Sociale media-opvoeding is vergelijkbaar met verkeersopvoeding. Mooie metafoor van Barend Last! Als we die analogie hanteren, begrijp je dat een leeftijdsgrens voor sociale media vergelijkbaar is met jongeren pas aan het verkeer laten deelnemen als ze 15 jaar zijn.
De analogie is raak, maar vereist nog aanvulling. Ouders weten heel goed weten wat de ongeschreven verkeersregels zijn. Eerst links kijken, dan rechts en dan weer links voor je oversteekt, is intuïtief — ook al zou niemand het je ooit expliciet leren. Het zijn namelijk overlevingsimpulsen.
Sociale media gaan echter niet (uitsluitend) over overlevingsbehoeften, maar over ontplooiingsbehoeften en identiteitsontwikkeling. Ouders blijken daar helemaal niet zoveel over te weten, mede omdat de kennis hierover pas in de afgelopen 25 jaar enorm is toegenomen. Die kennis was voorheen minder belangrijk, omdat er simpelweg minder mogelijkheden waren.
Ik heb eerder aangegeven dat sociaal vergelijken onvermijdelijk is — dat is namelijk hoe we leren. Een advies om je niet te vergelijken is daarom contraproductief. Een van de problemen met de coronalockdowns voor kinderen was niet eenzaamheid, maar het feit dat ze zich niet sociaal konden vergelijken als het ging om schoolprestaties. Je weet simpelweg niet waar je staat. Sociaal vergelijken is niet uitsluitend een overlevingsbehoefte, maar ook heel duidelijk een groeibehoefte.
Sociaal vergelijken is dus niet het probleem. De vraag is: hoe leer je je kind om constructief sociaal te vergelijken? Dat hebben we ooit beschreven in een nieuwsbrief, maar die hebben we inmiddels ook online gezet. Dit gaat niet uitsluitend over jongeren, maar geldt nagenoeg voor alle leeftijden. Heb jij ooit geleerd hoe je sociaal kunt vergelijken? Je kunt het lezen in 'Sociaal vergelijk, hoe doe je dat?'
Geen nieuwe, maar wel vooral grappig argumenten waarom dit soort testen onzinnig zijn.
Met de huidige ontwikkelingen kun je je afvragen wat de waarde nog is van bestaande persoonlijkheidsmodellen. Die blijven voorlopig nog heel goed werkbaar en in deze post zal ik dat toelichten.
🔽 Top-down benadering
Huidige modellen zijn grotendeels top-down ontwikkeld vanuit trekken, waar theoretische facetten onderliggen om vervolgens items (vragen) te ontwikkelen. Als je echter vanaf de antwoorden op de items omhoog werkt (data- en niet theoriegedreven), blijken er met de FFM-items minder facetten en meer trekken te manifesteren, zoals je hier kunt lezen.
🔀 Statistische bevestiging
Betekent dit dat wat we nu hebben onbruikbaar is geworden? Nee, maar het is belangrijk om een verschil te maken tussen het Five Factor Model (FFM) en het zesfactorenmodel (HEXACO). De vijf factoren zijn verkregen via exploratieve factoranalyse (EFA) en die wil je vervolgens bevestigen met een confirmatieve factoranalyse (CFA). Dat is bij de FFM niet gebeurd, omdat het niet lukte. Wat je wilt, is dat toegewezen facetten ook overtuigend op een trek laden (dus 'plakken'), maar nadere analyses laten zien dat sommige facetten gaan zweven. Dit worden ook wel crossloadings genoemd, en het betekent dat het model niet echt heel stabiel is.
👍 HEXACO is stabiel
HEXACO daarentegen is wél bevestigd via CFA. Hoewel er ook crossloadings aanwezig zijn van sommige facetten — aangezien bijvoorbeeld rechtvaardigheid van integriteit ook laadt op consciëntieusheid (.32), angstigheid van emotionaliteit op openheid (.40) — zie je dat die secundaire crossloadings zwak zijn. Anders gesteld: HEXACO is statistisch een stabieler model dan het FFM.
🔼 Bottom-up
Als de bottom-up analyse echter andere facetten genereert, hoe stabiel is HEXACO dan? Het blijft best stabiel, omdat de facetten daadwerkelijk laden op de trekken. Er zijn alleen meer facetten dan de 24 die nu geassocieerd worden met HEXACO. Anders gesteld: een bottom-up analyse zou wel eens een betere set van facetten kunnen opleveren, maar de huidige facetten (op wat zwakke crossloadings na) vormen nog steeds een stabiel fundament. Een bottom-up analyse zou zelfs wel eens andere trekken kunnen opleveren. De persoonseigenschappen blijven gelijk, maar zullen anders georganiseerd worden.
