Skip to main content

Herken je dat? Vol enthousiasme beginnen in de sportschool, maar na een paar maanden afhaken omdat de resultaten uitblijven. Je bent zeker niet de enige. Wetenschap bevestigt nu wat we eigenlijk al wisten: goede begeleiding is de sleutel tot succes.

Wat zegt het onderzoek?

In een studie (Coleman, et al 2023) werden 45 getrainde sporters verdeeld over twee groepen. Beiden volgden 8 weken krachttraining tot spierfalen. Het verschil? Één groep trainde solo, de andere kreeg bij elke sessie persoonlijke begeleiding: technische correcties en motivatie.

De resultaten spreken boekdelen:

• Meer spiergroei: De begeleide groep groeide significant meer in vetvrije massa, triceps en quadriceps • Meer kracht: Vooral de squat-winst was duidelijk groter mét begeleiding
• Minder afvallers: 16% stopte zonder begeleiding, slechts 4% mét begeleiding

Waarom werkt dit?

  1. Hawthorne-effect: Je presteert beter als iemand je observeert
  2. Techniek: Directe feedback zorgt voor betere spieractivatie per oefening
  3. Verantwoordelijkheid: Een trainer is dé ultieme stok achter de deur

Praktische les

Investeer in kwalitatieve begeleiding – niet de eerste de beste goedkoopste trainer. Combineer dit met voedingsadvies voor optimaal effect. En onderschat de kracht van goede nachtrust niet, want "training is koning, voeding is koningin, en slaap is een imperium".

Conclusie: Een personal trainer is geen luxe, maar een slimme investering in je resultaten en motivatie. Voor sportscholen betekent dit hogere klantretentie, voor jou welhaalbare doelen en een fitter leven.

Meer over het onderwerp kun je leren in onze opleiding PT Essentials

Krachttraining effectiever met begeleiding

Als ik het politieke debat op RTL goed heb beluisterd, moeten de zorgkosten omlaag en doen we dat door te focussen op preventie. We weten echter dat als preventie werkt, mensen langer leven en de zorgkosten stijgen. Dat vind ik een weinig zinvol economisch argument.

Kosten of inkomsten

Dat betekent niet dat we tegen preventie zijn. In de zorg moeten we het dan wel over de inkomstenkant hebben: preventie zou moeten leiden tot hogere arbeidsproductiviteit. Snellere toegang tot de ggz kan de terugkeer naar werk versnellen, zo suggereert de literatuur (Clark 2009, Goorden 2015)

Het CPB rekent deze koppeling niet door, en daarom landen baten niet automatisch in budgettaire tabellen. Bedrijven zouden dit wél kunnen modelleren, maar voeren zelden concreet beleid.

Bedrijven hebben geen preventiebeleid

Een recent voorbeeld: een geclusterde RCT in vier organisaties (onderwijs, verzekering/belasting/advies, retail) met metingen op 6 en 12 maanden.
Eerste bevinding: deelnemers scoorden al hoog op de SLIQ (gezonde leefstijl). Het primaire eindpunt bewoog geen millimeter. Zulke programma’s trekken vooral mensen aan die gezondheid al belangrijk vinden—een minderheid. Hier was de respons 12,8%.

Secundaire uitkomsten:

👉 Suikerhoudende dranken: significant méér consumptie in de interventiegroep (OR = 2,9 na 12 maanden).
👉 Fysieke activiteit: geen effect.
👉 Snacks (groot/klein): geen effect.
👉 Mentale balans: geen effect.
👉 Slaap: geen effect.
👉 Roken: niet geanalyseerd.
👉 Alcohol: geen effect.

Nergens een effect, behalve bij suikerhoudende dranken. De leefstijlgroep had 2,9× meer kans om gesuikerde dranken te nuttigen. Dat kan een misclassificatie zijn, maar toch.

De deelnemende bedrijven werden niet begeleid en voerden vooral eenvoudig te implementeren faciliteiten door. Er werd niets gemeten over motivatie, rechtvaardigheid, enzovoort. Dat leefstijlinterventies mechanistisch kunnen werken, wordt niet betwist, maar dat maakt ze nog niet (kosten)effectief. We weten sinds de adherence-studie (2009) dat het beste dieet vooral het dieet is dat je kunt volhouden.

Gezondheid is geen psychologische basisbehoefte

Als wij voor leefstijl binnen een organisatie worden gevraagd, komen we met een alternatief voorstel. We sturen op motivatie, welbevinden en prestatie, en daarmee op psychologische basisbehoeften (PBB). Regel 1: Gezondheid is géén PBB! Laat dat los, het is kansloos! Waar PBB bevredigd zijn, tref je minder depressie/burn-out, ongeacht inkomen (zie europlot). Dat is je psychomarker!

Motivatie, welbevinden en prestatie

Daarnaast inventariseren we waarden van deelnemers, omdat waarden persoonlijke routes naar doelen zijn. We zijn duidelijk in verwachtingen: ben je bereid eigen tijd te investeren, bijvoorbeeld een uur per dag? Wie “ja” zegt tegen dit traject, zegt “nee” tegen iets anders. Daarom vragen we ook: ben je goed in nee zeggen? En dan komen we bij die PBB.

