Al jaren verzetten we ons tegen het onzinnige nagepraat van ‘200 voedselkeuzes per dag’ — en met name de insinuatie dat die uitgelokt worden door de omgeving en ons dik maken. Eindelijk is er in de literatuur formeel gereageerd op die, let wel, ene studie waarop dit gebaseerd is.
De bewering dat mensen dagelijks meer dan 200 onbewuste beslissingen maken over wat, wanneer en hoeveel ze eten, circuleert al jaren. Het werd sterk gepopulariseerd door de rockster-wetenschapper Brian Wansink, die p-hacking verkocht als een deugd. Dat bedoel ik letterlijk, want hij schreef dat succesvolle studenten doorgaan tot ze iets vonden. Deze mythe schaadt ons gevoel van eigen regie en suggereert dat voedselkeuzes buiten ons bewuste handelen vallen.
Oorsprong van het getal
De gefingeerde 200-beslissingen komt uit een studie uit 2007 van Wansink en Sobal. Zij vroegen naar het aantal alledaagse eetbeslissingen én specifieke details (wat, waar, hoeveel, met wie) per eetmoment. Door dit uit te breiden tot dagelijkse maaltijden, berekenden ze gemiddeld 226,7 beslissingen, waarvan 212,3 onbewust zouden zijn.
Kritiek en methodologische kanttekeningen
Onderzoekers van het Max Planck Instituut (Claassen, Hertwig, Mata) betogen dat dit verkeerd is gemeten. De hoge schatting zou deels komen door het subadditiviteitseffect – mensen geven hogere cijfers als ze losse aspecten apart inschatten. Hierdoor is de interpretatie dat we massaal ‘mindless’ eten niet goed onderbouwd.
Wat is een voedselkeuze?
Daarnaast wordt er nogal ruim gecategoriseerd als het gaat om voedselkeuzes. Het soort bord of bestek valt daar ook onder, maar ook of je de pasta nu of over een minuut uit het water haalt. Hoe dat te koppelen valt met dik worden door de omgeving is mij een raadsel.
Over mindless gesproken
Het maakte echt niet uit of je op een congres stond, een stuk in het NTVG las, of iets onder ogen kreeg van het Voedingscentrum — de claim werd gewoon mindless herhaald. Dit soort activisme is echter gewoon schadelijk.
Het wordt tijd dat we methodologie serieus nemen en claims toetsen op bewijskracht.
Langdurig vasten wordt steeds populairder, met beloftes van gewichtsverlies, meer energie, en zelfs minder ontsteking. Maar klopt dat laatste eigenlijk wel?
Een nieuw overzichtsartikel van De Ciutiis en collega’s (2025) keek naar veertien studies over langdurig vasten — dat wil zeggen: 48 uur of langer zonder eten. Ze onderzochten hoe dit type vasten het lichaam beïnvloedt op het niveau van ontstekingsstoffen in het bloed, zoals CRP, IL-6 en TNF-α. Deze stoffen zijn belangrijke signalen van laaggradige ontsteking, die weer gelinkt is aan ziektes zoals diabetes, hartproblemen en dementie.
De resultaten zijn verrassend
In tegenstelling tot wat je misschien verwacht, zagen de onderzoekers in de meeste studies een toename van ontstekingsstoffen tijdens het vasten. Vooral mensen met overgewicht lieten een stijging zien van CRP, een bekende marker van systeemontsteking. In sommige gevallen verdubbelde deze waarde. Ook IL-6 en TNF-α — stoffen die het immuunsysteem activeren — gingen in meerdere studies omhoog.
Goed nieuws is dat in enkele onderzoeken de ontstekingswaarden weer daalden na het herstarten van gezonde voeding, zoals een plantaardig dieet. Maar dat gebeurde lang niet altijd. In sommige gevallen bleef de ontstekingsreactie aanwezig, zelfs nadat men weer begon met eten.
Wat betekent dat?
Een mogelijke verklaring is dat deze ontstekingsreactie niet “slecht” is, maar een soort tijdelijke aanpassing. Je lichaam komt bij langdurig vasten in een soort stressmodus terecht. Het moet overschakelen op vetverbranding, en dat brengt allerlei processen in gang — waaronder ook ontstekingsroutes in vetweefsel. Vooral in mensen met veel visceraal vet (vet rondom de organen) lijkt dat systeem heftig te reageren.