👍Future-proof
Dat wordt anders als men ook nog meer items gaat toevoegen met een bottom-up analyse, maar zover zijn we voorlopig nog lang niet, omdat men die data eerst moet genereren, terwijl de HEXACO-data er al zijn. Die data zijn heel waardevol. Daarnaast bevat HEXACO het hele FFM en ook die data kun je dus gebruiken. Maar het is overduidelijk dat er allerlei ontwikkelingen zijn die wij in de gaten houden.
👌 Onze keuze
Wij zijn gestandaardiseerd op HEXACO, simpelweg omdat dat het meest stabiele model is en omdat de additionele trek 'Integriteit', ook daadwerkelijk iets voorspelt. Wij zijn daarmee backwards compatible en future-proof!
Meer leren over hoe je dit in de praktijk toepast kun je in onze module Veranderkunde/Identiteitsontwikkeling:
We weten al langer dat chronische eenzaamheid het risico op psychische problemen verhoogt. Maar waarom is dat zo? Een nieuwe meta-analyse (Patrichi A et al 2025) werpt daar nu een helder licht op: het heeft alles te maken met hoe we omgaan met onze emoties.
Deze meta-analyse – waarin 61 studies met in totaal ruim 40.000 deelnemers zijn samengebracht – laat zien dat mensen die zich eenzaam voelen, vaak ook worstelen met emotieregulatie. De samenhang is stevig en consistent.
Wat blijkt?
Eenzaamheid hangt positief samen met:
👎 Piekeren (rumination, r = 0,38)
👎 Onderdrukken van emoties (suppression, r = 0,31)
👎 Moeite met emotieregulatie (ER difficulties, r = 0,49)
Eenzaamheid hangt negatief samen met:
👍 Positief herinterpreteren van situaties (reappraisal, r = –0,23)
👍 Afleiden (distraction, r = –0,21)
👍 Algemene ER-vaardigheden (ER abilities, r = –0,28)
Interessant is dat deze effecten bij volwassenen sterker zijn dan bij adolescenten. Ook vertonen vrouwen over het algemeen iets minder sterke verbanden tussen eenzaamheid en moeilijkheden met emotieregulatie. Daarnaast speelt cultuur een rol: in landen waar individualisme belangrijker is, is de link tussen eenzaamheid en het onderdrukken van emoties sterker.
De onderzoekers vonden wel aanwijzingen voor publicatiebias (dat studies met duidelijke uitkomsten eerder worden gepubliceerd), maar zelfs na correcties bleven de verbanden stevig overeind.
Het gaat hier voornamelijk om cross-sectionele studies (eenmalige metingen), waardoor het onmogelijk is om vast te stellen of gebrekkige emotieregulatie leidt tot sterkere eenzame gevoelens of andersom — mogelijk mede door slaapgebrek. Tekort aan slaap maakt het lastiger om emoties te reguleren. Andersom zijn er inmiddels aanwijzingen dat goede emotieregulatie de emotionele nadelen van slaapschuld kan verminderen (Demichellis OP et al 2022).
Dagboekstudies laten zien dat specifieke emotieregulatiemechanismen een effect hebben op positieve en negatieve gevoelens (Hossain S et al 2025), en uiteraard zijn er ook experimenten die dit ondersteunen (.Chao Y et al 2024, Zhang N et al 2022)
Wat betekent dit?
Eenvoudig gezegd: als je beter leert omgaan met je emoties, kun je mogelijk de negatieve spiraal van eenzaamheid doorbreken. Bijvoorbeeld door minder te piekeren, meer steun te zoeken, en emoties niet weg te stoppen maar op een gezonde manier te uiten. Naar schatting heeft 30 tot 50 procent van de gezonde bevolking moeite met emotieregulatie en dat heeft invloed op zelfregulatie.
⚡ Aangezien emotie(regulatie) en motivatie een intieme relatie met elkaar hebben, kun je dat leren als vitaliteitskundige in de los te volgen module Emotieregulatie (MER) die donderdag a.s. start. Je leert een complete en flexibele aanpak als onderdeel van motivatiewetenschap.
We weten al langer dat chronische eenzaamheid het risico op psychische problemen verhoogt. Maar waarom is dat zo? Een nieuwe meta-analyse (Patrichi A et al 2025) werpt daar nu een helder licht op: het heeft alles te maken met hoe we omgaan met onze emoties.
Deze meta-analyse – waarin 61 studies met in totaal ruim 40.000 deelnemers zijn samengebracht – laat zien dat mensen die zich eenzaam voelen, vaak ook worstelen met emotieregulatie. De samenhang is stevig en consistent.
Wat blijkt?
Eenzaamheid hangt positief samen met:
👎 Piekeren (rumination, r = 0,38)
👎 Onderdrukken van emoties (suppression, r = 0,31)
👎 Moeite met emotieregulatie (ER difficulties, r = 0,49)
Eenzaamheid hangt negatief samen met:
👍 Positief herinterpreteren van situaties (reappraisal, r = –0,23)
👍 Afleiden (distraction, r = –0,21)
👍 Algemene ER-vaardigheden (ER abilities, r = –0,28)
Interessant is dat deze effecten bij volwassenen sterker zijn dan bij adolescenten. Ook vertonen vrouwen over het algemeen iets minder sterke verbanden tussen eenzaamheid en moeilijkheden met emotieregulatie. Daarnaast speelt cultuur een rol: in landen waar individualisme belangrijker is, is de link tussen eenzaamheid en het onderdrukken van emoties sterker.