Goed preventiebeleid gaat er vanuit de gezondheid géén psychologische basisbehoefte is en monitort op inkomsten, dus productiviteitsverbetering!

Gezondheidspreventie loont

Kunstmatige zoetstoffen hebben niet altijd een goede reputatie. Ze zouden dikmakend zijn, maar ook de darmflora verstoren. Daarom was een experiment noodzakelijk om dit te toetsen (Pang 2025)

Het onderzoek

In dit onderzoek volgden 341 volwassenen en 38 kinderen met overgewicht of obesitas een speciaal dieetprogramma van één jaar. Alle volwassenen begonnen met twee maanden een streng, energiebeperkt dieet om minstens 5% van hun lichaamsgewicht te verliezen. Daarna werden ze willekeurig ingedeeld in twee groepen die beide een gezond, vrij ad libitum (dus niet streng beperkt) dieet volgden met minder dan 10% van de energie uit toegevoegde suikers. Het enige verschil: de ene groep mocht suikerrijke producten vervangen door producten met zoetstoffen en zoetheidsversterkers (zoals aspartaam, stevia, erytritol of sucralose), terwijl de andere groep dat niet mocht. Kinderen volgden een vergelijkbaar schema gericht op gewichtsstabilisatie in plaats van gewichtsverlies. De onderzoekers maten na 6 en 12 maanden veranderingen in gewicht, buikvet, bloedwaarden (zoals cholesterol en bloedsuiker), darmbacteriën en eventuele bijwerkingen.

Om te controleren of deelnemers zich aan het dieet hielden, gebruikten de onderzoekers zowel voedingsdagboeken als objectieve urine-analyses: in de urine werd gekeken of er sporen van zoetstoffen aanwezig waren. Bij een deelgroep van de volwassenen werd bovendien de samenstelling van de darmmicrobiota onderzocht via fecesmonsters, waarbij moderne DNA-technieken (16S rRNA-sequencing) lieten zien welke bacteriën aanwezig waren. Het onderzoek vond plaats in vier Europese landen (Nederland, Denemarken, Spanje en Griekenland), wat de resultaten betrouwbaarder maakt voor een brede westerse populatie. Hoewel het onderzoek tijdens de coronapandemie liep – wat leidde tot een vrij hoog uitvalpercentage – gebruikten de onderzoekers geavanceerde statistische methoden om de resultaten zo betrouwbaar mogelijk te houden.

Resultaat

Na één jaar bleken volwassenen met overgewicht of obesitas die suiker vervangen door zoetstoffen en zoetheidsversterkers (S&SEs) binnen een gezond, suikerverminderd dieet gemiddeld 1,6 kg meer gewichtsverlies te behouden dan de controlegroep die geen S&SEs gebruikte (P = 0,029), met een nog groter effect (3,7 kg) bij hoge naleving. Bovendien vertoonde de S&SEs-groep gunstige veranderingen in de darmmicrobiota, met een toename van bacteriën die korte-keten vetzuren (SCFA) en methaan produceren—waaronder Megasphaera, Prevotella en Methanolobus—wat mogelijk bijdroeg aan betere verzadiging en energieverbruik. Er werden geen nadelige effecten gevonden op cardiometabole markers zoals bloedsuiker, cholesterol of levervet, en bij kinderen bleken de groepen niet van elkaar te verschillen. Wel rapporteerde de S&SEs-groep vaker gastro-intestinale klachten zoals buikpijn, winderigheid en losse ontlasting, mogelijk gerelateerd aan methaanproductie of osmotische effecten van bepaalde zoetstoffen.

Conclusie

Langdurig gebruik van zoetstoffen en zoetheidsversterkers (S&SEs) in een gezond, suikerverminderd dieet veilig is en kan bijdragen aan beter gewichtsbehoud bij volwassenen met overgewicht of obesitas, zonder nadelige effecten op cardiometabole gezondheid.

Zoetstoffen zijn niet ongezond voor darmflora

Over het algemeen wordt aanvaard dat meer plantaardig voedsel beter zou zijn voor mens, dier en planeet. Dat lukt helaas nog niet echt en onderzoekers (Linder 2026) wilde daarom weten wat mensen ervan weerhoudt.

Het onderzoek

Voor dit onderzoek werd in juli 2024 een landelijke enquête gehouden onder bijna 1.000 Zweedse consumenten, geselecteerd via een professioneel webpanel om een representatief beeld te krijgen van de Zweedse bevolking. Deelnemers beantwoordden vragen over hun eetgewoonten, houding ten opzichte van vlees en plantaardige producten, milieubewustzijn, gewoonten, sociale normen en demografische gegevens zoals leeftijd, geslacht en opleidingsniveau. Mensen die vegetariër, veganist of pescetariër waren, werden uit de analyse gehaald, zodat het onderzoek zich kon richten op mensen die wel vlees eten maar misschien minder willen.