Vanuit evolutionair oogpunt is dat logisch. Vasten komt in de natuur vaak voor, maar meestal in gezonde, slanke lichamen onder fysieke belasting. In de moderne wereld, met overgewicht, inactiviteit en een ontregeld immuunsysteem, kan diezelfde vastenreactie juist ontstekingsbevorderend werken.
Wat kun je hiermee als je overweegt te vasten?
- Langdurig vasten is geen garantie voor minder ontsteking — het kan zelfs tijdelijk averechts werken.
- Het effect verschilt per persoon, afhankelijk van gewicht, stofwisseling, geslacht, leefstijl, en wellicht ook je darmflora.
- Gezonde voeding ná het vasten is cruciaal om het lichaam weer tot rust te brengen. Refeeding met plantaardig, vezelrijk eten bleek in sommige studies ontstekingswaarden weer te verlagen.
En nu?
De onderzoekers pleiten voor meer en betere studies, vooral bij diverse groepen mensen. Er is nog te weinig bekend over wat langdurig vasten doet op de lange termijn, en of het slim is bij bijvoorbeeld hart- en vaatziekten of auto-immuunziekten.
Tot die tijd? Zie langdurig vasten niet als wondermiddel. Het kan tijdelijk juist stress geven aan het lichaam. Kortdurende vormen zoals time-restricted eating lijken op dit moment veiliger, vooral als ze gecombineerd worden met goede voeding en beweging.
Kernpunten op een rij
✅ Langdurig vasten verhoogt in veel gevallen CRP en andere ontstekingsstoffen
✅ Refeeding met gezonde voeding kan de ontsteking verlagen
✅ De ontstekingsreactie is mogelijk een tijdelijke, adaptieve reactie
✅ Effecten verschillen sterk tussen mensen
✅ Meer onderzoek is dringend nodig
Slaaptekort is voor veel studenten geen uitzondering, maar de norm. Of het nu komt door tentamenstress, binge-watchen of sociale druk — een groot deel van de jongvolwassenen (18–25 jaar) haalt structureel te weinig nachtrust. Met flinke gevolgen: verminderde concentratie, slechtere stemming, risico op depressie of zelfs studievertraging. En hoewel slaap belangrijk is, blijkt hulp zoeken lastig. Want wie stapt er nou snel naar een therapeut “om beter te slapen”?
Goed nieuws: slaapcoaching hoeft niet meer op de bank bij een psycholoog. Steeds meer apps en online trainingen bieden bewezen hulp bij slaapproblemen. En een nieuwe grote studie laat zien dat ze écht werken.
Wat deden de onderzoekers?
Taiwanese onderzoekers (Lu Y-A et al 2025) analyseerden 13 internationale studies waarin in totaal meer dan 5000 studenten en jongvolwassenen deelnamen aan digitale slaapinterventies. Denk aan apps met ontspanningsoefeningen, online slaaptherapieën (zoals cognitieve gedragstherapie voor insomnie, ofwel CBT-i), of korte videomodules over slaaphygiëne. De deelnemers kregen deze programma’s via hun telefoon of laptop — vaak thuis, op hun eigen tijd.
De onderzoekers keken naar verschillende effecten:
- slaapkwaliteit
- slaapefficiëntie (hoeveel procent van je bedtijd je écht slaapt)
- ernst van slapeloosheid
- kennis en overtuigingen over slaap
- slaapgewoonten
- lichamelijke en mentale onrust vlak voor het slapengaan
Wat bleek?
De digitale programma’s werkten verrassend goed. De meeste deelnemers sliepen na afloop beter, vielen sneller in slaap en hadden minder last van piekeren. Het grootste effect werd gevonden op slapeloosheid: klachten namen flink af. Zelfs enkele weken tot maanden na de interventie hield dat effect aan.
Zelfs eenvoudige modules — zoals een korte cursus slaaphygiëne of een virtuele meditatiesessie — bleken al een merkbare impact te hebben. Maar het best scoorden programma’s die CBT-i bevatten, vooral als er begeleiding was van een therapeut op afstand.
Wat werkt niet (zo goed)?