De onderzoekers vonden wel aanwijzingen voor publicatiebias (dat studies met duidelijke uitkomsten eerder worden gepubliceerd), maar zelfs na correcties bleven de verbanden stevig overeind.
Het gaat hier voornamelijk om cross-sectionele studies (eenmalige metingen), waardoor het onmogelijk is om vast te stellen of gebrekkige emotieregulatie leidt tot sterkere eenzame gevoelens of andersom — mogelijk mede door slaapgebrek. Tekort aan slaap maakt het lastiger om emoties te reguleren. Andersom zijn er inmiddels aanwijzingen dat goede emotieregulatie de emotionele nadelen van slaapschuld kan verminderen (Demichellis OP et al 2022).
Dagboekstudies laten zien dat specifieke emotieregulatiemechanismen een effect hebben op positieve en negatieve gevoelens (Hossain S et al 2025), en uiteraard zijn er ook experimenten die dit ondersteunen (.Chao Y et al 2024, Zhang N et al 2022)
Wat betekent dit?
Eenvoudig gezegd: als je beter leert omgaan met je emoties, kun je mogelijk de negatieve spiraal van eenzaamheid doorbreken. Bijvoorbeeld door minder te piekeren, meer steun te zoeken, en emoties niet weg te stoppen maar op een gezonde manier te uiten. Naar schatting heeft 30 tot 50 procent van de gezonde bevolking moeite met emotieregulatie en dat heeft invloed op zelfregulatie.
⚡ Aangezien emotie(regulatie) en motivatie een intieme relatie met elkaar hebben, kun je dat leren als vitaliteitskundige in de los te volgen module Emotieregulatie (MER) die donderdag a.s. start. Je leert een complete en flexibele aanpak als onderdeel van motivatiewetenschap.
Op de oproep van Chi Lueng Chiu en mijzelf in Trouw en Het Tijdschrift voor Psychiatrie om het concept Positieve Gezondheid (‘PG’) te verbeteren, kregen we veel reacties, zowel door professionals, patiënten maar ook Machteld Huber zelf - waarvoor dank! Het blijkt dat PG veel ‘fans’ heeft, en dat is goed om te lezen (hoewel sommige opmerkingen meer over ons gingen dan de inhoud).
Toch lijken onze suggesties over PG niet overal goed begrepen te worden. Er wordt bijvoorbeeld gedacht dat wij PG geen warm hart toedragen (dat doen we wel), de inspanningen van Machteld Huber niet waarderen (dat doen we zeker, onze ‘milde’ punten zijn geen persoonlijke aanval!) of met een te ‘nauwe’ wetenschappelijke blik liever niet een goed gesprek over een betekenisvol leven zouden wensen (dat is zeker belangrijk!).
Onze kernboodschappen
1. PG is waardevol maar nog niet rijp.
2. PG zou niet in isolatie ontwikkeld moeten worden.
3. PG zou sterk gebaat zijn bij bestaande kennis.
Onze suggesties is dat PG erg zou kunnen profiteren van bestaande kennis en ervaring. Dat zeggen we niet om het per se te verwetenschappelijken. Ook is het niet de bedoeling om van PG een ziektelastmeter te maken, maar om mensen te helpen met een goed leven, ongeacht hun aandoeningen. Ons doel is verbetering van PG, niet per se vervanging. Het is om die reden dat we de discussie verwelkomen. Hoe goed zou het zijn om het concept PG verbeterd kan worden, zodat nog meer mensen echt iets aan het goede gesprek hebben? De vraag die nu op tafel ligt of ‘aanhangers’ van het concept PG daarvoor open staan.
Voorop staat: wij steunen het uitgangspunt om breed naar gezondheid te kijken, maar we denken dat het concept PG o.b.v. aanwezige kennis verbeterd kan worden. Om die verbeterpunten te laten landen, moesten we ook de bezwaren en beperkingen noemen. Dat kan wat kil klinken en gepresenteerd worden als kritiek of als “nauwe” wetenschap. Dat is echter onterecht: wij zijn zeer voor een brede visie op gezondheid, het kijken naar de gehele mens en ook het goede gesprek aangaan. Maar een brede visie op gezondheid kan alleen zinvol en bijdragend zijn als het ook oplevert wat het belooft. Als dat niet zo is, stop je tijd, geld en moeite in een aanpak die intuïtief goed aanvoelt (en voor sommige mensen ook helpend kan zijn), maar dat wellicht niet is. Dat klinkt streng, maar wil je niet van elk beleid, elk instituut dat cursussen aanbiedt en wordt geïmplementeerd dat dit de tijd, geld en moeite waard zijn? We zijn in ieder geval blij met de brede discussie. In reactie op onze bevindingen schreef Machteld Huber een repliek op LinkedIn, die we verwelkomen en zullen adresseren.