Om vleesconsumptie te meten, gebruikten de onderzoekers een aangepaste versie van een wetenschappelijk gevalideerde vragenlijst over voedingspatronen. Daarmee werd een “vleesindex” gemaakt op basis van hoe vaak deelnemers vlees aten bij ontbijt, lunch en diner. Ook werd gevraagd hoe sterk hun intentie was om minder vlees te eten, en of ze zichzelf als “flexitariër” beschouwden (iemand die bewust minder vlees eet). Met statistische modellen werd vervolgens onderzocht welke factoren de intentie om minder vlees te eten beïnvloeden, of mensen met die intentie daadwerkelijk minder vlees eten, en wat hen toch blijft doen vasthouden aan vlees – ondanks hun goede voornemens.

Resultaten

De resultaten van het onderzoek laten zien dat attitudes – zowel ten opzichte van vlees (β = –0.32) als ten opzichte van plantaardige eiwitten (β = +0.35) – de sterkste voorspellers zijn van de intentie om minder vlees te eten; daarnaast spelen milieuzelfidentiteit (β = 0.13), geslacht (vrouwen rapporteren vaker intentie; β = 0.08) en het ervaren gemak van koken met plantaardige producten (β = 0.09) een kleinere maar significante rol.

Toch blijkt dat mensen met een sterke intentie om minder vlees te eten nauwelijks minder vlees consumeren dan mensen zonder die intentie: het verschil is statistisch significant maar praktisch verwaarloosbaar klein (Cohen’s d = 0.15). Bij mensen met die goede voornemens blijken slechts twee factoren hun blijvende vleesconsumptie te verklaren: vleesgewoonten (β = 0.33) en een positieve houding ten opzichte van vlees (β = 0.17). Andere factoren die wel de intentie beïnvloeden – zoals milieubewustzijn of houding ten opzichte van plantaardige alternatieven – hebben geen meetbare invloed meer op het daadwerkelijke gedrag. Dit benadrukt dat gewoonten en smaakvoorkeuren cruciale psychologische barrières vormen die het vertalen van intenties naar gedrag belemmeren.

Tips

Op basis van het onderzoek van Linder, Lindahl & Wijermans (2026) hieronder praktische, wetenschappelijk onderbouwde tips om de intentie-gedragskloof bij vleesvermindering te overbruggen. Deze tips zijn vooral bedoeld voor professionals die anderen begeleiden (zoals diëtisten, leefstijlcoaches, duurzaamheidsadviseurs), maar zijn ook bruikbaar voor iedereen die bewuster wil eten.


1. Richt je niet alleen op “waarom”, maar vooral op “hoe”

Mensen weten vaak al waarom ze minder vlees willen eten (milieu, gezondheid, dierenwelzijn). Maar dat leidt zelden tot gedragsverandering. Focus daarom op concrete stappen:

  • “Welke plantaardige maaltijd probeer je deze week?”
  • “Hoe ziet je boodschappenlijstje eruit als je vleesvrij wilt koken?”

2. Breek gewoontes met contextverandering

Gewoonten worden getriggerd door omgeving: dezelfde winkel, route, koelkastindeling.
Tips:

  • Winkel eens in een andere supermarkt of biologische winkel.
  • Loop een andere route door de winkel – begin bij de groentenafdeling, niet bij vlees.
  • Plaats plantaardige producten op ooghoogte in je keuken of koelkast.

3. Gebruik “als-dan” plannen (implementation intentions)

Vervang vage intenties door specifieke acties:

“Als ik bij de vleesafdeling kom, dan koop ik een plantaardig alternatief.”
“Als het vrijdag is, dan kook ik een volledig vleesvrije maaltijd.”
Onderzoek toont aan dat dit soort plannen de kans op gedragsverandering aanzienlijk vergroot (effectgrootte d = 0.65).


4. Maak plantaardig eten écht aantrekkelijk – niet alleen “goed”

Smaak en gemak wegen zwaarder dan morele overtuiging.
Tips:

  • Kies gerechten die vertrouwd aanvoelen: plantaardige taco’s, curry, lasagne.
  • Gebruik smaakvolle kruiden, sauzen of kant-en-klare alternatieven die goed nasmaken.
  • Zorg dat het koken niet langer duurt dan je gewend bent.

5. Betrek anderen bij het proces

Vlees is vaak sociaal: gezellig eten, traditie, gezinsmaaltijden.
Tips:

  • Kook samen met partner of kinderen – laat ze meekiezen.
  • Deel recepten met vrienden of in een groep – sociaal leren versterkt nieuwe gewoonten.
  • Vraag: “Welke plantaardige maaltijd zouden we allemaal lekker vinden?”

6. Wees realistisch en vier kleine stappen

Verandering duurt tijd. Een klein verschil (bijv. één vleesvrije dag per week) telt.
Tips:

  • Vier wanneer het lukt, in plaats van falen te benadrukken.
  • Gebruik taal als “bewust kiezen” in plaats van “minder eten” of “stoppen”.
  • Herinner cliënten eraan: gewoontes vormen zich pas na herhaling – elke keer telt.

7. Werk aan identiteit, niet aan schuld

Help mensen zichzelf te zien als “iemand die bewust eet”, niet als “iemand die tekortschiet”.
Tips:

  • Vraag: “Wat zegt jouw keuze over wie je bent?”
  • Vermijd morele taal (“je zou moeten”) – dat veroorzaakt weerstand of cognitieve dissonantie.

