Skip to main content

Wij pleiten altijd voor wetenschappelijk theoretische uitgangspunten als basis voor de praktijk. Dit artikel, โ€œ๐—œ๐˜โ€™๐˜€ ๐˜๐—ต๐—ฒ ๐—ง๐—ต๐—ฒ๐—ผ๐—ฟ๐˜†, ๐—ฆ๐˜๐˜‚๐—ฝ๐—ถ๐—ฑโ€, is ons dan ook helemaal op het lijf geschreven (Aguinis, 2022)

De kernboodschap van het artikel is dat theorie de essentiรซle pijler van wetenschappelijk onderzoek vormt: zonder goede theorie blijft onderzoek oppervlakkig, onduidelijk en irrelevant. De auteurs benadrukken dat โ€œhet begrijpen van wat er aan de hand isโ€ โ€“ oftewel: theorie โ€“ cruciaal is voor managers, onderzoekers, studenten en beleidsmakers. Zonder theorie is onderzoek slechts data; zonder theorie is voorspelling onmogelijk; zonder theorie is vooruitgang illusoir.

Wetenschappelijke theorie

Er is een verschil tussen theorie en wetenschappelijke theorie, want die eerste verklaart, terwijl de tweede voorspelt. Dat komt omdat de eerste plaats kan vinden middels gedachtenexperimenten en argumentatie, terwijl de tweede heel duidelijk proefondervindelijke elementen bevat. Het hoeft niet te betekenten dat het uitsluitend gebaseerd is op empirie, want argumentatie is nog steeds belangrijk.

RCT based?

Is evidence-based alleen maar echt compleet als dit het resultaat is van dubbelblind gerandomiseerde experimenten (RCTโ€™s)? Nee, want dat zou absurd zijn. De aarde volgt haar baan door ons melkwegstelsel vanwege de massa van de zon. Dat is natuurlijk nooit via een RCT vastgesteld. Het is niet alsof we de zon even hebben verplaatst om te zien wat het effect is.

Daarom is wetenschappelijke theorie zo belangrijk: je gaat van experimenten (een appel die naar beneden valt) naar het voorspellen van de baan van Mercurius met de formules van Einstein in 1925. Zowel experimenten als observaties moeten consistent zijn. Ze moeten ook door onafhankelijke critici zijn bevestigd.

Voor wie belangrijk?

๐Ÿ‘‰ Voor managers: Theorie helpt hen om acties te identificeren die effectief zijn in het verbeteren van situaties. Een theorie moet niet alleen bruikbaar zijn (usable), maar ook toepasbaar โ€“ d.w.z. gericht op factoren die daadwerkelijk beรฏnvloed kunnen worden.

๐Ÿ‘‰ Voor onderzoekers: Theorie biedt richting door aan te geven wat bekend is en wat nog onderzocht moet worden. Zonder theorie is elk empirisch resultaat een losstaand feitje.

๐Ÿ‘‰ Voor studenten: Theorie vormt het raamwerk om complexe wereld te begrijpen en te analyseren.

๐Ÿ‘‰ Voor beleidsmakers: Theorie biedt een basis voor effectieve beleidsvorming, inclusief de grenzen van toepasbaarheid (boundary conditions).

๐—›๐—ฒ๐—ฏ๐—ฏ๐—ฒ๐—ป ๐˜„๐—ฒ ๐—ป๐—ถ๐—ฒ๐˜ ๐—ฎ๐—น ๐˜๐—ฒ๐˜ƒ๐—ฒ๐—ฒ๐—น ๐˜๐—ต๐—ฒ๐—ผ๐—ฟ๐—ถ๐—ฒ๐—ฒ๐—ป?

Het gevoel van โ€œte veel theorieโ€ komt niet door het aantal, maar door een gebrek aan parsimonie en coherentie.

โžก๏ธ Parsimonie: De eenvoudigste verklaring is de beste (Occamโ€™s razor). Dit gaat niet om โ€œminder variabelenโ€, maar om structuur en helderheid.

โžก๏ธ Coherentie: Theorieรซn moeten intern logisch zijn en extern consistent met andere theorieรซn. Wij pleiten al heel lang voor de synchronisatie van robuust bevonden en psychologische verankerde constructen in alle gamma wetenschappen.

โžก๏ธ Lack of fit: Nieuwe theorieรซn die niet aansluiten bij bestaande kaders, of die slechts een extra moderator of mediator toevoegen zonder diepgaand inzicht, zorgen voor verwarring in plaats van verduidelijking.

๐—•๐—ฒ๐˜€๐˜-๐—ฒ๐˜ƒ๐—ถ๐—ฑ๐—ฒ๐—ป๐—ฐ๐—ฒ (๐—ฝ๐—ฟ๐—ฎ๐—ฐ๐˜๐—ถ๐—ฐ๐—ฒ)

Wij beoordelen nieuwe publicaties continu op parsimonie, coherentie en fit, naast de methodologische kwaliteit en natuurlijk de potentiรซle impact. Die kennis passen we toe in de praktijk, en met de resultaten tunen we onze standpunten en protocollen.