Niet alles werkte even goed. Zo zagen de onderzoekers weinig effect op objectieve slaapmetingen zoals hoeveel keer je wakker wordt per nacht of totale slaapduur. En interventies zonder persoonlijke begeleiding leverden gemiddeld iets minder resultaat op dan programma’s mét ondersteuning.
Wat kun jij hiermee?
Als je zelf moeite hebt met slapen, hoeft hulp dus niet ver weg te zijn. Een digitale interventie kan al verschil maken — en dat zonder wachtlijst of extra kosten. Zoek naar apps of online trainingen die wetenschappelijk onderbouwd zijn (zoals gebaseerd op CBT-i), en geef jezelf een paar weken de tijd om ermee aan de slag te gaan.
Misschien wel het belangrijkste inzicht: goed slapen is te trainen. Niet met een pil, maar met kennis, oefening en een beetje digitale hulp.
In deze gerandomiseerde gecontroleerde studie (Wellauer et al 2025) met 30 vrouwen (leeftijd 18 tot 35 jaar) bleek dat noch onderdompeling in koud water, noch onderdompeling in warm water na het sporten leidde tot minder spierpijn of betere spierherstel in de dagen erna.
Belangrijkste studiekenmerken
De deelnemers voerden 5 sets van 20 drop jumps uit.
Daarna werden ze gedurende 10 minuten ondergedompeld in:
- Koud water (10°C),
- Warm water (50°C), of
- Geen water (controlegroep).
Zowel de koude als de warme onderdompeling hadden geen duidelijk effect op spierpijn of spierherstel, gemeten via maximale vrijwillige isometrische contractie, op 24, 48 en 72 uur na de inspanning.
Koude onderdompeling had geen effect op biomarkers voor spierschade (creatinekinase) of spierontsteking (spierzwelling). Warme onderdompeling verhoogde deze markers licht op enkele tijdspunten.
Onze conclusie
Hoewel sommige studies suggereren dat koude onderdompeling spierpijn na inspanning kan verminderen, is dit geen consistent bevinding. Dat komt omdat pijn en (spier)schade geen een of een relatie met elkaar hebben.
In deze meta-analyse (Tessier AJ et al 2025) van twee prospectieve cohortstudies bleek dat een hogere naleving van diverse gezonde voedingspatronen samenhing met betere kansen op gezond ouder worden. Deze diëten stimuleren doorgaans de consumptie van fruit, groenten en volle granen, en beperken rood vlees en met suiker gezoete dranken.
Belangrijkste studiekenmerken
De gegevens zijn afkomstig uit de Nurses’ Health Study en de Health Professionals Follow-up Study, samen goed voor 105.015 deelnemers. Onderzoekers onderzochten de relatie tussen gezond ouder worden en de mate van naleving van acht voedingspatronen:
- Alternative Healthy Eating Index (AHEI)
- Alternative Mediterranean Index (aMED)
- Dietary Approaches to Stop Hypertension (DASH)
- Mediterranean-DASH Intervention for Neurodegenerative Delay (MIND)
- Healthful Plant-Based Diet Index (hPDI)
- Planetary Health Diet Index (PHDI)
- Reverse Empirically Inflammatory Dietary Pattern (rEDIP)
- Reverse Empirical Dietary Index for Hyperinsulinemia (rEDIH)
Daarnaast werd de relatie tussen consumptie van ultrabewerkt voedsel en gezond ouder worden onderzocht.

Wat betekent 'gezond ouder worden'?
Gezond ouder worden werd gedefinieerd als het bereiken van de leeftijd van 70 zonder chronische ziekten of cognitieve, fysieke of mentale beperkingen. In de analyse werden ook de 11 belangrijkste doodsoorzaken in de VS meegenomen.
Resultaten na een opvolgperiode van maximaal 30 jaar
Een hogere naleving (in vergelijking met de laagste naleving) van alle voedingspatronen ging gepaard met grotere kansen op gezond ouder worden. De sterkte van de associaties was als volgt:
- AHEI: +86%
- rEDIH: +80%
- aMED: +70%
- DASH: +69%
- PHDI: +68%
- MIND: +60%
- rEDIP: +58%
- hPDI: +45%
Hoge inname van ultrabewerkt voedsel ging gepaard met 32% lagere kans op gezond ouder worden.