8. Gebruik momenten van verandering

Verhuizen, vakantie, nieuw werk of een nieuw seizoen zijn ideale momenten om gewoontes te herstellen (‘habit discontinuity’).
Tip:

  • Plan bewuste voedingsveranderingen rond zulke overgangsmomenten.

Als je mensen begeleid naar gezonder eten, dan zou meer plantaardig eten, wellicht een optie kunnen zijn. Deze acht tips kunnen daarbij helpen.

Meer plantaardig laten eten

Bij leefstijlbegeleiding roept men vaak in koor dat het gaat om duurzame gedragsverandering, om vervolgens eindeloos advies te geven over het optimale voedings- of slaappatroon. Wij hebben enkele decennia ervaring en weten dat dit slechts kortetermijnresultaten oplevert.

Als het gaat om gedragsverandering spelen veel factoren mee, maar een absolute winnaar is de zogenoemde implementatie-intentie, ook wel bekend als een als-danregel. Een voorbeeld: als ik bij het benzinestation ben, dan betaal ik mijn brandstof en koop verder niets (dus ook geen snoepgoed). Hoe specifieker de regel, hoe groter het effect. Het verdubbelt grofweg je kans dat je het daadwerkelijk doet. Soms werkt het helemaal niet!

Wat je dan nodig hebt, is motivatie. Een implementatie-intentie heeft geen effect als je niet gemotiveerd bent. Als motivatie wordt verdeeld in hoog of laag, dan blijkt 𝗵𝗼𝗴𝗲 𝗺𝗼𝘁𝗶𝘃𝗮𝘁𝗶𝗲 de kans dat je je intentie 𝘂𝗶𝘁𝘃𝗼𝗲𝗿𝘁 nog eens te 𝘃𝗲𝗿𝘃𝗶𝗲𝗿𝘃𝗼𝘂𝗱𝗶𝗴𝗲𝗻, zo suggereert een meta-analyse met 642 testen. Bij lage motivatie blijkt de implementatie-intentie namelijk niet succesvoller dan géén plan hebben.

lnkd.in/eBpBMieC

Motiveren is op het eerste gezicht gemakkelijk: je hoeft iemand alleen maar bang te maken. Roken is slecht voor je, want je huid veroudert, je longen verteren, je krijgt hartklachten. Suiker is slecht voor je, want het is zogenaamd verslavend (niet waar) en je vetverbranding stopt (niet waar), terwijl het overschot volgens het verhaal wordt omgezet in vet door de lever (niet waar) en je daarom dik wordt (niet waar).

Het hoeft dus niet eens waar te zijn om effect te sorteren, maar deze verhalen doen al decennia de ronde. Kijk eens om je heen: heb jij het idee dat het werkt? We weten dat het níét werkt. Gemakkelijk motiveren is niet hetzelfde als duurzaam motiveren. Dat vereist diepgaande kennis van motivatie – en laat motivatiewetenschap nu net onze specialisatie zijn.

Motivatie vormt ook het hart van onze module Healthcoach, waarin we je effectief leren mensen te beleiden met een gezonde leefstijl. Regel één is dat gezondheid géén psychologische basisbehoefte is. Daar hoef je dus niet op te sturen. Als je wel stuurt op basisbehoeften, is het goed te weten dat deze individueel ingekleurd worden via waarden. Ook dat leer je. Bij elkaar betekent dit dat je een aanpak krijgt die het hart van motivatie raakt en toepasbaar is op individuen en groepen. Wij hebben er alles op afgestemd, inclusief onze gesprekstechnieken. Daar bovenop komen gedragscomponenten zoals implementatie-intenties, maar eerst zorgen we dat het fundament – motivatie – op orde is.

Wil je leren mensen effectief te begeleiden naar een gezonde leefstijl, volg dan onze module Healthcoach (MHC), die donderdag 25 september start. Meer info:

chivo.nl/mhc

Ps. Deze module is gericht op gezondheidsbevordering. Wil je breder inzetten voor welbevinden, prestaties in organisaties en beleid, overweeg dan de opleiding vitaliteitskundige: chivo.nl/ovk

Gedragsverandering vereist motivatie

Er is veel aandacht voor slapen, maar hoe doe je dat met avonddiensten? Leefstijlprofessionals lopen daar vaak op vast, en het was vandaag een onderwerp in de module Healthcoach. De reden waarom men vastloopt is omdat men het in isolatie behandelt, terwijl het een systeemvraag is.

𝗦𝘁𝗿𝘂𝗰𝘁𝘂𝘂𝗿

Op dag 1 leren ze dat structuur belangrijk is: hoe je dat ter sprake brengt, hoe het bijdraagt aan het opbouwen van gewoontes, hoe je het concreet indeelt en hoe je de voorwaarden creëert om het te laten landen. Wij hebben het dan niet over leefstijlactiviteiten, maar over het leven zelf — inclusief psychologische basisbehoeften en waarden. Nog interessanter is dat we impulscontrole (wilskracht) en de training daarvan in relatie tot motivatie hieraan koppelen.