Zowel het artikel in het Tijdschrift voor Psychiatrie en de podcast van Medisch Contact waren constructief. Zoals eerder gesteld: als we verbeteringen willen voorstellen, moeten we ook onze bezwaren duidelijk maken. We hebben niemand scherp bevraagd via Trouw: wij zijn geïnterviewd, en de journalist bepaalt daarin het kader. We zijn echter blij met de directe interactie, ook al vindt die nu plaats via LinkedIn, en dragen graag bij.
De kern: als we echt willen dat mensen baat hebben bij Positieve Gezondheid, hoe doe je dat dan op de beste manier die mensen ook echt helpt? Hopelijk levert dit een open discussie op. Natuurlijk, een ‘open’ gesprek aangaan over een betekenisvol leven kan helpen, maar zijn er ook situaties denkbaar waarin het weinig helpt, of juist mensen van de regen in de drup? Daarom is wat ons betreft er geen spanning tussen een persoonlijk warm gesprek en de wat koude wetenschap: ze kunnen juist hand in hand gaan.
Hieronder gaan we puntsgewijs in op de repliek van Machteld Huber op [LinkedIn](https://www.linkedin.com/feed/update/urn:li:activity:7319448234148466688/?commentUrn=urn%3Ali%3Acomment%3A\(activity%3A7319448234148466688%2C7319618339079671808\)&dashCommentUrn=urn%3Ali%3Afsd_comment%3A\(7319618339079671808%2Curn%3Ali%3Aactivity%3A7319448234148466688).
1) "PG zou gebaseerd zijn op de SOC van Antonovsky. Dat klopt niet. PG is de uitwerking van een voorgesteld concept van gezondheid – een alternatief voor de WHO-definitie van gezondheid (BMJ 2011, >4000 keer geciteerd). Dit concept vormt de basis van PG. Kort daarna herkenden we de SOC van Antonovsky als verwant." Als de SOC van Antonovsky niet de basis vormt van PG, dan sluit dat alsnog aan bij het idee dat er geen onderliggende (wetenschappelijke) theorie is. Er zijn echter wel degelijk verwante theorieën met een duidelijke empirische basis. Die zouden het fundament onder PG vanaf het begin hebben kunnen versterken, maar zijn niet gebruikt.
2) "In een mixed-method studie (BMJ 2016) hadden vooral patiënten (n=575) een zeer brede opvatting over indicatoren van gezondheid (‘gezondheid gaat over het hele leven’). Wij volgden hun visie, omdat in de zorg ‘de patiënt centraal staat’." Er is geen enkel bezwaar tegen het meenemen van het patiëntenperspectief. Maar als we de analogie met voeding maken: patiënten kunnen allerlei voorkeuren hebben, maar die sluiten uiteindelijk nog steeds aan op een beperkte set van essentiële voedingsstoffen. Voor psychosociale gezondheid zijn er al veel dergelijke ‘essentiële voedingsstoffen’ bekend.
3) "De categorisering in zes dimensies kwam tot stand via een consensusproces, mede met het NIVEL. Een gelijke verdeling van onderliggende aspecten per dimensie was ideaal, maar de gebruikte termen bleken te complex. Daarom zijn deze ‘hertaald’ naar taalniveau B1 (‘cognitief functioneren’ werd bijvoorbeeld ‘kunnen onthouden’ en ‘kunnen concentreren’). Maar daardoor werden de dimensies juist moeilijker van elkaar te onderscheiden." De moeilijkheid zit niet in de ‘hertaling’, maar in het ontbreken van een goede wetenschappelijke onderbouwing, waardoor veel overlap ontstaat tussen dimensies. Dit leidt tot te veel – en vaak overbodige – vragen, wat belastend kan zijn voor de patiënt. Als men de moeite neemt tot hertaling, dan zou een reductie van het aantal items in de vragenlijst op dezelfde wijze in het voordeel van de patiënt kunnen zijn.
4) “Lastig voor onderzoekers, maar in de praktijk geen probleem. We maakten immers geen meetinstrument, maar een reflectie-instrument! Begrippen zijn bewust niet gedefinieerd.” Goede wetenschap en praktijk sluiten elkaar niet uit. Een goed meetinstrument kan tegelijkertijd een uitstekend reflectie-instrument zijn, of juist geen van beiden zijn als er veel overbodige items in staan of onduidelijke categorieën. Verder wordt er verondersteld dat we een kwalitatieve methode niet aanvaarden als wetenschap, maar dat is onjuist. Dit is een gammawetenschap, waar zowel kwalitatieve als kwantitatieve stukken een plek hebben in de puzzel. Die inventarisatie bij de verschillende groepen, waaronder de patiënten, verwelkomen dan ook en die kan vervolgens ongelijnd worden met wetenschappelijke theorie.