Het grotere plaatje
Alle onderzochte voedingspatronen lieten gunstige effecten zien en vertonen duidelijke overeenkomsten: nadruk op fruit, groenten, volle granen, noten en peulvruchten, en beperking van rood vlees en ultrabewerkt voedsel.
Tegelijk zijn er ook verschillen:
- DASH legt nadruk op natriumbeperking.
- Mediterraan dieet benadrukt olijfolie en vis.
- PHDI houdt rekening met broeikasgasuitstoot.
- MIND focust extra op bessen en donkergroene bladgroenten.
Dieper inzicht: Welke voedingsfactoren helpen?
Uit nadere analyses bleek dat meer fruit, onverzadigd vet, volle granen, groenten en noten gepaard gingen met een grotere kans op gezond ouder worden.
Tegelijkertijd gingen meer transvet, vlees, verzadigd vet (zoals boter en margarine), en suikerhoudende dranken gepaard met een lagere kans op gezond ouder worden.
Een voorbeeld: alleen de AHEI kent strafpunten toe voor transvet (dat de sterkste negatieve associatie had) en beloningen voor meervoudig onverzadigd vet (dat positief geassocieerd was). AHEI en DASH zijn ook de enige die natriuminname bestraffen.
Ook rEDIH had een sterke associatie met gezond ouder worden. Deze index kijkt naar de mate waarin een dieet de insulineproductie stimuleert, op basis van C-peptidewaarden. Voedingsmiddelen zoals rood vlees, boter en friet verhogen de score; fruit, bladgroenten, koffie en wijn verlagen deze. In deze studie werd het scoresysteem omgekeerd: een hogere score stond nu voor een gezonder patroon.
rEDIH was uniek omdat het negatief werd beïnvloed door onder andere kip, friet, roomsoepen, boter en eieren, en positief door volle zuivel, een verschil met andere patronen.

Beperkingen en bevestiging uit andere landen
De deelnemers waren voornamelijk vrouwelijke verpleegkundigen en mannelijke gezondheidsprofessionals uit de VS, wat de algemene toepasbaarheid beperkt.
Toch vonden studies uit China, Australië, Frankrijk en Israël vergelijkbare resultaten: gezonde plantaardige voedingspatronen verhogen de kans op gezond ouder worden.
Waarom zijn plantaardige diëten zo effectief?
Plantaardige diëten:
- Verminderen ontsteking en oxidatieve stress, o.a. dankzij polyfenolen.
- Verlagen het risico op hart- en vaatziekten door verbetering van de vaatfunctie en het vetprofiel.
- Zijn rijk aan vezels en onverzadigd vet, en arm aan verzadigd/transvet.
- Verbeteren bloeddruk, vetwaarden en insulinegevoeligheid.
- Helpen bij gewichtsbeheersing, o.a. door lage energiedichtheid en verzadigend effect van vezels.
Onze conclusie
De twee studies zijn methodologisch sterk: grote steekproef, lange follow-up, frequente dieetmetingen (elke 4 jaar) en correctie voor veel confounders (zoals gewicht, rookstatus, lichamelijke activiteit, burgerlijke staat, menopauzestatus, familiegeschiedenis).
De bevindingen sluiten aan bij onderzoek wereldwijd: hoe gezonder en plantaardiger het dieet, hoe groter de kans op een gezond en vitaal ouderdom.
De beperkingen zijn natuurlijk dat dit observaties zijn die ons niet vertellen of men op andere vlakken ook gezonder leeft. Zo weten we dat mensen die veel ultrabewerkt eten, ook vaker omkomen door ongevallen.
#hashtags
#gezondouderworden #plantaardigdieet #voedingspatronen #langlevendieet #chronischeziekten #veroudering #gezondheidsbevordering #dieetonderzoek #preventievegezondheid #meta-analyse
Het evolutieperspectief en de mismatchhypothese zijn waardevolle denkkaders, maar ook gevoelig voor 'just-so stories' — precies waar evolutionaire psychologen hun slechte reputatie aan te danken hebben. Dit opiniestuk van endocrinoloog Martijn Brouwers is één lang en voor mij ondraaglijke just so story:
De mismatchhypothese stelt dat onze genen zijn afgestemd op een oude omgeving, en dat moderne ziektes ontstaan doordat we daar niet meer naar leven. Maar die redenering staat of valt met aannames over het verleden.
