In een wereld vol politieke tegenstellingen lijkt het verstandig om nuance te tonen. Je zou denken: als iemand laat zien dat hij beide kanten van een discussie begrijpt, komt dat juist volwassen en redelijk over. Maar volgens recent onderzoek (Siev JJ et al 2024) werkt het in de praktijk vaak anders.
Onderzoekers ontdekten dat mensen die zich genuanceerd uitlaten over politieke onderwerpen – dus die toegeven dat er goede argumenten aan beide kanten zijn – juist minder aardig, minder warm en minder competent worden gevonden dan mensen met een duidelijke, eenzijdige mening.
In meerdere experimenten werd mensen gevraagd om te reageren op iemand die een mening uitte over gevoelige thema’s zoals immigratie, de doodstraf of coronamaatregelen. Wat bleek? Mensen vonden de eenzijdige spreker meestal sympathieker – zelfs als ze het inhoudelijk meer eens waren met de genuanceerde persoon.
Vooral binnen de eigen politieke groep bleek nuance nadelig. Mensen met genuanceerde meningen werden minder gewaardeerd door gelijkgestemden dan mensen met uitgesproken standpunten. Dat kan helpen verklaren waarom het politieke debat vaak zo zwart-wit en gepolariseerd lijkt: nuance wordt simpelweg minder beloond in sociale interacties.
Dit past naadloos in het beeld dat er geen ideologische, maar vooral een affectieve polarisatie is. Feiten gaan dan niet bijdragen aan het verminderen van de polarisatie en voordelen van beide zijden benoemen, dus ook niet. Het maakt je paria in eigen groep.
Affectieve polarisatie vereist dat je affectieve bruggen bouwt, binnen je eigen groep of daarbuiten. Hoe je dat doet met jouw persoonlijke kwaliteiten leer je met Hero Lift, onze pil tegen polarisatie. Kost je tien minuten. Meer info:
Hoe je beter kunt samenwerken in tijden van polarisatie binnen het bedrijf of in de samenleving kun je in onze opleiding tot vitaliteitskundige, waarmee je een specialist wordt in toegepaste motivatiewetenschap.
Dit gaat over competentie, op het gepaste niveau voeden van de exploratiedrift. Ook als volwassene moet je competentie blijven voeden. Op welke manier doe jij dat?
Kan een zingevingsworkshop – geïnspireerd door Viktor Frankl (search of meaning) – prestaties en tevredenheid vergroten? Ja, en de effecten zijn spectaculair. Maar ze komen niet voort uit (Frankl's) zingeving zelf.
👉 Onderzoek:
Een RCT onder 2.976 kantoorwerknemers in een multinationale onderneming. 50% werd willekeurig uitgenodigd voor de Discover Your Purpose (DYP) workshop. De impact werd gemeten met administratieve data, prestatiebeoordelingen, salarisinformatie en vragenlijsten over welzijn en betekenis, zo kun je lezen in het rapport.
📊 Resultaten ten opzichte van de controlegroep
→ Vrijwillig vertrek (controle) was 13,8%. Niet alle uitgenodigden (UIT) namen ook deel (DEEL). Toch zijn die resultaten uitgesplitst.
UIT: +2,8 procentpunt
DEEL: +5,1 procentpunt
De auteurs zien dit als positief: deelnemers realiseren zich dat hun werk niet bij hen past.
→ Ondermaatse prestatie daalt:
UIT: −2,6 pp
DEEL: −5,3 pp
→ Ontvangen bonus stijgt:
UIT: +3,4 pp
DEEL: +6,7 pp
→ Kosten-batenanalyse:
Jaar 1: licht negatief
Jaar 2: sterk positief (IRR > 70%)
Extra effecten: meer werktevredenheid, meer ervaren zingeving, minder traditionele genderrollen (mannen nemen vaker ouderschapsverlof).
🧩 Wat meten ze eigenlijk?
De onderzoekers hanteren maar liefst zes verschillende schalen voor zingeving. Waarschijnlijk omdat het economen zijn en geen psychologen. Niet alle zijn even geschikt of informatief.