𝗚𝗲𝗱𝗿𝗮𝗴𝘀𝘃𝗲𝗿𝗮𝗻𝗱𝗲𝗿𝗶𝗻𝗴

Nu we het hebben over slapen, behandelen we uiteraard slaaphygiëne, maar ook inslapen, doorslapen en wakker worden. Elk van deze onderwerpen kent verschillende interventies, waarmee je een selectie kunt maken die past bij de cliënt. Je moet immers rekening houden met hulpvraag, voorkeur, niveau en prioriteit.

Ook gaan we dieper in op gewoontes, want die zijn vaak slecht begrepen. Ja, ze vergroten de kans dat je iets doet met een factor 7 (odds ratio), maar hoe je daar geraakt, is nogal lastig. Het begint al met het gegeven dat ongewenste gewoontes grotendeels onbewust plaatsvinden. Hoe verander je iets waarvan je je niet bewust bent? Motivatie is key, impulscontrole is belangrijk, implementatie-intentie is behulpzaam, maar het moet passen binnen een structuur.

𝗡𝗮𝗰𝗵𝘁𝗱𝗶𝗲𝗻𝘀𝘁𝗲𝗻

Dan komt natuurlijk de vraag die we al duizend keer hebben gehoord: hoe doe je dat met ploegendiensten, want dan is er geen structuur? Het antwoord is eigenlijk heel simpel: ja, er ís wel structuur — of beter gezegd, er zijn drie structuren (ochtend-, middag- en avonddienst). Die moet je allemaal goed inregelen en, belangrijker nog, op elkaar afstemmen. Dan zie je dat alles wat we hiervoor hebben besproken daarin terugkomt.

𝗜𝗻𝘁𝗲𝗴𝗿𝗮𝗮𝗹 𝘀𝘆𝘀𝘁𝗲𝗲𝗺

Leefstijlbegeleiding is geen kwestie van coachen of adviseren. Het is ook niet een kwestie van gedragsverandering of de omgeving veranderen. Het is een integraal systeem. Dit doen we 20 jaar en bij ons gaan je niet alleen dieper in op wat en waarom, maar vooral ook hoe!

Wil je leren om mensen effectief en onderbouwd te begeleiden met een gezonde leefstijl, dan kan dat in onze module Healthcoach (MHC), die begin februari start. Meer info:

chivo.nl/mhc

Slaap en ploegendiensten

Veel welvaartziekten gaan gepaard met lage graad ontstekingen en dat meestal meet men de CRP-waarde, een goedkope en snelle manier om dat vast te stellen. Het is mogelijk dat koolhydraten de ontstekingen kunnen uitlokken en daarom zijn al talloze onderzoeken uitgevoerd en die zijn recent verzameld geanalyseerd via een meta-analyse.

Opzet

De onderzoekers voerden een systematische literatuurstudie en meta-analyse uit op basis van 60 gerandomiseerde gecontroleerde trials (RCT’s) met in totaal 5.511 volwassenen, gepubliceerd tot februari 2024. Ze vergeleken het effect van koolhydraatarme diëten (gedefinieerd als minder dan 45% van de calorieën uit koolhydraten) met controlediëten op het C-reactief proteïne (CRP)-niveau, een bloedwaarde die ontsteking in het lichaam aangeeft. De studies moesten minstens twee weken duren en CRP als meetuitkomst rapporteren. De kwaliteit van de onderzoeken werd beoordeeld met de Cochrane-bias-tool, en statistische analyses (met een zogeheten random-effects model) werden gebruikt om het gemiddelde verschil in CRP-verandering tussen de groepen te berekenen. Daarnaast werden subgroepanalyses en meta-regressies uitgevoerd om te onderzoeken of factoren zoals leeftijd, BMI, duur van het dieet of beginniveau van CRP het effect beïnvloedden, en werd gekeken naar publicatiebias en de robuustheid

Resultaten

De analyse van 60 wetenschappelijke studies met in totaal 5.511 volwassenen liet zien dat mensen die een koolhydraatarm dieet volgden, gemiddeld een lichte daling vertoonden in hun C-reactief proteïne (CRP)-niveau — een bloedwaarde die ontsteking in het lichaam aangeeft. Deze daling was gemiddeld 0,18 mg/L lager dan bij mensen die een regulier dieet volgden (zoals een vetarm of gemengd dieet).

Maar: dit effect was niet stevig. Toen de onderzoekers één bepaalde studie uit de analyse haalden (die van Abbaspour Rad et al., 2023), verdween het effect bijna volledig en was het niet langer statistisch significant. Dat betekent dat de conclusie sterk afhankelijk was van die ene studie, en dus fragiel is.

Wel bleek dat het dieet duidelijker werkte bij bepaalde groepen mensen:

  • Bij mensen met een hoge beginwaarde van CRP (meer dan 4,5 mg/L) daalde CRP met gemiddeld 0,70 mg/L.
  • Bij mensen met ernstige obesitas (BMI > 35) was de daling zelfs 1,21 mg/L — een aanzienlijk effect.
  • Jongere volwassenen (tot 49,6 jaar) profiteerden meer dan ouderen.
  • Het effect was ook groter bij langdurige interventies (langer dan 12,5 weken).