Claim 1: Zoetigheid was schaars in de oertijd
Dat klopt niet. Er zijn talloze eetbare zoetigheden die jaarrond beschikbaar zijn in Afrika. Als de out-of-Africa-theorie klopt, dan eten we al heel lang zoet middels honderden wilde vruchten waarover je hier kunt lezen.
Claim 2: Neanderthalers aten weinig zoet
Hoewel ze weinig cariës hadden, blijkt uit tandsteenanalyse dat mediterrane Neanderthalers wél suikerrijke dadels aten — het hele jaar door (Soltysiak A 2012). Dadels bestaan voor 75–80% uit suiker (drooggewicht).
Waarom dan geen gaatjes? Mogelijk ontbraken cariogene bacteriën zoals Streptococcus mutans nog in hun mondflora. Als je dan toch de evolutietheorie aanhaalt, pas die dan ook toe op bacteriën. Dat zou de lage cariësfrequentie beter verklaren dan dieet alleen. Een just-so verklaring, maar wel een onderbouwde.
Claim 3: Geen zoet in de winter
Onjuist. Traditionele volkeren zoals de Inuit gebruiken al duizenden jaren slimme technieken. Zo fermenteren ze bessen in zeeleeuwenhuid. Zelfs in de winter halen ze 30–40% van hun energie uit koolhydraten, zo kun je lezen in dit boek.
Claim 4: Fructose maakt ons vet via DNL
Fructose wordt maar in beperkte mate omgezet naar vet via de novo lipogenese (DNL), en vooral naar palmitinezuur. Maar vetweefsel bevat grotendeels oliezuur — dat krijg je gewoon direct via voeding binnen. Als DNL ons overlevingsmechanisme was, waren we allang uitgestorven.
Nog meer just so fantasie
Ook andere artsen doen aan mismatchclaims, zoals endocrinoloog Hanno Pijl, die zelfs een weinig zinvolle meta-analyse publiceerde, zoals je kunt lezen op het Chivo artikel 'Paleo perikelen 6: De meta-analyse'
Dit soort just so stories kun je boeken mee vullen, maar met waarheidsvinding hebben ze weinig te maken en ze helpen al helemaal niet om problemen op te lossen.
Iedereen weet dat roken slecht is. Toch lukt het de meeste mensen niet om zomaar te stoppen. Ook niet als ze écht gemotiveerd zijn. Wat werkt dan wél? Een bijzondere studie van Williams en collega’s (2016) laat zien dat stoppen met roken meer vraagt dan wilskracht of nicotinepleisters. Het vraagt om iets fundamentelers: het vervullen van je psychologische basisbehoeften.
🧠 De psychologie achter gedragsverandering
De onderzoekers baseerden hun aanpak op de zelfdeterminatietheorie (ZDT), een bekende motivatietheorie uit de psychologie. Volgens deze theorie zijn mensen van nature gemotiveerd om gezonder te leven, maar alleen als drie basisbehoeften worden vervuld:
- Autonomie: je het gevoel geven dat je zélf kiest
- Competentie: je bekwaam voelen om iets te kunnen
- Verbondenheid: steun en erkenning ervaren van anderen
Veel traditionele rookstopprogramma’s focussen op regels, verplichtingen en discipline. Maar volgens de ZDT werkt dat averechts. Duurzame gedragsverandering komt van binnenuit – en dat bereik je alleen als mensen zich gehoord, bekwaam en vrij voelen.
🧪 Wat onderzocht Williams precies?
De studie, uitgevoerd tussen 2004 en 2008, was een zogeheten pragmatische effectiviteitsstudie. Dat betekent dat het onderzoek zo realistisch mogelijk werd opgezet: met gewone deelnemers uit de samenleving, inclusief mensen met weinig motivatie of psychische klachten.