→ Meaning Outside Work
Sluit het beste aan bij Frankl’s visie, maar voorspelt de uitkomsten nauwelijks.
→ Intrinsic Motivation Index
Verouderd instrument. Meet geen verbondenheid, scoort slecht op alle uitkomstmaten.
→ Meaningful Work Index (MWI)
De enige schaal die de werkuitkomsten goed voorspelt. Meet vooral ervaren belang en waarde van het werk. Sluit slechts aan op 1 van de 5 zingevingsfactoren van Frankl.
🔍 Wat is dan wél het werkende mechanisme?
Niet Frankl’s existentiële zingeving, en ook niet puur plezier of interesse (intrinsieke motivatie). De effecten lijken te draaien om geïntegreerde / geïdentificeerde regulatie zoals dat in de zelfdeterminatietheorie (ZDT) is gedefinieerd: Het hoeft niet leuk, maar wel belangrijk voor je te zijn.
💡 In termen van de ZDT: het gaat om autonomie – authenticiteit, zelfsturing. Aangezien waarden je authentieke zelf representeren gaat het dus feitelijk om werk in lijn met je waarden.
💡 Nog interessanter is dat men focust op persoonlijke en NIET op bedrijfswaarden!
🔄 Conclusie
👉 De workshop helpt mensen ontdekken wat wel of niet bij hen past. Dat bewustzijn leidt tot betere keuzes, meer inzet en dus betere prestaties.
👉 Zingeving is daarbij geen doel, maar deint mee op de golven van psychologische basisbehoeftebevrediging zo weten we uit andere onderzoeken en dat wordt ook hier weer bevestigd.
👉 Met die kennis kun je de workshop flink verbeteren, omdat deze nog meer aansluit op de mechanismen die het effect veroorzaken!
De nasleep van de Lubach-uitzending blijft voortduren, waarbij voorstanders vooral stellen dat je DiSC 'juist' moet kunnen toepassen. Dat is onjuist
De huidige DiSC-methode is gebaseerd op het werk van William Marston uit 1928 en die heeft een verticale as met de polen actief of passief (afbeelding linksboven). De horizontale as is geen trek (eigenschap), maar een situatie: namelijk of je je in een vijandige (links) of vriendelijke omgeving bevindt. Er zijn dus slechts twee gedragsoriëntaties en twee omgevingen, die samen vier gedragsstijlen opleveren. Als je dat beperkt vindt, dan heb je helemaal gelijk.
Als je actief bent in een vijandige omgeving, dan ben je volgens dit model dominant; ben je actief in een vriendelijke omgeving, dan ben je 'induced' — charmant en beïnvloedend. Aangezien het hier gaat om één enkele eigenschap (actief), waarvan de expressie afhangt van de omgeving (state), dan zou extraversie nog enigszins passen. Daarmee gebruiken ze feitelijk slechts één van de vijf trekken van de Big 5. Dat is veel te beperkt om de gedragsstijlen te benoemen, maar daar zou je nog mee weg kunnen komen. De ambities reiken echter verder — en dan gaat het echt mis.
Het zijn de commerciële vertalingen die geleid hebben tot het hernoemen van de assen, en daarmee een complete puinhoop hebben veroorzaakt. Zo is de horizontale as veranderd in taakgericht versus mensgericht (midden boven), in plaats van vijandige versus vriendelijke omgeving. Wat ooit nog elegant maar beperkt was, is nu volstrekte onzin: de uiteinden van de as hebben namelijk benamingen die geen tegenpolen vormen.
Wij hebben op basis van een data-analyse de DiSC-profielen afgezet tegen de Big Five-persoonlijkheidstrekken (Matrix). Dan zie je al snel hoe mager het is. Hoog neuroticisme komt niet voor, want volgens DiSC zijn er geen stressgevoelige mensen. Ook zie je dat de combinatie van hoge conscientiëusheid, hoge aangenaamheid en hoge extraversie niet bestaat. In normale mensentaal: betrouwbare, vriendelijke collega’s kun je ook niet vinden met DiSC. Als je overigens drie trekken wilt gebruiken, zul je twee cirkels moeten combineren (zie rechtsboven), want het gaat immers om drie dimensies.