Er is een reden waarom onze standpunten zo consistent zijn: niet vanwege overtuiging, maar omdat ze een robuuste onderbouwing hebben. Dat we een theorie verwerpen is geen kwestie van voorkeur, maar omdat deze is gewogen en te licht bevonden. Sterker nog: wanneer een favoriete theorie gefalsificeerd wordt, moet je er gewoon afscheid van nemen.

Meer organisaties zouden dit moeten doen. En dan beweeg je van evidence-based naar best-evidence (practice)!

Evidence-based naar best-evidence met theorie

Tijdens het Evidence-based HR-seminar werd besproken of sociale status een basisbehoefte zou moeten zijn binnen de zelfdeterminatietheorie (ZDT). Daarbij moeten we twee zaken scheiden: enerzijds is status duidelijk een sterke drijfveer, anderzijds is het geen ZDT-basisbehoefte. Het is wel eens als voorstel gedaan, onderbouwd met een meta-analyse (Anderson 2015)

๐—ฆ๐˜๐—ฎ๐˜๐˜‚๐˜€ ๐—ถ๐˜€ ๐˜‡๐—ฒ๐—ธ๐—ฒ๐—ฟ ๐—ฒ๐—ฒ๐—ป ๐—ฑ๐—ฟ๐—ถ๐—ท๐—ณ๐˜ƒ๐—ฒ๐—ฒ๐—ฟ

Er is geen discussie over dat het een drijfveer is, en in combinatie met het construct subjectieve sociale status (SSS), waarvan is aangetoond dat het zich verhoudt tot gezondheid en welbevinden, kun je stellen dat het lijkt te voldoen aan een basisbehoefte. Er is ook weinig discussie over het feit dat status invloed heeft op eigenwaarde. Binnen de evolutionaire psychologie bestaat de hierometertheorie, die stelt dat zelfwaardering of eigenwaarde gebaseerd is op:

- ๐™ƒ๐™ค๐™š ๐™Ÿ๐™ž๐™Ÿ ๐™™๐™š๐™ฃ๐™ ๐™ฉ ๐™™๐™–๐™ฉ ๐™–๐™ฃ๐™™๐™š๐™ง๐™š๐™ฃ ๐™ค๐™ซ๐™š๐™ง ๐™Ÿ๐™ค๐™ช ๐™™๐™š๐™ฃ๐™ ๐™š๐™ฃ -

Er is veel en overtuigend bewijs dat de hierometertheorie klopt (Mahadavan 2023).

๐—˜๐˜…๐˜๐—ฒ๐—ฟ๐—ป๐—ฒ ๐˜ƒ๐—ฎ๐—น๐—ถ๐—ฑ๐—ฎ๐˜๐—ถ๐—ฒ ๐˜ƒ๐˜€ ๐˜‡๐—ฒ๐—น๐—ณ๐—ฏ๐—ฒ๐˜€๐—ฐ๐—ต๐—ถ๐—ธ๐—ธ๐—ถ๐—ป๐—ด

Nu komen we echter bij de kern: Als je eigenwaarde afhangt van anderen, dus van externe validatie, dan moet je dat afzetten tegen het begrip zelfbeschikking of zelfdeterminatie. Er is spanning waar te nemen tussen ๐—ฒ๐˜…๐˜๐—ฒ๐—ฟ๐—ป en ๐˜‡๐—ฒ๐—น๐—ณ.

๐—ฉ๐—ผ๐—ผ๐—ฟ๐˜„๐—ฎ๐—ฎ๐—ฟ๐—ฑ๐—ฒ๐—น๐—ถ๐—ท๐—ธ๐—ฒ ๐˜ƒ๐˜€ ๐˜€๐˜๐—ฎ๐—ฏ๐—ถ๐—ฒ๐—น๐—ฒ ๐—ฒ๐—ถ๐—ด๐—ฒ๐—ป๐˜„๐—ฎ๐—ฎ๐—ฟ๐—ฑ๐—ฒ

Binnen de zelfdeterminatietheorie wordt gesproken over contingente of voorwaardelijke eigenwaarde tegenover stabiele eigenwaarde (Ryan & Deci 2000).

Die laatste ontstaat wanneer psychologische basisbehoeften zijn bevredigd of wanneer er sprake is van autonome regulatie. Aangezien status sterk afhangt van externe validatie, is er sprake van voorwaardelijke eigenwaarde en gerelateerd aan negatieve introjectie (slecht geรฏnternaliseerde waarden en dus niet van je autonome zelf). Eigenwaarde is een persoonseigenschap, maar ook afhankelijk van externe validatie zoals werk en inkomen. Er is een samenhang tussen werkervaringen en eigenwaarde in longitudinale studies (Krauss 2021)

๐—–๐—ผ๐—ป๐—ฐ๐—น๐˜‚๐˜€๐—ถ๐—ฒ

Eigenwaarde die gevoed wordt door status is te instabiel en daarmee te ver verwijderd van zelfbeschikking. Status is daarmee heel duidelijk een drijfveer, maar geen basisbehoefte binnen de ZDT. De instabiliteit is een reden om het niet te voeden. Het betekent in het bedrijfsleven en de samenleving dat men statusgerelateerde zaken zoals macht en privileges moet dempen en in de opvoeding aandacht moet schenken aan leren hoe men zelf psychologische basisbehoeften kan bevredigen.