Rokers werden willekeurig verdeeld over drie groepen:
- Intensive Treatment (IT) – een standaardprogramma van zes contacten over zes maanden
- Extended Need Support (ENS) – hetzelfde programma, maar uitgebreid tot twaalf maanden en met extra ondersteuning van een belangrijke ander (zoals een partner of vriend)
- Harm Reduction (HR) – ook twaalf maanden, maar met focus op het halveren van roken + medicatie voor wie nog niet wilde stoppen
Het bijzondere: deelnemers mochten meedoen ook als ze níet wilden stoppen. In de twee nieuwe groepen (ENS en HR) werd hen expliciet de ruimte gegeven om zélf hun tempo en doelen te bepalen.
📊 Wat waren de resultaten?
De uitkomsten waren veelzeggend – en ook confronterend.
✔ Bij deelnemers die het programma afmaakten:
- 15.7% (ENS) en 13.6% (HR) waren na 12 maanden volledig gestopt met roken
- Ter vergelijking: in de IT-groep was dat slechts 3.8%
Deze cijfers zijn vergelijkbaar met de beste intensieve rookstopprogramma’s die vandaag de dag bestaan. De combinatie van autonomie-ondersteuning, sociale betrokkenheid en bekwaamheidsgevoel lijkt dus krachtig te werken – mits mensen blijven deelnemen.
❌ Maar in de volledige groep (inclusief uitvallers):
- De percentages lagen schokkend laag: 4.7% (ENS), 3.9% (HR), 4.7% (IT)
Dat komt omdat meer dan de helft van de deelnemers voortijdig afhaakte. In de analyse werd iedereen die stopte met deelname automatisch als ‘niet gestopt’ meegeteld. Hierdoor zakken de resultaten onder zelfs het gemiddelde van zelfhulp- of folderinterventies (die doorgaans 6–8% scoren).
💡 Wat werkte écht?
De onderzoekers keken verder dan alleen ‘wel of niet gestopt’. Ze vroegen zich af: wat voorspelt nu wie wél stopt?
Het antwoord: ervaren competentie.
Niet medicatiegebruik. Niet het aantal gesprekken. Niet eens motivatie op zichzelf.
Maar het geloof in eigen kunnen – het gevoel: ik kán dit – was de beste voorspeller van langdurige abstinentie.
Daaruit volgt een belangrijke les: zelfvertrouwen opbouwen is effectiever dan druk uitoefenen.
🤝 De rol van de omgeving
Een uniek onderdeel van de ENS-groep was dat deelnemers een ‘belangrijke ander’ meenamen naar een sessie. Deze persoon leerde hoe je iemand kunt steunen zónder te pushen. Denk aan: vragen stellen, ruimte geven, waarderen wat iemand al probeert – in plaats van kritiek leveren of controleren.
Deze sociale steun droeg bij aan meer verbondenheid, en dat versterkt volgens de ZDT weer het vermogen om te volharden in moeilijke gedragsveranderingen.
🧭 Wat betekent dit voor de praktijk?
Deze studie toont aan dat stoppen met roken geen kwestie is van discipline alleen. Wie wil helpen, moet ruimte bieden voor autonomie, zelfvertrouwen versterken en de juiste steun organiseren.
Dat vraagt om een omslag in denken:
- Niet: “Je moet echt stoppen, het is ongezond!”
- Maar: “Wat zou voor jou nu haalbaar voelen? Waar voel je je goed bij? Hoe kan ik je helpen zonder druk?”
Ook beleidsmakers doen er goed aan om programma’s niet alleen af te rekenen op deelnamecijfers, maar ook te investeren in duurzame ondersteuning en individuele maatwerktrajecten.
🚀 Tot slot
Stoppen met roken is geen lineair proces. Het is een zoektocht naar motivatie, mogelijkheden en betekenis. Williams en collega’s laten zien dat programma’s die uitgaan van vrijheid, bekwaamheid en verbondenheid niet alleen menselijker zijn, maar óók effectiever – voor wie de reis durft vol te maken.
In onderzoek naar obesitasinterventies is het gebruikelijk om succes te definiëren als het verliezen van minstens 5% van het lichaamsgewicht. Maar hoe is die drempel ontstaan? En is die wel haalbaar en zinvol voor mensen met obesitas?