Dit is dus geen kwestie van “niet weten hoe je DiSC moet toepassen”, maar gewoon armoede — juist omdat men het idee van Marston volledig heeft verruïneerd. Het argument “het is misschien niet wetenschappelijk, maar wel bruikbaar” is óók armoedig. Wetenschap is het gevolg van gezond verstand, niet de vervanging ervan. DiSC is in strijd met basale logica, en sluit bovendien niet aan op de praktijk. Het is net zo bruikbaar als een schroevendraaier bij spijkers.
De vitaliteitskundige is gespecialiseerd is toegepaste motivatiewetenschap, maar wat is dat eigenlijk? Je kunt het lezen in dit artikel op chivo.nl/motivatiewetenschap.
Wat maakt dat we het gevoel hebben een "zelf" te zijn? Waar in ons brein ontstaat dat besef van "ik" versus "de rest van de wereld"? Wetenschappers zijn al lange tijd op zoek naar antwoorden, en nieuw onderzoek brengt ons een stap dichterbij.
In een recente studie (bron: ScienceDirect, 2025), gebruikten onderzoekers een combinatie van hersenscans (fMRI) en computermodellen om te onderzoeken hoe ons brein het verschil maakt tussen 'zelf' en 'niet-zelf'. Ze ontdekten iets bijzonders: bepaalde gebieden in de hersenen die sterk betrokken zijn bij zelfbewustzijn – zoals delen van de middenlijn van de hersenschors en de insula – werken als een soort interne echo-kamers.
Wat bedoelen ze daarmee? In deze zelf-gerelateerde gebieden vonden de onderzoekers meer onderlinge verbindingen tussen zenuwcellen en een hogere mate van activiteit. Daardoor wordt informatie over jezelf langer "vastgehouden" en opnieuw verwerkt – alsof gedachten en gevoelens over jezelf blijven weerklinken in je brein.
Deze langdurige interne verwerking zou een belangrijke rol kunnen spelen in hoe we onszelf ervaren: als een stabiele, voortdurende aanwezigheid. Vandaar de vergelijking met een echo die steeds in jezelf blijft doorklinken.
Interessant is ook dat deze zelf-gerelateerde netwerken zelfs invloed hebben op hersengebieden die normaal gesproken vooral gericht zijn op zintuiglijke informatie van buitenaf. Ons brein geeft dus bijna overal voorrang aan informatie die met onszelf te maken heeft — een verschijnsel dat bekendstaat als het self-prioritization effect.
Kortom: het onderscheid tussen zelf en niet-zelf lijkt diep ingebakken te zijn in de manier waarop onze hersenen spontaan georganiseerd zijn. Deze balans kan essentieel zijn voor alles wat we ervaren, denken en voelen.
Jarenlang geloofden psychologen dat het idee van stereotype threat een grote rol speelde in prestaties. Stereotype threat verwijst naar de angst om te worden beoordeeld op basis van negatieve vooroordelen over je groep — bijvoorbeeld vrouwen die minder goed zouden presteren in wiskunde omdat ze zich bewust zijn van het stereotype dat vrouwen minder goed zijn in exacte vakken.
Verschillende studies uit het verleden leken te laten zien dat vrouwen slechter scoorden op wiskundetoetsen als ze vooraf werden geconfronteerd met zo'n stereotype. Maar hoe stevig is dat bewijs eigenlijk?
Een nieuwe grootschalige herhaalstudie (Stoevenbelt A 2025), waarbij acht onderzoeksgroepen uit de Verenigde Staten en Europa betrokken waren, werpt daar nu serieus vraagtekens bij. In totaal deden meer dan 1500 mensen mee. De onderzoekers probeerden nauwkeurig een invloedrijke eerdere studie te repliceren, waarin werd gevonden dat vrouwen slechter presteerden onder stereotype threat.
Het resultaat? Ze vonden géén bewijs voor het stereotype threat-effect. Er was geen verschil tussen vrouwen die een test maakten onder bedreigende omstandigheden (waarbij de nadruk lag op genderverschillen) en vrouwen die dat niet deden. De effecten die wél werden gevonden waren zo klein dat ze praktisch betekenisloos waren.