๐— ๐—ฒ๐—ฒ๐—ฟ ๐—น๐—ฒ๐—ฟ๐—ฒ๐—ป

Dit is een onderwerp in de opleiding tot vitaliteitskundige (OVK), waarmee je een specialist wordt in toegepaste motivatiewetenschap. Het vereist dat je dit soort vragen zou kunnen beantwoorden, maar ook dat je het concreet in kunt zetten bij individuen, groepen, organisaties en in de samenleving. Meer info:

chivo.nl/ovk

Status wordt nooit basisbehoefte in ZDT

Het vertrouwen in de wetenschap in Nederland is nog nooit zo hoog geweest volgens het Rathenau instituut. Gemiddeld geven we het een 7,53, hoger dan in rechters, journalisten of politici. Toch klopt dat beeld niet voor iedereen. Onder de oppervlakte broeit iets dat we niet mogen negeren: 1 op de 7 Nederlanders (14,6%) heeft weinig tot geen vertrouwen in de wetenschap. Dat is een stijging van maar liefst 50% sinds 2021. De vraag is niet langer of er wantrouwen is, maar waarom het groeit en bij wie.

Politiek: de dominante factor

Als รฉรฉn ding uit het recente Rathenau Instituut-onderzoek spreekt, is het de politieke kleur van wantrouwen. Waar progressieve kiezers van Volt, D66 of GroenLinks-PvdA de wetenschap gemiddeld met een 8,5 beoordelen, blijven rechtse en conservatieve partijen ver achter.

Het meest opvallend: 74% van de Forum voor Democratie-stemmers geeft de wetenschap een onvoldoende. Bij de PVV en BoerBurgerBeweging is dat bijna 30%. Dat is niet zomaar een klein minderheidje meer; het is een structurele groep die zich steeds meer afkeert.

Waarom? Mensen met weinig vertrouwen noemen geld, politieke beรฏnvloeding en afhankelijkheid als belangrijkste zorgen. Ze zien wetenschap niet als neutraal, maar als een instrument van "de elite" of "het linkse establishment". De wetenschappelijke conclusies zelf worden niet per se betwist, maar de intenties achter het onderzoek wel.

Het onderwerp bepaalt het vertrouwen

Niet alle wetenschap is gelijk in de ogen van het publiek. Onderzoek naar gezondheid en vaccinaties geniet nog steeds hoog vertrouwen (boven de 65%), maar zodra wetenschap politiek gevoelige thema's raakt, daalt het vertrouwen dramatisch.

Neem klimaatverandering: 55% vertrouwt de wetenschap erin, maar dat percentage schommelt van 94% bij Volt-stemmers naar <30% bij FvD-stemmers. Onderzoek naar discriminatie en ongelijkheid scoort nog lager: 39%. En bij kunstmatige intelligentie en genetisch gemodificeerde organismen is de meerderheid zelfs sceptisch.

Het patroon is duidelijk: hoe meer een onderwerp wordt geassocieerd met een progressief beleidsagenda, hoe groter het wantrouwen bij de rechterzijde van het politieke spectrum.

Ouderen en laagopgeleiden: de vergeten groep

Naast politiek spelen leeftijd en opleiding een cruciale rol. Het is de eerste keer sinds 2012 dat leeftijd een significant effect heeft op wetenschapsvertrouwen. Zeker ouderen boven de 65 scoren gemiddeld 0,8 punt lager dan jongeren. Ze voelen zich vaak buitengesloten van de wetenschappelijke wereld en maken zich zorgen over hun bestaanszekerheid โ€“ zorgen die niet worden weggenomen door abstracte wetenschappelijke beloften.

Laagopgeleiden vormen een andere risicogroep. Zij scoren gemiddeld 6,78 tegen 8,04 bij hoogopgeleiden. Belangrijker nog: zij zien geen positieve bijdrage van wetenschap aan hun eigen werkgelegenheid. Waar hoogopgeleiden geloven dat wetenschap banen creรซert, denkt een meerderheid van laagopgeleiden dat het vooral kansen wegneemt door automatisering en schaalvergroting.

Het institutioneel wantrouwen: niet de wetenschap, maar de boodschapper

Misschien wel de meest verontrustende bevinding: Nederlanders vertrouwen wetenschappers zelf wel, maar hebben grote twijfels bij degenen die de wetenschap gebruiken.

Slechts 10% heeft vertrouwen in hoe politici wetenschap inzetten voor beleid. En maar 19% vertrouwt journalisten die conclusies uit wetenschap trekken. De boodschap is helder: "Wij geloven in de wetenschap, maar niet in degenen die ermee spelen."

Dit verklaart waarom associaties bij het woord 'wetenschap' bij wantrouwende mensen vooral gaan over 'biased', 'geld', 'invloed financier' en 'politiek'. Het gaat niet om de methode, maar om de onzichtbare draden die eraan trekken.