Een recente scoping review door Sherifali en collega’s (2025) brengt 30 studies in kaart die expliciet procentueel gewichtsverlies als doel gebruikten. De meeste interventies mikten op 5 tot 10% gewichtsverlies, vaak binnen een initiële periode van 12 weken. De succespercentages varieerden sterk: van slechts 5,9% (Jensen et al., 6 weken) tot 85% (een farmacologische studie). Feitelijk zijn er slechts 7 van de 30 studies waarvan tenminste 50 procent van de deelnemers het doel behaalde.
De kritiek op het gebruik van procentuele gewichtsverliesdoelen – zoals dat ze stigmatiserend of onrealistisch zijn – is inhoudelijk verdedigbaar. Er is geen analyse van terugval, duurzaamheid of alternatieve succesmaten.
Wat stellen de auteurs dan voor als alternatief? Ze pleiten voor patiëntgerichte zorg: doelen die samen met mensen worden opgesteld, gericht op kwaliteit van leven, mentale gezondheid, mobiliteit of zelfregie. Gewicht kan daarbij een factor zijn, maar niet het centrale criterium. Ze verwijzen naar richtlijnen van WHO, ICHOM en EASO die gezondheid breder definiëren dan lichaamsgewicht.
De kernboodschap is duidelijk: als we obesitas willen aanpakken als chronische aandoening, moeten we af van standaardtargets als “5% in 12 weken” en toe naar een bredere, inclusieve visie op gezondheid. Een prima advies, dat wij in 2017 ook hebben beschreven aangezien wij de literatuur goed bijhouden en de praktijk kennen. Onze volledige argumentatie tref je hier.
Wij hebben daarnaast in 2019 ook nog eens beschreven wat we vinden van de GLI en toen ook gepleit voor dit advies.
Misschien dat men ook nog eens in gaat zien dat maatregelen die ongelijkheid vergroten zoals accijnzen ook eens vervangen moeten worden. Wie weet?
Eind jaren negentig werden wereldwijd een aantal ontwikkelingen geconstateerd die mogelijk met elkaar samenhangen, namelijk:
- De oogkwaliteit nam af, in sommige landen zelfs epidemisch.
- De psychische gezondheid van jongeren verslechterde.
Die relatie waar we op doelen verliep duidelijk niet via de mobiele telefoon of sociale media. In The Guardian staat daar een goed leesbaar artikel over:
- Oogkwaliteit
De landen waar de oogkwaliteit het sterkst afnam, waren Singapore, Taiwan en Korea. Zij kwamen met een hypothese en voerden verschillende experimenten uit. Taiwan introduceerde daarop in 2010 het Tian-Tian 120-programma: een richtlijn voor scholen om kinderen dagelijks twee uur naar buiten te laten gaan. In 2015 werd voor het eerst in dertig jaar een landelijke daling in bijziendheid vastgesteld. Een nieuwe studie, die binnenkort wordt gepubliceerd en tien jaar aan data bevat, bevestigt dat deze trend zich voortzet.
Het begon bij basisschoolkinderen en werd uitgebreid naar peuters, waar dezelfde positieve effecten zijn gevonden. Inmiddels bestaan er diverse initiatieven voor het middelbaar onderwijs, maar deze stuiten op weerstand — vooral van ouders.
- Onderwijsstresshypothese
Eind jaren negentig stelde Peter West in longitudinaal onderzoek vast dat de stress onder jongeren toenam naarmate maatschappelijke kansen sterker afhankelijk werden van onderwijsprestaties. West suggereerde dat jongens en meisjes verschillend omgaan met schoolstress:
👉 Meisjes internaliseren de stress vaker → ze ontwikkelen eerder angst, perfectionisme of somatische klachten.
👉 Jongens externaliseren vaker → ze vertonen vaker terugtrekgedrag, motivatieverlies of gedragsproblemen.
Een data-analyse van het Europese HBSC-jongerenonderzoek (2004–2014) bevestigt eveneens dat de stress in relatie tot onderwijs toeneemt (Hogberg B 2021).
Dit wordt ook genoemd in verschillende rapporten, waaronder die van het Trimbos-instituut en Regionale Kenniswerkplaats Jeugd en Gezin Centraal. Wij signaleren het eveneens in de praktijk, waarbij mobiel telefoongebruik vaak functioneert als een copingsmechanisme.
De weerstand van Taiwanese ouders tegen het idee om kinderen minder hard te laten studeren, komt voort uit de angst voor een negatief effect op hun maatschappelijke kansen.