Dit sluit aan bij een groeiende groep onderzoeken die suggereert dat stereotype threat mogelijk minder invloed heeft dan eerder gedacht. Misschien zijn eerdere resultaten vertekend door publicatiebias: positieve resultaten worden nu eenmaal sneller gepubliceerd dan studies die niets vinden.
Kort gezegd: het lijkt erop dat de angst om negatief beoordeeld te worden op basis van stereotypes niet automatisch leidt tot slechtere prestaties – of in elk geval veel minder sterk dan jarenlang is aangenomen.
Symmetrie in gezichten wordt vaak gezien als hét schoonheidsideaal. De gedachte daarachter? Een perfect symmetrisch gezicht zou wijzen op gezondheid, goede genen en zelfs meer succes in het leven. Maar recent onderzoek (Kelly A 2025) trekt deze populaire aanname in twijfel.
In een nieuwe studie ontdekten onderzoekers dat een symmetrisch gezicht bij mannen helemaal niet leidde tot hogere beoordelingen van aantrekkelijkheid. Ook dachten vrouwen niet dat mannen met een symmetrisch gezicht succesvoller, gezonder of slimmer waren.
▶️ Eerder onderzoek
Eerder onderzoek wees nog uit dat we symmetrische gezichten aantrekkelijker vinden dan minder symmetrische. Die voorkeur werd vaak verklaard vanuit de evolutietheorie: symmetrie zou duiden op een stabiele ontwikkeling en sterke genen. Maar in de praktijk blijkt nu dat vrouwen bij het beoordelen van mannen helemaal niet bewust afgaan op symmetrie.
▶️ Wat is wel aantrekkelijk
Wat wél opviel in het onderzoek, was dat eigenschappen zoals status, succes, sociale vaardigheid, gezondheid en intelligentie het hoogst werden gewaardeerd. Dat zijn allemaal eigenschappen die te maken hebben met het kunnen verkrijgen van middelen – en die zijn evolutionair gezien belangrijk in partnerkeuze.
▶️ Het is complex
De belangrijkste boodschap? Uiterlijke symmetrie lijkt geen doorslaggevende rol te spelen in hoe aantrekkelijk of ‘evolutionair geschikt’ iemand wordt gevonden. Aantrekkelijkheid draait om veel meer dan een perfect gespiegeld gezicht.
Dit onderzoek sluit aan bij een groeiende stroom van studies die laat zien dat schoonheid en aantrekkelijkheid veel complexer zijn dan simpele uiterlijke kenmerken. Innerlijke eigenschappen, sociale vaardigheden en succes spelen minstens zo'n grote, zo niet grotere, rol.
Een mooi artikel van Michiel de Hoog over cliodynamica in De Correspondent en waarom we in politiek instabiele tijden leven. De oorzaak zou liggen in een overschot aan elites. Cliodynamica bekijkt trends historisch, en het model van Peter Turchin is opmerkelijk consistent. Je kunt het hier lezen:
Het model beschrijft vier fasen:
▶️ In de opbouwfase: bevolkingsgroei, de staat floreert, en elites breiden zich uit.
▶️ Spanningen: elites concurreren, de staatscapaciteit daalt, belastingdruk stijgt.
▶️ Crisisfase: instorting van de staatsorde, geweld, en bevolkingsafname.
▶️ Daarna begint de herstelcyclus.
🫸 Kritiek
Er is echter ook veel kritiek op het model. Het concept van elite-overproductie is moeilijk meetbaar. Wat telt als een elite? Wanneer is er “te veel” elite? Hoe tel je ambities, statusverwachtingen of machtsnetwerken?
Een groter probleem is dat het andere factoren buiten beschouwing laat, zoals structurele en oplopende ongelijkheid. Turchin is zich daar bewust van en is inmiddels begonnen met het toevoegen van aanvullende parameters, als onderdeel van het Structural-Demographic Theory (SDT)-kader.