5) “In mijn interviews hoorde ik vaak: ‘richt je op een betekenisvol leven’. Dat leidde tot de werkmethode. Het spinnenweb is bedoeld als spiegel voor zelfreflectie. De schaal van 1-10 daagt uit tot echte reflectie. We stellen geen gestuurde, wetenschappelijk onderbouwde vragen, maar open vragen zoals: ‘Wat vind je belangrijk, wat wil je eventueel veranderen, en wat zou een eerste stap kunnen zijn?’ Zo sluiten we aan bij iemands zelfkennis en motivatie, wat vruchtbaar blijkt.” Wetenschap en het stellen van open vragen zijn niet strijdig met elkaar. Het draait niet om het open karakter van de vraag, maar om het stellen van de juiste vragen. Bovendien accepteer je niet zomaar het eerste antwoord maar ga je op zoek naar het beste antwoord, en dat kan het eerste antwoord zijn. Een verdiepend gesprek naar aanleiding van het instrument heeft daarmee waarde. Er is veel bestaande kennis over coachende gespreksvoering waar men op kan terugvallen. Er is dus niets mis met het stellen van vragen, maar het idee dat dit niet wetenschappelijk is of zelfs in strijd is met wetenschap, is helaas een valse tegenstelling. “Autonomie ontstaat zo op een natuurlijke manier. Inmiddels is er trouwens een onderliggende meetversie (BMJ 2020).” Het stellen van open vragen kan ook onveilig aanvoelen en juist de autonomie beperken. Ook daar is al veel kennis over. Verder zijn wij bekend met het 'nieuwe' meetinstrument, en hebben in 2023 al voorstellen gedaan om het te verbeteren op basis van wetenschappelijke theorie. Een meet- en een reflectie-instrument hoeven niet afwijkend van elkaar te zijn.
6) “Is er evidentie dat het werkt? Vanaf het begin heeft IPH een kennisagenda ontwikkeld, samen met onderzoekers, (zorg)professionals en burgers (www.iph.nl/kennisagenda). Daarin staan alle publicaties over PG en onderzoekswensen. Systematische evaluatie is een van die wensen, maar vraagt tijd en geld. Onlangs is vanuit het WKZ de ‘Kindtool’ geëvalueerd en positief beoordeeld (BMC Pediatrics 2025). Zo groeit onze body of evidence.” Als men begonnen was bij bestaande wetenschappelijke literatuur, dan was waarschijnlijk gestart met een empirisch fundament dat uit duizenden publicaties bestaat die in de praktijk hun waarde inmiddels hebben bewezen. Het is dapper om PG in isolatie te ontwikkelen, maar samenwerken zal de ontwikkeling van PG enorm versnellen – en juist dat is onze visie: kijk naar wat er al is, en stel je open om PG een boost te geven. Mensen zijn zo succesvol als soort omdat ze samenwerken en leren tot een kunst hebben verheven. PG staat voor groei en ontwikkeling, ook bij tegenwind. Dit is een standpunt dat we omarmen: gebruik de kennis die er al is, en PG zou voor veel meer mensen kunnen helpen.
7) “Gaandeweg komen bijpassende theorieën in beeld. De zelfdeterminatietheorie van Ryan en Deci, maar ook de Capability Approach van Nussbaum, past goed. Wat ons betreft verdient zo’n nieuwe benadering de tijd om te groeien.” Elke benadering verdient tijd om te rijpen, maar dat betekent niet dat het wiel opnieuw uitgevonden hoeft te worden. Toen men in 2013 de 100 grootste claims in sociale psychologie opnieuw onafhankelijk wilde testen, bleek slechts 39 procent de hertest te passeren. Daar zouden we lessen uit moeten trekken. Men besloot de Zelfdeterminatieheorie over te slaan, omdat deze al ruimschoots onafhankelijk en cross-cultureel getest is. Dat kan helaas niet gesteld worden van de capabilities approach. Er is een reden waarom Amartya Sen zelf, geen uitspraken doet over de inhoud van de capabilities. De voorzet van Nussbaum om deze capabilities in te vullen heeft geen rigoureuze empirische basis. Daarnaast hebben we te kampen met een jingle/jangle probleem, wat zoveel betekent dat je respectievelijk twee dezelfde termen hebt die iets anders betekenen (jingle) of twee verschillende benamingen die hetzelfde betekenen (jangle).
