

Wat verstaan we onder moraliteit? Wanneer spreken we van een morele schending en wanneer van een bedreiging van persoonlijke waarden? Zijn emoties vaste categorieën, of ontstaan ze mede uit appraisal, context en betekenisgeving? En hoeveel theoretisch gewicht kunnen we hangen aan begrippen als schaamte, schuld, woede of walging?

Onderzoek naar morele verwonding kan daarom niet los worden gezien van ontwikkelingen binnen de morele psychologie en emotiewetenschap.

Juist daar ligt volgens ons de volgende stap: niet alleen steeds betere instrumenten ontwikkelen om morele verwonding te meten, maar eerst preciezer bepalen welk psychologisch verschijnsel we eigenlijk proberen te meten.

Morele psychologie is per definitie interdisciplinair. Moraliteit, waarden, emoties en klinische maladaptatie komen er samen. De kwaliteit van onderzoek naar morele verwonding hangt daarom mede af van de vraag of inzichten uit al deze onderzoeksvelden theoretisch coherent worden geïntegreerd.

Meer leren

Een praktische aanpak voor begeleiding leer je in de module emotieregulatie uit de opleiding Vitaliteitskundige.

Problemen met meten morele verwonding (bij militairen)