Bij gezonde mensen, ouderen of mensen met een normaal gewicht was er geen duidelijk effect.

Daarnaast toonde een geavanceerde statistische analyse aan dat het beginniveau van CRP de sterkste voorspeller was van hoe goed iemand zou reageren op een koolhydraatarm dieet: hoe hoger de ontsteking aan het begin, hoe groter de daling.

Er was ook aanwijzing voor publicatiebias: kleine studies met “negatieve” resultaten (geen effect) lijken minder vaak gepubliceerd te zijn, wat de schijn van effect kan vergroten.

Conclusie

Na jaren van onderzoek is er dus nog heel weinig bekend over het daadwerkelijk effect van koolhdyraatbeperkte diëten. Ze lijken echter op korte termijn goed te werken zonder duidelijke nadelen.

Koolhydraatbeperkt en inflammatie

Als het op duurwedstrijden gaat zijn carbs nog steeds king, maar je kunt helaas maar een beperkte hoeveelheid opslaan. Stel je voor dat je het kunt besparen met ketonen, zou dat de prestatie verhogen? Dat zochten onderzoekers uit ([Clarke L 2025](<De methodologie van het onderzoek bestond uit een enkelblinde, gerandomiseerde crossoverstudie onder 13 getrainde mannelijke duursporters (leeftijd 18–61 jaar; VO₂max 50–73 mL·kg⁻¹·min⁻¹), die twee uitputtingslopen uitvoerden gescheiden door een herstelperiode van 4 uur. Tijdens het herstel kregen de deelnemers elke 30 minuten een drank met sucrose (1 g·kg⁻¹·h⁻¹; verrijkt met de stabiele isotoop ¹³C) en wei-eiwit (0,4 g·kg⁻¹·h⁻¹). In de ene conditie werd hieraan ketone mono-ester (0,29 g·kg⁻¹·h⁻¹) toegevoegd (KETONE), in de andere een iso-energetisch, smaakgematcht placebo bestaande uit olijfolie en Bitrex® (PLACEBO). Meting van de metabole respons gebeurde via capillaire bloedmonsters (voor glucose, lactaat, pH, bicarbonaat en β-hydroxybutyraat met respectievelijk ABL90 Flex Plus en Optium Neo), plasma-insuline (via Mercodia ELISA), en ademmonsters (voor ¹³CO₂-verrijking via isotoopratio-massaspectrometrie en gaswisseling via Douglas-bagmethode). Daarnaast werd urine verzameld voor ureum-analyse (RX Daytona+), en werden gastrointestinale klachten beoordeeld met een gestructureerde vragenlijst. De retentie van ingenomen sucrose werd berekend als het verschil tussen de totaal ingenomen hoeveelheid en de geoxideerde hoeveelheid, waarbij oxidatie werd afgeleid uit de ¹³C-verrijking in uitgeademde lucht, gecorrigeerd voor achtergrondwaarden en fractionele ¹³C-terugwinning (k₁ = 0,7467 L/g CO₂; k₂ = 0,54). De studie was goedgekeurd door de ethische commissie van de University of Bath en geregistreerd bij ClinicalTrials.gov (NCT06846840).>))

Onderzoeksopzet

In dit onderzoek liepen 13 getrainde hardlopers twee keer tot ze uitgeput waren, met daartussen een herstelperiode van vier uur. Tijdens die hersteltijd dronken ze elk half uur een drankje met suiker (in de vorm van rietsuiker, oftewel sucrose) en eiwit — een combinatie die vaak wordt gebruikt om na sport snel weer op krachten te komen. In één van de twee testdagen kregen ze daarnaast een speciale ketonen-drink (een zogeheten ketone-ester), op de andere dag een nepversie die er net zo uitzag en smaakte maar geen ketonen bevatte (een placebo gemaakt met olijfolie en een bittere smaakstof). Ze wisten zelf niet welke versie ze kregen, zodat hun verwachtingen het resultaat niet konden beïnvloeden.

Tijdens en na het herstel namen de onderzoekers regelmatig bloed af (via een prikje in de vinger) om onder andere de bloedsuikerspiegel en ketongehalte te meten. Daarnaast moesten de deelnemers adem uitblazen in speciale zakken, zodat de wetenschappers konden zien hoeveel van de ingenomen suiker daadwerkelijk werd verbrand of juist opgeslagen. Ze vroegen ook naar buikklachten, zoals misselijkheid of krampen, en lieten de deelnemers na afloop raden welke drank de ‘echte’ was — om te controleren of de smaak hen had verraden.

Deze aanpak laat precies zien wat er gebeurt met de suiker die je na sport binnenkrijgt: wordt die direct verbrand, of juist opgeslagen als energievoorraad voor later? En speelt het toevoegen van ketonen daarbij een rol? Door alles zorgvuldig te meten — van bloedwaarden tot adem — konden de onderzoekers dit nauwkeurig bepalen.