De rol van spiritualiteit en media

Een verrassende bevinding is het effect van spiritualiteit (maar niet religie!). Mensen die zichzelf als spiritueel beschouwen, scoren systematisch lager. Dat komt doordat spiritualiteit vaak uitgaat van persoonlijke intuรฏtie en ervaring, terwijl wetenschap op collectief bewijs is gebaseerd. Het is een andere manier van waarheidsvinding die botsende wereldbeelden oplevert.

Wat betreft media: wie vaak kwaliteitskranten leest over wetenschap, heeft meer vertrouwen. Sociale media daarentegen hebben geen effect. Dat is opmerkelijk, omdat veel desinformatie via platforms als TikTok en Facebook circuleert. Kennelijk filteren mensen die toch al wantrouwen hebben deze berichten juist niet kritisch genoeger.

Wat betekent dit?

Het wantrouwen in wetenschap is niet anti-wetenschap in de klassieke zin. Het is een gebrek aan vertrouwen in de instituties die wetenschap vertalen naar beleid en nieuws. De polarisatie is een symbool van een bredere maatschappelijke scheidslijn: tussen hoog- en laagopgeleiden, tussen stad en platteland, tussen progressief en conservatief.

De risico's zijn reรซel. Als wetenschap wordt gezien als politiek instrument, verliest ze haar status als neutrale scheidsrechter in maatschappelijke debatten. Vragen als "Is vaccineren veilig?" of "Is klimaatverandering echt?" worden dan niet meer beantwoord op basis van feiten, maar op basis van partijpolitieke identiteit.

Wat nu?

Het rapport biedt geen eenvoudige oplossingen, maar wel richtlijnen:

  1. Transparantie als medicijn: Zorg dat financiering en belangenverstrengeling volledig zichtbaar zijn. Wantrouwen gedijt in het donker.
  2. Psychologische afstand verkleinen: Wetenschap moet persoonlijker, toegankelijker en minder elitair. Alleen dan bereik je ouderen en laagopgeleiden.
  3. Politiek overstijgende communicatie: Frame wetenschap niet als links of rechts, maar als een neutrale methode voor kennisontwikkeling.
  4. Betrek de burger: Citizen science-projecten kunnen vertrouwen op bouwen door mensen zelf deel te laten uitmaken van het proces.

De uitdaging is niet om het vertrouwen van de al vertrouwenden nog verder te verhogen, maar om de groeiende groep wantrouwenden terug te winnen. Dat lukt niet met feiten alleen, maar met herkenning, transparantie en echte dialoog.

Vertrouwen in wetenschap verdeelt

Een tweede analyse (Ciudad-Fernรกndez, et al 2025) die aantoont dat de veelgebruikte vragenlijsten voor - problematisch sociale media gebruik - niet geschikt zijn om 'verslaving' te meten. Dit geldt voor zowel de Bergen Social Media Addiction Scale (BSMAS) als ook voor de Nederlandse Social Media Disorder (SMD)-schaal.

Wij hebben eerder al aangegeven dat de items problematisch zijn, omdat ze geen onderscheid maken tussen verleiding en verslaving (onze woorden, niet van de auteurs). Bovendien wordt vaak onvoldoende gecorrigeerd voor gebrekkige zelfregulatie. Als dat het onderliggende probleem is, heeft een verbod op sociale media weinig zin.

๐—ง๐—ต๐—ฒ๐—ผ๐—ฟ๐—ถ๐—ฒ ๐—ผ๐—ณ ๐—ฑ๐—ฎ๐˜๐—ฎ?

Het probleem van beide schalen is dat ze DSM theoriegedreven zijn. De BSMAS gebruikt de componenten van substantieverslaving, de SMD bouwt voort op voorlopige criteria voor internetverslaving. Onderzoekers van beide schalen veronderstellen dat de onderliggende componenten ook onlosmakelijk bij elkaar horen en een unidimensionaal construct vormen, zonder dit met data te toetsen.

๐—”๐—ฎ๐—ป๐—ป๐—ฎ๐—บ๐—ฒ๐˜€

Normaal begint toetsing met een exploratieve factoranalyse (EFA), waarbij data patronen blootleggen om te zien of er meerdere clusters / factoren zijn. De makers van BSMAS en SMD sloegen deze stap over en gingen direct naar een confirmatieve factoranalyse (CFA), omdat ze er vanuit gingen dat de DSM constructen solide een enkele factor zouden vormen. Daar ging het mis.

๐—ข๐˜ƒ๐—ฒ๐—ฟ๐—ฑ๐—ถ๐—ฎ๐—ด๐—ป๐—ผ๐˜€๐—ฒ

De nieuwe publicatie toont dat EFA een ander patroon suggereert en dat CFA juist een twee-factorenmodel ondersteunt: รฉรฉn dimensie van verleiding en รฉรฉn van verslaving. Met andere woorden: veel tijd doorbrengen op sociale media is niet per se problematisch. De reden en de gevolgen zijn bepalend. Zonder die nuance ontstaat overdiagnose van sociale mediaverslaving, die in werkelijkheid beperkt voorkomt.