Autonomie in sociale cognitie theorie betekent niet hetzelfde als autonomie in de zelfdeterminatietheorie. Alleen voor die laatste is bewijs dat het bijdraagt aan groei en veerkracht. Dit is relevant voor PG, aangezien zelfregie ook niet hetzelfde is als autonomie uit de zelfdeterminatietheorie. De zelfdeterminatietheorie is een zelfactualisatietheorie, dus hoe mensen zich op een gezonde manier ontwikkelen met behulp van sociale steun. Het vertelt je hoe je kunt groeien uit verlies, hoe je weerbaarheid en veerkracht op kunt bouwen, wat ‘valued living’ daadwerkelijk inhoudt, maar ook hoe je met elkaar om kunt gaan, waarmee er bijvoorbeeld ook een basis is ‘rapport maken’ en voor stress- en verlies sensitief werken. Dit betekent niet dat de zelfdeterminatietheorie compleet is, maar dat het een solide macroraamwerk vormt voor zowel preventie, ontwikkeling en psychopathologie.
Het was een kwestie van tijd voordat een dergelijk artikel (Schoeller FA et al 2025) zou verschijnen met provocerende titel, 'Er is niet zoiets als interoceptie'. Als zo vaak wordt de soep niet zo heet gegeten als opgediend.
🔎 Wat is interoceptie?
Interoceptie verwijst naar de waarneming en interpretatie van fysiologische signalen die afkomstig zijn van binnen het lichaam. Deze lichaamssensaties vormen onder ander een basis voor emoties. Een klassiek voorbeeld van hoe dit experimenteel wordt uitgelokt, is 'de brug'.
❤️🔥 Verward of verliefd?
Mannen die door een mooie vrouw werden geïnterviewd ná het oversteken van een gevaarlijke brug, bleken haar veel vaker uit te vragen dan mannen die vóór de oversteek werden geïnterviewd. De lichamelijke spanning die ze ervoeren, kenden ze de betekenis van 'chemie' toe. Ze interpreteerden de signalen van de vrouw als wederzijdse spanning. Dit is affectief realisme: de wereld zien zoals je hem voelt.
Maar wat als je je hartslag niet kunt voelen vóór die escaleert? Dan ben je te laat om in te grijpen en raak je ineens verward door heftige gevoelens. Dit wordt in verband gebracht met ontspoord gedrag en gevoel, dat zelfs psychopathologisch kan zijn. Het is een belangrijk onderdeel van gezonde zelfregulatie.
Bij affect labeling of emotiegranulariteit leer je emoties identificeren of benoemen, maar dat is het einde van de keten. De man benoemt ‘chemie’, maar dat is de (verkeerde) conclusie. Als het gaat om interoceptieve nauwkeurigheid, zit je veel eerder in de keten. Toch boeken begeleiders successen met affect labeling, maar dat komt doordat het benoemen van het gevoel per definitie dempt — of dat nu positieve of negatieve gevoelens zijn. Het verbetert niet de nauwkeurigheid.
⚡Kritiek
Een van de kernargumenten van de auteurs is dat interoceptie geen unitair construct is. Anders gezegd: als je getraind wordt om beter je ademhaling te voelen, heeft dat geen invloed op de nauwkeurigheid van hartslagwaarneming. Zij stellen dus niet dat interoceptie niet bestaat — wat de titel wel suggereert — maar dat er niet één interoceptie is die onder alle domeinen ligt. Ze pleiten daarom voor domeinspecifieke testen.
Ze geven echter zelf aan dat er vooral ook problemen zijn met de meetmethodiek. Zo weten we dat als je een heartbeat counting test (HCT) afzet tegen testen in andere domeinen, de HCT slechts 4 procent van de variantie kan verklaren. Dat is akelig weinig en de HCT is dominant in de literatuur. Andere testen blijken echter tot 53 procent van de variantie verklaren. Meetmethodiek vormt hier dus een groot probleem. De claim dat er geen unitair construct is zoals interoceptie, is dan ook echt veel te voorbarig.
👉 De kritiek is voor ons niet nieuw en op basis van de totale literatuur hebben wij toch besloten om het trainen van interoceptieve nauwkeurigheid onderdeel te maken van een complete aanpak emotieregulatie. Emotie is immers onlosmakelijk verbonden met motivatie. Toepassen kun je leren in de module Emotieregualtie (MER):
Heeft AI de mens ingehaald als het gaat om het bedenken van creatieve ideeën? Deze vraag is actueel nu generatieve AI (GenAI) breed wordt ingezet ter ondersteuning van creativiteit. Om dit kritisch te beoordelen, voerden onderzoekers (de Rooij 2025) een meta-analyse uit van de eerste golf experimenteel onderzoek naar creatieve idee-generatie door mensen versus GenAI.
De resultaten toonden geen bewijs dat GenAI in het algemeen creatievere ideeën genereert dan mensen. Er werd een kleine, gecombineerde effectgrootte gevonden in het voordeel van ideeën die door GenAI zijn gegenereerd na een prompt, maar dit effect was niet significant. Een gevoeligheidsanalyse leverde een iets lager, eveneens niet-significant resultaat op. Dit wijst op de nauwkeurigheid en generaliseerbaarheid van deze bevinding.
Bij nadere inspectie bleek dat het verschil in originaliteit tussen mensen en GenAI waarschijnlijk te wijten is aan enkele studies met zeer grote effectgroottes. Daarom pleiten wij ertegen om dit te interpreteren als bewijs dat GenAI creatievere ideeën oplevert dan mensen.