Resultaat

Het onderzoek liet zien dat hardlopers die na een zware training een drankje kregen met suiker én een speciale ketonen-supplement (een zogeheten ketone-ester), meer van die suiker in hun lichaam vasthielden dan wanneer ze alleen suiker kregen. Concreet: ze slaan gemiddeld 14 gram extra suiker op — genoeg om bijvoorbeeld een klein banaantje extra als energievoorraad te bewaren. Tegelijkertijd daalde hun bloedsuikerspiegel duidelijk, met meer dan 1 mmol per liter, wat betekent dat hun lichaam de suiker efficiënter gebruikte of opslagde in plaats van in de bloedbaan te laten circuleren.

Dit gebeurde zonder dat de hardlopers tijdens het herstel last hadden van buikklachten. Wel meldden ze tijdens de tweede loop licht meer ongemak in de onderbuik, zoals lichte krampjes of winderigheid, maar dit bleef mild.

Ondanks deze positieve metabole effecten — meer opslag van suiker en een rustiger bloedsuikerspiegel — presteerden de hardlopers tijdens de tweede inspanning niet beter. Ze liepen even lang tot ze uitgeput waren, of ze nu de ketonen hadden gekregen of niet. Dat suggereert dat het extra opslaan van suiker in dit scenario (na slechts 4 uur herstel) niet direct leidt tot meer uithoudingsvermogen — misschien omdat hun lichaam toch genoeg energie had, of omdat de lichte buikklachten het voordeel tenietdeden.

Kort samengevat: ketonen helpen je lichaam om suiker na sport beter op te slaan en houden je bloedsuikerspiegel lager, maar dat vertaalde zich in dit onderzoek niet in betere prestaties tijdens een volgende inspanning. Tot nu toe is er nog geen bewijs gevonden voor de dure ketonendrankjes.

Ketonen en duurprestaties

Als professional in gezondheid, voeding of duurzaamheid zie je het vaak: je cliënt is gemotiveerd, kent de voordelen van minder vlees, en heeft zelfs concrete doelen geformuleerd… maar na enkele weken is er weinig veranderd. Ze blijven vlees eten – niet uit weerstand, maar uit gewoonte, smaakvoorkeur en context.

Een nieuw Zweeds onderzoek (Linder, Lindahl & Wijermans, 2026) legt precies uit waarom dit gebeurt – en wat jij als begeleider eraan kunt doen.


1. Begrijp het verschil tussen “waarom iemand wil veranderen” en “waarom iemand blijft doen wat hij doet”

Het onderzoek toont aan dat intenties vooral worden gevormd door:

  • Een positieve houding ten opzichte van plantaardige eiwitten (smaak, gezondheid, prijs),
  • Een negatieve houding ten opzichte van vlees,
  • Milieuzelfidentiteit (“ik ben iemand die milieuvriendelijk leeft”),
  • En in mindere mate: gemak en geslacht (vrouwen rapporteren vaker intentie).

Maar: gedrag wordt niet beïnvloed door dezelfde factoren.

Bij mensen met sterke intentie om minder vlees te eten, blijken slechts twee factoren hun blijvende vleesconsumptie te verklaren:

  • Vleesgewoonten (“ik koop vlees zonder erbij na te denken”),
  • Positieve houding ten opzichte van vlees (“ik vind vlees lekker, vertrouwd, makkelijk”).

Belangrijk inzicht voor jou als professional:
Je kunt iemand niet verder helpen door alleen te blijven praten over waarom ze minder vlees zouden moeten eten. Dat werkt bij het vormen van intentie – maar niet bij het veranderen van gedrag.


2. Richt je begeleiding op het doorbreken van automatische patronen

Gewoonten zijn krachtig, vooral in routinematige contexten zoals boodschappen doen of koken. Het brein zoekt naar efficiëntie: als iets werkt, herhaal je het zonder bewuste keuze.

Praktische interventies die werken:

✅ Help cliënten hun “koopcontext” te veranderen

  • Stel voor om een andere supermarkt te bezoeken, of een andere route door de winkel te lopen.
  • Moedig aan om vleesalternatieven op ooghoogte in de keuken of koelkast te plaatsen.
  • Gebruik het “habit discontinuity”-principe: veranderingen in omgeving (bijv. verhuizen, vakantie, nieuwe werkplek) zijn ideale momenten om nieuwe gewoonten te starten.

✅ Gebruik “als-dan” plannen (implementation intentions)

Laat cliënten concreet formuleren:

“Als ik bij de vleesafdeling kom, dan koop ik een plantaardig alternatief.”
“Als ik op vrijdag kook, dan maak ik een volledig plantaardige maaltijd.”

Dit koppelt een situatie aan een gewenst gedrag en maakt het automatischer. Onderzoek toont een gemiddelde tot grote effectgrootte (d = 0.65) voor dit soort interventies bij duurzaam gedrag.

✅ Maak plantaardig eten écht aantrekkelijk – niet alleen “goed”

Smaak en gemak wegen zwaarder dan morele overtuiging. Focus daarom op:

  • Smaakervaring: probeer samen gerechten die vertrouwd aanvoelen (bijv. plantaardige lasagne, curry, taco’s).
  • Kookgemak: kies voor kant-en-klare alternatieven of eenvoudige recepten met maximaal 5 ingrediënten.
  • Huishoudelijke acceptatie: betrek andere gezinsleden bij de keuze – als zij het lekker vinden, houdt de verandering langer stand.