๐—ฉ๐—ฒ๐—ฟ๐—ฟ๐—ถ๐—ท๐—ธ๐—ถ๐—ป๐—ด

Voor de meeste mensen zijn sociale media eerder een verrijking. Ze besteden er soms te veel tijd aan, net zoals iemand te lang door kan kijken naar een TV serie rond bedtijd. Dat kan onverstandig zijn, maar is niet pathologisch.

๐—›๐—ฒ๐˜ ๐—ธ๐—ฎ๐—ฎ๐—ฟ๐˜๐—ฒ๐—ป๐—ต๐˜‚๐—ถ๐˜€

De grote claim dat sociale media verslavend zijn en psychische gezondheidsklachten veroorzaken is weinig solide. De gezondheidsklachten lopen al decennia op en er is geen harde trendbreuk met de introductie van de iphone of instagram. Als er effecten worden aangetroffen dan zijn ze meestal klein en de populaire vragenlijsten blijken dan ook nog eens over te diagnosticeren. Er blijft zo steeds minder over. Zowel de literatuur als de praktijk laten zien dat er bij echt problematisch gebruik, er onderliggende problemen zijn.

Sociale media niet (zo) verslavend

De koppeling tussen het bevredigen van psychologische basisbehoeften (PBB) en het behalen van doelen is vaak kleiner dan wordt verondersteld, omdat de bijdrage van PBB meestal indirect is.

Wanneer de activiteit zelf de PBB bevredigt รฉn tevens het doel vormt, is de kans op succes groot: men is dan intrinsiek gemotiveerd. Veel activiteiten zijn echter niet intrinsiek aantrekkelijk. Dit spanningsveld is binnen de Zelfdeterminatietheorie uitgewerkt in de Organismische Integratie Theorie (OIT). Die beschrijft hoe mensen nieuwe informatie, denkbeelden, waarden, attitudes en gedrag min of meer eigen maken of juist verwerpen.

๐—ข๐—ป๐˜๐˜„๐—ถ๐—ธ๐—ธ๐—ฒ๐—น๐—ถ๐—ป๐—ด๐˜€๐—ฝ๐˜€๐˜†๐—ฐ๐—ต๐—ผ๐—น๐—ผ๐—ด๐—ถ๐—ฒ

De OIT staat vooral bekend als het motivatiecontinuรผm, maar is in feite veel meer dan dat. Ze vormt de basis van doorlopende identiteitsontwikkeling โ€” de chronische spanning tussen:

  1. Wie je bent
  2. Wie je gaat worden
  3. Wie je wilt zijn

De mate van 'eigen maken' wordt uitgedrukt als een spectrum: van extern tot meer in lijn met een doel waar je achter kunt staan โ€” ook wel geรฏdentificeerd of geรฏntegreerd. Externe regulatie betekent dat het gedrag geen deel uitmaakt van jezelf; zodra de prikkel verdwijnt, stopt de activiteit. Geรฏntegreerde regulatie betekent dat je iets blijft doen, niet omdat het leuk is, maar omdat het bij je identiteit hoort.

๐—”๐˜‚๐˜๐—ผ๐—ป๐—ผ๐—บ๐—ฒ ๐—ฟ๐—ฒ๐—ด๐˜‚๐—น๐—ฎ๐˜๐—ถ๐—ฒ

Motivatie vormt dus een belangrijke basis van het ontwikkelproces. Hoe meer men vanuit geรฏdentificeerde of geรฏntegreerde motivatie handelt, hoe autonomer men gereguleerd is. Dat leidt tot gedrag dat als representatief voor het zelf wordt ervaren, en tot meer welbevinden. De eigenwaarde is stabieler, mensen worden prosocialer en ervaren meer vitaliteit. Interessant genoeg ontstaat ook meer sereniteit, omdat men in harmonie leeft met wie men is, zelfs als omgeving niet verandert.

๐—ฆ๐—ฎ๐—บ๐—ฒ๐—ป๐˜„๐—ฒ๐—ฟ๐—ธ๐—ฒ๐—ป ๐—ฒ๐—ป ๐—ฑ๐—ผ๐—ฒ๐—น๐—ฒ๐—ป ๐—ต๐—ฎ๐—น๐—ฒ๐—ป

De vraag is hoe je van externe naar geรฏntegreerde regulatie komt. Hoe zorg je ervoor dat normen binnen gezin, organisatie of samenleving zรณ worden doorgevoerd dat ze โ€˜eigenโ€™ worden voor kinderen, werknemers, leiders en burgers? Omdat we dit niet begrijpen, blijven we mensen behandelen als homo economicus dat geen recht doet aan het mens zijn. Het blijkt zelfs schadelijk, omdat mensen dan namelijk ook zichzelf (en anderen) saboteren. In plaats daarvan blijkt er vooral bewijs te zijn dat de meesten welwillende wezens zijn die samenwerken. Als we dat laatste kunnen activeren, dan zullen we ook sneller gezamenlijke doelen bereiken. Het vereist alleen diepere kennis van motivatiewetenschap!