Er werden geen significante verschillen gevonden tussen menselijke ideeën en die van specifieke GenAI-modellen (zoals GPT-3, GPT-3.5 en GPT-4). Deze meta-analyse biedt dan ook geen empirische steun voor het idee dat GenAI de mens heeft overtroffen in het genereren van creatieve ideeën.
Bovendien zijn de creativiteitstaken in bestaande studies, voor zover wij weten, niet echt vaag, complex of vernieuwend geweest. In plaats daarvan sluiten ze eerder aan bij de sterke punten van GenAI, door duidelijk omlijnde, taalkundig beperkte problemen te gebruiken. Creatieve idee-generatie wordt bij mensen mede bepaald door ervaring — zoals sociale relaties en belichaamde kennis — maar zulke aspecten van menselijke creativiteit zijn niet alleen afwezig in GenAI; ze zijn ook moeilijk tot onmogelijk realistisch te simuleren.
Een nieuwe bottom-up analyse (Samo A et al 2025) van persoonlijkheidsitems leidt tot andere facetten, trekken en meta-trekken.
Men heeft data van 149.000 zelfrapportages gebruikt van de NEO-PI-R, die normaal leidt tot 5 trekken en 30 facetten. Deze analyse levert het volgende:
▶️ 28 facetten
▶️ 6 trekken
▶️ 3 meta-trekken
Laten we ons focussen op deze 6 trekken:
→ Stability
Samenhangend met emotionele regulatie, gewetensvolheid en betrouwbaarheid (zoals Anxiety [negatief], Self-discipline, Orderliness)
→ Plasticity
Combinatie van openheid en extraversie; gericht op exploratie, flexibiliteit en sociale activiteit (zoals Sociability, Creativity, Adventurousness)
→ Integrity
Morele en plichtsgetrouwe tendensen; verwant aan eerlijkheid en betrouwbaarheid (zoals Dutifulness, Morality, Trust)
→ Sociability
Een aparte cluster met sociale warmte, vriendschappelijkheid en verbondenheid (zoals Friendliness, Compassion)
→ Impulsivity
Een duidelijk onderscheiden cluster van ongeremdheid, prikkelbaarheid en roekeloosheid (zoals Impatience, Anger, Low Self-control)
→ Negative Affectivity
Afzonderlijk van Impulsivity en Stability, gericht op somberheid, angstigheid en piekeren (zoals Anxiety, Depression)
Wat is er gebeurd met de traditionele trekken?
▶️ Neuroticism is verdeeld over Impulsivity en Negative Affectivity
▶️ Agreeableness valt deels onder Sociability en deels onder Integrity
▶️ Extraversion zit grotendeels in Plasticity, maar zonder Sociability
Hoe zit het met de facetten?
Er aanzienlijke verschillen gevonden tussen de theoretische en empirisch gevonden facetten. Slechts 16 van de 30 oorspronkelijke IPIP-NEO-facetten kwamen herkenbaar terug in de empirische structuur — dat is ongeveer 53% overeenkomst.
-
Samenvoeging van theoretische facetten
Bijvoorbeeld:- Anxiety en Vulnerability (beide oorspronkelijk bij Neuroticism) versmolten tot één empirische facet Anxiety.
- Gregariousness en Friendliness vormden samen een nieuwe sociale facet binnen Sociability.
-
Opsplitsing van facetten
- Achievement-striving (Conscientiousness) splitste in twee empirische facetten: Work Ethic en Determination.
- Dutifulness en Morality (van respectievelijk Conscientiousness en Agreeableness) leverden samen input voor Integrity, dat werd opgesplitst in Honesty, Fairness en Manipulativeness.
-
Verplaatsing van items naar andere domeinen
- Emotionality verhuisde van Openness naar Neuroticism.
- Items uit Self-consciousness (Neuroticism) kwamen terecht in Sociability.
-
Verlies van hele facetten
- Sommige oorspronkelijke facetten verdwenen volledig, bijvoorbeeld Depression (Neuroticism), dat geen empirische cluster vormde vanwege lage stabiliteit.
Men heeft de oorspronkelijke 300 items eerst opgeschoond, door doublures te verwijderen en te controleren voor lokale afhankelijkheid. Twee items die sterk met elkaar correleren omdat ze op elkaar lijken, maar minder sterk correleren met het facet dat ze zouden moeten ondersteunen. Ook is er gekeken naar patronen in positieve en negatieve verwoordde items, omdat mensen deze anders in kunnen vullen. De zwakke items werden verwijderd en hield er uiteindelijk 221 over. De antwoorden zijn geanalyseerd met een netwerkanalyse om clusters te vinden die tot dezelfde dimensie behoren. Dit is niet vergelijkbaar met een traditionele exploratieve factoranalyse (EFA), omdat die minder goed werkt bij grote datasets.
