Stress en myopie vanaf de jaren negentig
Eind jaren negentig werden wereldwijd een aantal ontwikkelingen geconstateerd die mogelijk met elkaar samenhangen, namelijk:
- De oogkwaliteit nam af, in sommige landen zelfs epidemisch.
- De psychische gezondheid van jongeren verslechterde.
Die relatie waar we op doelen verliep duidelijk niet via de mobiele telefoon of sociale media. In The Guardian staat daar een goed leesbaar artikel over:
- Oogkwaliteit
De landen waar de oogkwaliteit het sterkst afnam, waren Singapore, Taiwan en Korea. Zij kwamen met een hypothese en voerden verschillende experimenten uit. Taiwan introduceerde daarop in 2010 het Tian-Tian 120-programma: een richtlijn voor scholen om kinderen dagelijks twee uur naar buiten te laten gaan. In 2015 werd voor het eerst in dertig jaar een landelijke daling in bijziendheid vastgesteld. Een nieuwe studie, die binnenkort wordt gepubliceerd en tien jaar aan data bevat, bevestigt dat deze trend zich voortzet.
Het begon bij basisschoolkinderen en werd uitgebreid naar peuters, waar dezelfde positieve effecten zijn gevonden. Inmiddels bestaan er diverse initiatieven voor het middelbaar onderwijs, maar deze stuiten op weerstand — vooral van ouders.
- Onderwijsstresshypothese
Eind jaren negentig stelde Peter West in longitudinaal onderzoek vast dat de stress onder jongeren toenam naarmate maatschappelijke kansen sterker afhankelijk werden van onderwijsprestaties. West suggereerde dat jongens en meisjes verschillend omgaan met schoolstress:
👉 Meisjes internaliseren de stress vaker → ze ontwikkelen eerder angst, perfectionisme of somatische klachten.
👉 Jongens externaliseren vaker → ze vertonen vaker terugtrekgedrag, motivatieverlies of gedragsproblemen.
Een data-analyse van het Europese HBSC-jongerenonderzoek (2004–2014) bevestigt eveneens dat de stress in relatie tot onderwijs toeneemt (Hogberg B 2021).
Dit wordt ook genoemd in verschillende rapporten, waaronder die van het Trimbos-instituut en Regionale Kenniswerkplaats Jeugd en Gezin Centraal. Wij signaleren het eveneens in de praktijk, waarbij mobiel telefoongebruik vaak functioneert als een copingsmechanisme.
De weerstand van Taiwanese ouders tegen het idee om kinderen minder hard te laten studeren, komt voort uit de angst voor een negatief effect op hun maatschappelijke kansen.
Richting?
Bij elkaar suggereert het dat we oplossingen elders moeten zoeken, in plaats van jongeren weg te zetten als ‘sneeuwvlokjes’ die lijden onder ‘curlingouders’, of te blijven strijden in een 'rage against the machine'. Daarmee pleit ik de industrie niet vrij, maar ik laat verontwaardiging niet in de weg staan van het zoeken naar effectieve oplossingen.
Er is geen bewijs dat een verbod (bijvoorbeeld op schermen of sociale media) tot een oplossing leidt — er is wél bewijs tégen. Er zijn ook aanwijzingen dat andere richtingen vruchtbaarder zijn. Ik stel voor dat we dáár onze energie in steken.
