Skip to main content

Gedragsgenetica, een introductie

Vanuit het veld van gedragsgenetica weten we dat opvoeding een zeer beperkte invloed heeft op de ontwikkeling van persoonskenmerken. Het sterkste bewijs komt van eeneiige tweelingen die vanaf jonge leeftijd apart zijn opgevoed.

De eerste wet van de gedragsgenetica stelt dat alle gedragseigenschappen erfelijk zijn, maar de tweede wet nuanceert dit door te stellen dat geen enkele gedragseigenschap voor 100 procent erfelijk is. Vanuit een motivatieperspectief is dat belangrijk, omdat we uitgaan van een menselijke natuur, dus van een genetische basis.

De eerste wet - Alles heeft een genetische basis.
Alle kenmerken – niet slechts enkele of veel, maar alle – zijn gedeeltelijk erfelijk. Dit betekent dat verschillen tussen individuen in elk gemeten kenmerk in significante mate samenhangen met verschillen in hun genen. Dit geldt voor fysieke kenmerken zoals lengte, gewicht en BMI; psychologische kenmerken zoals intelligentie, persoonlijkheid en zelfbeheersing; en zelfs voor merkwaardige zaken zoals politieke opvattingen, het gebruik van mobiele telefoons en de tijd die wordt doorgebracht op sociale media (zie hier voor een overzicht).

Het belangrijkste bewijs voor de Eerste Wet is het feit dat eeneiige tweelingen in alle kenmerken meer op elkaar lijken dan twee-eiige tweelingen, zelfs wanneer ze apart opgroeien. De onderstaande grafiek, gemaakt door Spencer Greenberg, toont de schattingen van de erfelijkheidsgraad voor een selectie van fysieke en psychologische kenmerken.

Studie na studie laat zien dat mensen die in hetzelfde huis zijn opgegroeid vaak weinig tot geen grotere gelijkenissen vertonen dan even nauw verwante personen die apart zijn opgegroeid, althans tegen de tijd dat ze volwassen zijn (zie de kolom "Shared environmental effect" in de onderstaande tabel van Bouchard uit 2004). Deze bevinding stelt alledaagse opvattingen over het belang van het ouderlijk huis ter discussie — en daagt ook enkele van de beroemdste psychologische theorieën uit, waaronder de Freudiaanse theorie, de sociale leertheorie en de gehechtheidstheorie.

No alt text provided for this image

Dit geldt ook voor de hype dat men de persoonlijkheid kan veranderen. De overeenkomsten tussen apart opgegroeide eeneiige tweelingen zijn opmerkelijk, vooral wanneer zelfrapportages worden gecombineerd met observaties van derden. De veranderingen die vaak gevonden worden blijken vooral te worden uitgelokt door triggers, zoals stressbronnen en perverse prikkels. Het wegnemen ervan, verandert het gedrag.

Nog interessanter is dat de genetische samenhang sterker wordt naarmate mensen ouder worden en in welvarende omgevingen leven. Dit lijkt vooral toe te schrijven aan het feit dat beide factoren ervoor zorgen dat je de omgeving meer kunt afstemmen op je basisbehoeften, zowel biologisch als psychologisch. Er is dus meer ruimte om je authentieke zelf te zijn.

De tweede wet - Geen eigenschap is 100% overerfbaar

Hoewel alle kenmerken deels worden beïnvloed door genen, wordt geen enkel kenmerk uitsluitend door genen bepaald. Als een kenmerk volledig door genen zou worden bepaald, zouden eeneiige tweelingen voor dat kenmerk letterlijk identiek zijn. Dat is echter nooit het geval; ze lijken verrassend veel op elkaar, maar zijn nooit volledig gelijk. Schattingen van erfelijkheid halen nooit de 100% en blijven daar meestal aanzienlijk onder. We noemen dit vakgebied gedragsgenetica, maar we zouden het net zo goed gedragsomgevingsonderzoek kunnen noemen, omdat de bevindingen net zo goed het belang van de omgeving benadrukken als dat van genen. Sterker nog, het vakgebied levert enkele van de sterkste bewijzen dat de omgeving een cruciale rol speelt in het vormen van individuele verschillen.

Naar schatting dragen genen voor 50 procent bij aan persoonskenmerken en opvoeding voor ongeveer 10 procent. Dit laat een resterende 40 procent over voor de directe omgeving, zoals de buurt en school. Ook kan mediaconsumptie hierin een rol spelen.

De grote vraag over nature en nurture is daarmee nog lang niet beslecht. Er is namelijk nog sprake van een ruiseffect. Je kunt het dus beschouwen als een combinatie van nature, nurture en noise, als je wilt. De bijdrage van genen is echter onmiskenbaar, en de replicaties zijn zeer consistent (Plomin R 2016).

Dit weten we uit de praktijk met ouders die meerdere kinderen hebben, die niet alleen flink verschillen onderling, maar waarvan een enkel kind ook maatschappelijk kan ontsporen. Het helpt om te begrijpen dat het dominante deel van het gedrag buiten de invloed van opvoeding geplaats kan worden. Het leidt tot minder stigmatisering en meer (zelf)compassie.

Dit onderwerp is een onderdeel van de opleiding tot vitaliteitskundige (OVK), waarin we je scholen in toegepaste motivatiewetenschap. Meer informatie:

chivo.nl/ovk

Gedragsgenetica, een introductie