De afkapwaarde voor unidimensionaliteit was > 0,50, en de auteurs stellen dat alle gevonden facetten > 0,75 scoorden. Vervolgens zijn die facetten opnieuw geanalyseerd met een netwerkmethode, wat leidde tot zes trekken, die allemaal volledig unidimensioneel (1.00) bleken. Deze trekken zijn dus statistisch zeer robuust. Wat betekent dit voor gevestigde persoonlijkheidsmodellen?
Allereerst dat de lat moet omhoog moet. Iedereen die zich serieus met persoonlijkheidsonderzoek bezighoudt, weet dat bestaande modellen top-down zijn geconstrueerd met behulp van exploratieve factoranalyse (EFA). Je vindt dan ‘spontane’ clusters, die je vervolgens met conformerende factoranalyse (CFA) moet testen om een daadwerkelijke hiërarchie (facetten → trekken) te kunnen vaststellen. Dat lukt zelden overtuigend.
Het voorstel om bottom-up te construeren is dus niet nieuw, maar nu is het eindelijk ook daadwerkelijk gedaan.
Is dit dan het finale model? Nee, niet echt. Allereerst zijn er geen observantenrapportages gebruikt — en die heb je nodig om te corrigeren voor sociaal wenselijke antwoorden. Dat zou tot andere uitkomsten kunnen leiden. Ten tweede zijn er veel meer beschikbare items en tot slot zijn items die behoeftendrang uitvragen ondervertegenwoordigd.
Er moet dus nog veel gebeuren. Maar dit is vooruitgang.
Wat is het effect van persoonlijke hulpbronnen (vitaliteit en bevrediging van psychologische basisbehoeften) op werkgeluk? Dat is de vraag die gezondheidsprovider Evernorth zich stelde, en waarvoor zij onderzoek liet uitvoeren door de ZDT-groep uit Australië.
Daarvoor stelde het team een nieuwe Evernorth Vitality Index (EVI) op, die bestaat uit items van de Subjectieve Vitaliteitschaal en de Psychologische Basisbehoeftenbevrediging, gericht op diverse levensdomeinen (fysiek, sociaal, emotioneel, intellectueel, financieel, ecologisch).
De EVI-S meet dus niets in relatie tot het werk zelf, maar de onderzoekers brachten deze in als een 'resource' binnen het Job Demands-Resources (JD-R) model. Daarnaast gebruikten ze een aangepaste Eisenbergervragenlijst voor gepercipieerde organisatiesteun en autonomieondersteuning door de leidinggevende als hulpbronnen. De ‘demands’ werden in kaart gebracht met de Workplace Pressure and Stress-schaal.
De onderzoekers testten de schalen eerst in een verkennende studie, om deze vervolgens te gebruiken in een voorgeregistreerde studie onder 5.000 medewerkers. Dit leverde interessante uitkomsten op:
⋆ Persoonlijke hulpbronnen
Bleken vaak de sterkste, of een van de sterkste, voorspellers te zijn — vooral voor werkplezier (β = 0,47) en werkeffectiviteit (β = 0,32). Opvallend genoeg was er ook een klein positief effect (β = 0,09) op de intentie om vrijwillig te vertrekken, wat de onderzoekers interpreteren als: wie zich vitaal voelt, staat ook open voor betere kansen elders.
⋆ Organisatiesteun
Scoorde eveneens hoog, vooral op baantevredenheid (β = 0,49). Had een duidelijk negatief effect (β = -0,20) op de intentie om vrijwillig te vertrekken.
⋆ Autonomieondersteuning door de manager
Had over het algemeen een klein effect op werkplezier (β = 0,09), baantevredenheid (β = 0,08), extra inzet (β = 0,13), enthousiasme (β = 0,13), effectiviteit (β = 0,09) en géén effect op de intentie om vrijwillig te vertrekken.
⋆ Werkstress
Had een bescheiden negatief effect op baantevredenheid en enthousiasme, maar vrijwel geen effect op werkplezier of werkeffectiviteit. Niet verrassend was er wel een significant effect op verloopintentie (β = -0,15).
Overwegingen
Wanneer je in de rest van je leven floreert dan heeft dat een positief effect op werkgeluk. Meer klassieke resources en demands hebben zwakke correlaties. Je psychologische basisbehoeften (PBB) van autonomie, binding en competentie moeten bevredigd zijn, en de energie die dat oplevert noemt men vitaliteit. De PBB zijn de essentie van de resources binnen het JD-R raamwerk, wat het nut van een JD-R raamwerk ter discussie stelt.
In ons eigen model beschouwen we rechtvaardigheid als kandidaat-PBB. Het was geen onderdeel van de EVI schaal, maar werd feitelijk gemeten via de gepercipieerde organisatiesteun. Dat blijkt sterk samen te hangen met baantevredenheid en verminderd vertrekintentie. Wij hebben zo'n quickscan obv dezelfde constructen.