3. Wees realistisch over de snelheid van verandering

Het onderzoek laat zien dat zelfs bij mensen met sterke intentie het verschil in vleesconsumptie minimaal is (Cohen’s d = 0.15). Dat betekent: verandering is geleidelijk, en kleine stappen tellen.

Advies voor jou als professional:

  • Vier kleine successen: “Je hebt deze week twee avonden plantaardig gekookt – dat is al een verschuiving!”
  • Vermijd morele taal (“je zou minder vlees moeten eten”), want dat versterkt cognitieve dissonantie en weerstand.
  • Focus op identiteitsverandering: help cliënten zichzelf te zien als “iemand die bewust kiest”, niet als “iemand die tekortschiet”.

4. Let op sociale en culturele dynamiek

Hoewel het onderzoek in Zweden werd uitgevoerd, geldt wereldwijd: vlees is vaak verbonden met traditie, feest, mannelijkheid of gezelligheid. Vraag je cliënten:

  • “Wanneer voel je je het meest geneigd om vlees te eten?”
  • “Welke maaltijden voelen ‘onvolledig’ zonder vlees – en hoe kunnen we die anders invullen?”

Dit helpt om culturele en emotionele barrières zichtbaar te maken, in plaats van alleen rationele argumenten te gebruiken.


Conclusie: Van motivator naar gewoontearchitect

Je rol als professional verschuift van “informatieverstrekker” naar “gewoontearchitect”. Mensen weten vaak al genoeg – ze hebben hulp nodig bij het omzetten van intentie in actie, door:

  • Gewoontes te doorbreken,
  • Alternatieven aantrekkelijk te maken,
  • En gedrag concreet, herhaalbaar en sociaal haalbaar te maken.

De intentie-gedragskloof is geen teken van falen – het is een kernuitdaging in gedragsverandering. En jij kunt de brug zijn die mensen helpt oversteken.

Helpen vleesconsumptie minderen

De Lancet kwam recent, net als Nederland, met een differentiatiesysteem voor obesitas. Feitelijk herontdekken ze het Edmonton Obesity Staging System (EOSS), dat juist draait om differentiatie.

EOSS kent vijf fases en kijkt naar gecombineerde biomedische, psychologische en functionele klachten. Die lopen van preklinisch naar klinisch, maar preklinisch vraagt vaak om een heel andere aanpak. Preventie vereist bovendien een expertise die de reguliere zorg meestal niet heeft.

Dat maakt biomedisch onderzoek niet onbelangrijk, maar voor preventie is het ongeveer zo behulpzaam als fMRI-onderzoek voor psychologen. Zelden voegen correlaties met breinscans echt iets toe aan causale experimenten. Niet zinloos, maar de extrapolaties zijn vaak wensdenken.

Naast de biomedische blik worden problemen ook volgens een sociaal-ecologisch model aangepakt, maar wéér vanuit een zorgperspectief. Dat is lastig, want de sociologie scoort laag op transparantie, laag op causale experimenten en is vaak doorspekt van ideologie.

Ook de psychologie kent problemen. Het gaat me niet om het replicatiefalen, maar om wat we ervan hebben geleerd. Psychologen kennen de replicatiegolf waarin 100 experimenten opnieuw zijn uitgevoerd. Meer dan de helft faalde. Kun je er drie noemen? En dan zijn er nog de golven die volgden.

Een tweede probleem: vasthouden aan theorieën die ooit een succesvolle RCT lieten zien, maar logisch of theoretisch niet kloppen. Neem de Theorie van Gepland Gedrag (TPB), die stelt dat intentie – gevormd door attitudes, subjectieve normen en ervaren controle – gedrag voorspelt. Het model staat echter haaks op het duale verwerkingsmodel (systeem 1 en 2). Die conflicten moet je oplossen. Toch heeft TPB overzichtsstudies (Rozenkoskwa, 2023) die ‘werken’, en meta-analyses die 27 tot 34 procent van de variantie in intentie verklaren – intentie, niet gedrag. En moeten we het nog over nudges hebben? Complete clusterfuck!

Misschien nog wel het grootste probleem: het negeren dat preventieve maatregelen óók schade kunnen doen, vooral doordat ze ongelijkheid vergroten. Als je zo nodig preventiepopulist wil zijn, zorg dan dat je mensen vooral niet omringt met gelijkgestemden, want dan blijf je middelmatig, blijft je beleid middelmatig en verspil je eindeloos geld en energie. Niemand zit er op te wachten dat je het wiel opnieuw uitvindt, maar dan vierkant (behalve de mensen die het al roerend met je eens waren). Kennis over preventie opbouwen kost je jaren, zo niet decennia.

Wil je leren hoe je effectief ben in mensen begeleiden met gezonde leefstijl en dus preventie, dan kun je dat in onze module Healthcoach. Daar leren we wat prioriteit heeft bij obesitas en wat niet.

Differentiatie obesitas en begeleiding