๐— ๐—ฒ๐—ฒ๐—ฟ ๐—น๐—ฒ๐—ฟ๐—ฒ๐—ป

Dit onderwerp wordt behandeld in de module Identiteitsontwikkeling, onderdeel van de opleiding vitaliteitskundige.

ZDT is ook ontwikkelingspsychologie

โ€œCollegaโ€™s hoeven daarom niet per se vrienden te zijn. Op het werk draait het niet alleen om persoonlijke band, maar ook om samenwerking, betrouwbaarheid en professionele betrokkenheid. Wat dus รฉcht telt, is collegialiteit: werknemers moeten het gevoel hebben dat ze op hun collegaโ€™s kunnen rekenen, zowel bij werkgerelateerde uitdagingen als wanneer het even emotioneel wat moeilijker gaat,โ€ย zegtย prof. Anja Van den Broeck.

"Twee op de drie werknemers blijven ergens werken voor de collegaโ€™s."

๐—›๐—ฒ๐˜ ๐—ข๐—–๐—• ๐—ฝ๐—ฒ๐—ฟ๐˜€๐—ฝ๐—ฒ๐—ฐ๐˜๐—ถ๐—ฒ๐—ณ

Dit wordt vanuit een ZDT-perspectief bekeken en bevestigt wat we al weten uit onderzoek naar Occupational Citizenship Behavior (OCB). Dat isย vrijwillig, niet-verplicht gedragย van werknemers datย bijdraagt aan het goed functioneren van een organisatie, maarย nietย formeel wordt beloond of opgenomen in taakomschrijvingen. Goede OCB leidt tot minder vrijwillig vertrek, toont deze meta-analyse (Podsakoff, et al 2009).

๐—›๐—ฒ๐˜ ๐—ฝ๐—ฒ๐—ฟ๐˜€๐—ผ๐—ผ๐—ป๐—น๐—ถ๐—ท๐—ธ๐—ต๐—ฒ๐—ถ๐—ฑ๐˜€๐—ฝ๐—ฒ๐—ฟ๐˜€๐—ฝ๐—ฒ๐—ฐ๐˜๐—ถ๐—ฒ๐—ณ

Nog interessanter is dat dit aanpalend is aan persoonlijkheidsonderzoek, want goed OCB hangt samen met de persoonlijkheidstrekken verdraagzaamheid, integriteit en consciรซntieusheid (Dunlop, et al 2025). Mensen die hoog scoren op verdraagzaamheid worden het aardigst gevonden, zowel op het werk als in privรฉ. Op het werk is consciรซntieusheid belangrijk, terwijl dat in privรฉ veel minder een rol speelt.

๐—›๐—ฒ๐˜ ๐—บ๐—ผ๐˜๐—ถ๐˜ƒ๐—ฎ๐˜๐—ถ๐—ฒ๐—ฝ๐—ฒ๐—ฟ๐˜€๐—ฝ๐—ฒ๐—ฐ๐˜๐—ถ๐—ฒ๐—ณ

Goede collegaโ€™s hoeven geen vrienden te zijn, maar je moet wel goed met hen kunnen samenwerken. Dit is een heel duidelijk voorbeeld van waarom rechtvaardigheid niet zomaar een facet is van sociale verbondenheid. Goede collegae bevredigen de behoefte aan rechtvaardigheid, zelfs als de relatie transactioneel is (Chivo 2025).

๐— ๐—ฒ๐—ฒ๐—ฟ ๐—น๐—ฒ๐—ฟ๐—ฒ๐—ป

Dit zijn onderwerpen in onzeย opleiding tot vitaliteitskundigeย (OVK), waar we je tot specialist vormen in toegepaste motivatiewetenschap.

Goede collega's zijn goud waard

Een zinvolle en wijze lezing over hoe je mensen meekrijgt in een transitie, zodat je naar een impact economie gaat.

Gevoelens โ€” een hot topic, want volgens sommigen zijn ze onbelangrijk, aangezien gevoelde problemen niet echt zouden zijn, terwijl anderen juist een scherpe scheiding maken tussen cognitie en emotie, en vervolgens alles lichaamsgericht doen. Beide standpunten zijn volledig in strijd met de kennis die we hierover hebben.

๐—ฅ๐—ฒ๐—ป๐—ป๐—ฒ๐—ป

Stel: je ziet een beer en je realiseert je ineens in welke precaire situatie je zit. Je voelt angst en je zet het op een rennen. Dit is een intuรฏtieve keten over gevoelens die aansluit op de cognitieve appraisal van emoties. James-Lange draaide het echter om: je ziet een beer, je hartslag neemt toe, je begint te beven, en op het moment dat je je lichamelijke reactie opmerkt, word je bang. Dat was destijds een radicaal andere kijk op gevoel en emoties.

๐—ฅ๐—ฒ๐—บ๐—บ๐—ฒ๐—ป

De laatste versie ligt nog het dichtst bij de waarheid. De meesten van ons zullen geen beer tegenkomen, dus laten we een herkenbaarder voorbeeld nemen. Stel: je rijdt op de snelweg en ineens trap je heel hard op de rem. Je komt met de schrik vrij, en pas dan realiseer je je dat je voorligger wel erg dichtbij kwam. Het idee dat emoties vooral cognitief ontstaan, is in strijd met deze volgorde.