Richting?
Bij elkaar suggereert het dat we oplossingen elders moeten zoeken, in plaats van jongeren weg te zetten als ‘sneeuwvlokjes’ die lijden onder ‘curlingouders’, of te blijven strijden in een 'rage against the machine'. Daarmee pleit ik de industrie niet vrij, maar ik laat verontwaardiging niet in de weg staan van het zoeken naar effectieve oplossingen.
Er is geen bewijs dat een verbod (bijvoorbeeld op schermen of sociale media) tot een oplossing leidt — er is wél bewijs tégen. Er zijn ook aanwijzingen dat andere richtingen vruchtbaarder zijn. Ik stel voor dat we dáár onze energie in steken.
Korte samenvatting
Uit een overzichtsstudie (Karimi M et al 2025) van 31 onderzoeken blijkt dat vrouwen die zich beter aan het Mediterrane dieet houden, mogelijk een lager risico op borstkanker hebben — gemiddeld zo’n 13% lager. Maar het bewijs is niet eenduidig en roept vragen op.
Wat is onderzocht?
In deze meta-analyse (een type onderzoek dat resultaten van eerdere studies samenvoegt) bekeken wetenschappers 31 observatiestudies over het verband tussen voeding en borstkanker. Het ging om:
- 12 cohortstudies (waarbij mensen over een langere tijd gevolgd worden)
- 19 case-controlstudies (waarbij mensen met borstkanker worden vergeleken met gezonde mensen)
De centrale vraag: hebben vrouwen die een Mediterrane levensstijl volgen minder kans op borstkanker?
Wat is het Mediterrane dieet?
Het Mediterrane dieet is gebaseerd op traditionele eetpatronen uit landen rond de Middellandse Zee, zoals Griekenland en Italië. Het bestaat vooral uit:
- Veel groente, fruit, peulvruchten, noten en volkorenproducten
- Olijfolie als belangrijkste vetbron
- Matige hoeveelheden vis en gevogelte
- Weinig rood vlees en bewerkte producten
- Soms een glas rode wijn bij het eten
Dit eetpatroon wordt al langer in verband gebracht met een betere hartgezondheid en een lager risico op chronische ziekten.
Wat vonden de onderzoekers?
Gemiddeld hadden vrouwen die zich goed aan het Mediterrane dieet hielden een 13% lager risico op borstkanker. Maar dit cijfer moet met voorzichtigheid worden geïnterpreteerd.
- Alleen postmenopauzale vrouwen leken baat te hebben — bij premenopauzale vrouwen werd geen duidelijk verband gevonden.
- Alleen in case-controlstudies werd een duidelijk verband gezien. In de cohortstudies (die doorgaans betrouwbaarder zijn) was het effect afwezig.
- Het beschermende effect werd alleen gevonden in studies uit Europa en Azië, niet in Noord-Amerika. Mogelijk komt dit doordat mensen daar het Mediterrane dieet anders interpreteren of toepassen.
Hoe betrouwbaar is dit?
Hoewel het idee aantrekkelijk is, zijn er belangrijke kanttekeningen:
- Er is veel variatie tussen de studies (zogenaamde 'heterogeniteit'), wat het moeilijk maakt om één heldere conclusie te trekken.
- Observatiestudies kunnen geen oorzaak-gevolgrelatie aantonen. Ze laten alleen verbanden zien.
- Het feit dat alleen de minder betrouwbare case-controlstudies een duidelijk effect vonden, maakt het bewijs zwak.
Conclusie voor de lezer
Hoewel deze studie suggereert dat het Mediterrane dieet mogelijk samenhangt met een lager risico op borstkanker (vooral bij vrouwen na de overgang), is het bewijs nog niet sterk genoeg om harde conclusies te trekken. Toch zijn er genoeg andere redenen om dit dieet te omarmen — het is voedzaam, gevarieerd en goed voor hart en vaten.
Of het nu tegen borstkanker beschermt of niet, het Mediterrane dieet is een gezonde keuze. Maar wie echt wil weten wat helpt om borstkanker te voorkomen, doet er goed aan ook te letten op andere bekende risicofactoren zoals lichaamsgewicht, alcoholgebruik en lichaamsbeweging.