In SDT is de Gini-coëfficiënt of rijkdomsverdeling toegevoegd als variabele:
👉 Ongelijkheid stijgt naarmate elites zich verrijken in expansieve periodes.
👉 Dit ondermijnt uiteindelijk de staatslegitimiteit en sociale stabiliteit.
Ongelijkheid beïnvloedt ook:
👉 Mobiliteit (kans op sociale stijging)
👉 Belastingsdruk en politieke fragmentatie
Dat sluit aan op psychologische mechanismen — en dat is belangrijk, omdat alles met elkaar moet kloppen. Ja, er is een kleine groep sterk gericht op macht, maar vrijwel iedereen ondervindt negatieve effecten van structurele onrechtvaardigheid. Als je rekening houdt met de interne beleving van mensen, zie je dat affectieve polarisatie toeneemt, een belangrijke basis voor politieke instabiliteit. In de afgelopen 30 jaar zie je die trend ook terug in 100 landen, waarin drie economische ongelijkheidsmetingen zijn afgezet tegen 6 attitudes in 6 metingen (Gu & Wang 2022).
Andere factoren zijn technoshocks, aangezien we nu een tijdperk leven met democratisering van informatie. Je hoeft niet meer te kunnen lezen om toch aan informatie te komen.
🤔 Overwegingen
Ja, je hebt een groeiende elite nodig om een kloof te creëren, maar het totaal aan bewijs laat zien dat ongelijkheid de affectieve polarisatie in gang zet. Zoals ik al vaker heb gesteld: het is belangrijk dat de disciplines binnen de gammawetenschappen meer samenwerken en hun constructen gaan synchroniseren, zodat standpunten in lijn liggen met álle feiten — en er robuustere modellen ontstaan. Turchin is die brug met SDT aan het slaan.
Brooke Macnamara is een psycholoog die prestatiefactoren onderzoekt en in 2019 een replicatie heeft uitgevoerd van de befaamde Ericsson-studie, die suggereerde dat deliberate practice (bewuste oefening) grotendeels de verschillen in prestaties tussen individuen verklaart. Deze studie met violisten is zeer invloedrijk, met name door de popularisatie van de "10.000-uur-regel".
Belangrijkste verschillen in de replicatie
- De replicatie was double-blind uitgevoerd.
- Onderscheid tussen zelfstandig oefenen en oefeningen ontworpen door leraar.
- Rigoureuze statistische correcties zorgden voor scherpere analyses.
Resultaten
- Oefentijd maakte niet het verschil tussen de "beste" en "goede" violisten.
- Oefeningen ontworpen door leraren leidden niet tot betere prestaties.
Uit andere observaties bleek overigens ook al dat er geen relatie was tussen oefentijd en het bereiken van eliteniveau. Dit werd bevestigd in een meta-analyse waarvan Macnamara eveneens eerste auteur was.
Macnamara was overigens ook de psycholoog die de groeimindset onderuit haalde met een robuuste meta-analyse, waarin ze aantoonde dat je alleen effectief bent met groeimindset oefeningen als je Carol Dweck heet, uitvinder van groeidenken.
Er is dus geen bewijs dat oefenen belangrijker is dan talent. Dat is relevant, omdat het aantal uren oefenen een relatie heeft met motivatie of behoefte. Het idee dat behoefte een basis vormt voor talent is daarmee wederom ontkracht, zoals we betoogden in onze analyse van TMA (Talent Motivatie Analyse), een populair meet- en coachingsinstrument.
Dit wil echter niet zeggen dat gericht oefenen niet belangrijk is, maar het is nog maar de vraag hoe dat precies moet als blijkt dat door docenten ontworpen oefeningen bij violisten niet leiden tot betere resultaten. Laat staan dat men dat met generieke oefeningen het verschil kan bereiken. Daarnaast wil het ook niet zeggen dat motivatie niet van belang is, want dat is het wel zeker, maar de simpele regels zoals de 10.000 uren oefenen om op eliteniveau te komen, zetten ons op het verkeerde spoor. We moeten van deze aannames af en de bijdragen van mensen zoals Brooke Macmanara helpen ons om (zelf)kritisch te blijven!