๐—›๐—ฒ๐˜ ๐—น๐—ถ๐—ฐ๐—ต๐—ฎ๐—ฎ๐—บ

Volgens James-Lange zouden we lichaamssensaties dus omzetten in emoties. Daarom zouden we naar ons lichaam moeten luisteren, want je moet het doorvoelen. Wil je dat niet dan zit je vooral in je hoofd, zo is het verwijt. Laat nu eens die emotie toe, wordt er dan geroepen. Daar heb ik twee opmerkingen over:

  1. Je coachee kan prima voelen
  2. De coach heeft scholing nodig

Zo weten we dat de epinefrine-experimenten niet repliceerden, en dat het idee dat de intensiteit van emoties samenhangt met de hoeveelheid geรฏnjecteerde adrenaline niet klopt. Ook weten we dat mensen die vanaf de nek naar beneden verlamd zijn, nog steeds emoties kunnen voelen. Het betekent dat ๐—ง๐—ต๐—ฒ ๐—•๐—ผ๐—ฑ๐˜† ๐—ž๐—ฒ๐—ฒ๐—ฝ๐˜€ ๐˜๐—ต๐—ฒ ๐—ฆ๐—ฐ๐—ผ๐—ฟ๐—ฒ dus in strijd is met de neurowetenschap van emoties. En het wordt ook niet beter met de polyvagaaltheorie.

๐—ž๐—ฒ๐˜‚๐˜‡๐—ฒ๐˜€ ๐—บ๐—ฎ๐—ธ๐—ฒ๐—ป

En dan zijn er nog mensen die denken dat gevoelens niet tellen en dat we er te veel aandacht aan besteden. Experimenten met patiรซnten met hersenbeschadigingen die niet konden voelen, laten echter zien dat ze voortdurend kansspelen verliezen โ€” ook al kunnen ze precies uitleggen wat de beste strategie is. Ze voelen alleen niets, dus ook niet de urgentie om de juiste strategie te kiezen. Het hele leven is een kansspel, dus stellen dat we teveel aandacht schenken aan gevoelens is een hachelijk standpunt.

๐—ญ๐—ฒ๐—น๐—ณ๐—ฟ๐—ฒ๐—ด๐˜‚๐—น๐—ฎ๐˜๐—ถ๐—ฒ

Naar schatting heeft 30 tot 50 procent van bevolking problemen met emotieregulatie en dat maakt (sociale) zelfregulatie lastig. Misschien moeten we het juist vaker hebben over emoties, maar dan met mensen die er verstand van hebben.

๐— ๐—ฒ๐—ฒ๐—ฟ ๐—น๐—ฒ๐—ฟ๐—ฒ๐—ป

Hoe je dit concreet omzet tot een aanpak kun je leren in onze module Emotieregulatie:

chivo.nl/mer

Emotieleer met de beer

Wij kennen allemaal wel een variant van de jar of life, waarbij je hoofdzaken (grote kiezels) onderscheidt van bijzaken (blauw grind). Als je vooral aandacht schenkt aan het grind, kom je erachter dat de kiezels niet meer passen (links), terwijl als je eerst de hoofdzaken in de pot doet, er voldoende ruimte overblijft voor de bijzaken (rechts). Minder bekend is wat hoofd- en bijzaken precies zijn.

๐—ฃ๐˜€๐˜†๐—ฐ๐—ต๐—ผ๐—น๐—ผ๐—ด๐—ถ๐˜€๐—ฐ๐—ต๐—ฒ ๐—ฏ๐—ฎ๐˜€๐—ถ๐˜€๐—ฏ๐—ฒ๐—ต๐—ผ๐—ฒ๐—ณ๐˜๐—ฒ๐—ป

Die hoofdzaken worden gevormd door basisbehoeften, en psychologische basisbehoeften in het bijzonder. Het betreft zowel sociale verbondenheid als autonomie, waarbij ik vaak stel dat we veel meer nadruk moeten leggen op ervaren autonomie.

๐—š๐—ฒ๐—บ๐—ฒ๐—ฒ๐—ป๐˜€๐—ฐ๐—ต๐—ฎ๐—ฝ๐˜€๐˜‡๐—ถ๐—ป

Dat klinkt vreemd, omdat de grote Harvard Grant- en Glueck-studies, die mensen een leven lang volgen, aantonen dat gemeenschapszin en relaties de belangrijkste voorspellers zijn van gezond oud worden. Hetzelfde geldt voor de zogenoemde Blue Zones, waar men tot dezelfde conclusie komt. Dat heeft alles te maken met het simpele gegeven dat autonomie nooit gemeten is in die studies.

๐—”๐˜‚๐˜๐—ผ๐—ป๐—ผ๐—บ๐—ถ๐—ฒ

Zijn er dan aanwijzingen dat autonomie net zoโ€™n heilzame invloed heeft? Jazeker, zoals de nonnenstudie van Weinstein et al. (2019).

https://lnkd.in/evrpkSkh

Analyses van decennia aan dagboeken tonen aan dat autonome keuzes โ€” dus vrijwilligheid, authenticiteit, zelfreflectie en ouderlijke steun om deel te nemen โ€” samenhingen met de levensverwachting.

De verwarring is dus begrijpelijk, maar ook problematisch. Dat komt doordat autonomie vaak wordt uitgelegd als individualisme, maar dat is iets heel anders. Vrijwillig een groep dienen is heel duidelijk autonoom en niet individualistisch. Als gemeenschapszin geforceerd plaatsvindt, tast je de autonomie van mensen aan, en zal dat een averechts effect hebben, zo blijkt uit talloze studies.

๐—ฅ๐—ฒ๐—น๐—ฎ๐˜๐—ถ๐—ผ๐—ป๐—ฒ๐—น๐—ฒ ๐—ฎ๐˜‚๐˜๐—ผ๐—ป๐—ผ๐—บ๐—ถ๐—ฒ

De rol van de gemeenschap, en daarmee ook van de organisatie, is niet zozeer dat je sociale verbinding zoekt of zelfs afdwingt, maar dat je een omgeving creรซert waarin mensen zich zo thuis voelen dat ze zichzelf mogen zijn. Dat betekent dat het een plek is waarin men de psychologische basisbehoeften kan vervullen โ€” de grote witte kiezels. Sociale ondersteuning is daarmee autonomie-ondersteuning. Vaak ontstaat pas erna de cognitieve en emotionele bandbreedte om bijvoorbeeld aan gezondheid te werken, te ontwikkelen, maar ook prosocialer worden.

๐— ๐—ฒ๐—ฒ๐—ฟ ๐—น๐—ฒ๐—ฟ๐—ฒ๐—ป

Hoe je dit als organisatie van meet af aan kunt implementeren, leg ik uit in een workshop op 13 november tijdens het Evidence-based HR-seminar. Meer info:

evidencebasedhr.nl

Jar of Life vul je eerst met basisbehoeften

In een massale poging om 60 Braziliaanse biomedische onderzoeken te toetsen, bleken de uitkomsten van slechts 21 procent succesvol gerepliceerd te kunnen worden. Van de studies die werden gerepliceerd, bleken de effectgroottes ook 60 procent kleiner te zijn dan in de originele studies.

https://lnkd.in/ejjv7Yim

De replicatiecrisis wordt vooral geassocieerd met de sociale psychologie, maar de waarheid is dat veel biomedisch onderzoek ook niet zal repliceren โ€” niet eens door de onderzoekers van die studies zelf.

https://lnkd.in/edt_QyCz

De reden dat men het associeert met de sociale psychologie, is omdat zij simpelweg de eersten waren die het probleem grootschalig onder de aandacht brachten met het "Many Labs"-project. Hierbij kwamen onafhankelijke labs over de hele wereld tot een gezamenlijk protocol, meestal met hulp van de originele auteurs, en voerden dit onder zoveel mogelijk dezelfde omstandigheden uit. Je had bovendien iemand nodig met de statuur van Nobelprijswinnaar Daniel Kahneman om zoiets van de grond te krijgen.

Het is niet zo dat men niet weet hoe men dit kan verbeteren. Men doet het vaak gewoon niet โ€” en dat geldt ook voor gezaghebbende tijdschriften zoals The Lancet, die voor eigen petprojecten zoals Global Burden of Disease of EAT zelfs peerreview al te veel moeite vinden. Maar zelfs bij peerreview zijn er problemen, bijvoorbeeld doordat niet eerst uitsluitend op methodologie wordt gescreend voordat een studie wordt geaccepteerd voor peerreview.

Op het vlak van kanker is het nog veel dramatischer. Het percentage dat niet repliceert ligt op 90. In verschillende replicatiepogingen, bleek de helft van de originele auteurs niet eens te reageren bij een communicatie oproep. Ook bleek veel van de originele data niet meer te bestaan, ondanks dat veel van de tijdschriften beschikbaarheid als eis te stellen. Dan hebben we nog uniekere problemen dat speciale knockout x, y en z dieren worden gebruikt die niet meer leverbaar zijn. Dit natuurlijk los van de individuele variatie in de biologie.

https://lnkd.in/evngAs8C

Dit is allemaal niet nieuw, maar het blijft soms frustrerend om te zien hoeveel geld en tijd we verspillen aan een vicieuze cirkel van suboptimale publicatie en replicatiefalen. Dat meer dan de helft niet repliceert, is eerder regel dan uitzondering โ€” en dan heb ik het niet over obscure experimenten, maar over bevindingen die als vanzelfsprekend in tekstboeken zijn beland. Daar staat tegenover dat er ook echt wel vele vondsten zijn die wel repliceren.

Het gegeven dat er massale replicatiepogingen zijn is op zich heel waardevol. In de sociale psychologie zie je op sommige fronten enige verbetering, maar ook dat gaat nog mondjesmaat. Er is dus nog een lange weg te gaan.

Replicatie biomedische onderzoeken (21%)