Skip to main content

Als het gaat om rechtvaardigheid, dan is wederkerigheid-altruรฏsme een belangrijk onderwerp. Rechtvaardigheid gaat over eerlijk verdelen, en wederkerigheid is de standaardnorm als de relatie niet hecht is. Wanneer er sprake is van sociale cohesie tussen vrienden en familie, verschuift de norm meer naar altruรฏsme. Bij familie stelt men dat het gaat om genetische verwantschap, maar hoe zit het met vrienden?

Relatie motivatietheorie

We weten dat vrienden iets voor elkaar over hebben, maar we weten ook dat vriendschap kan intensiveren. Vanuit de relatiemotivatietheorie is het overduidelijk dat dit ontstaat doordat men elkaars psychologische basisbehoeften bevredigt, en dat leidt tot een opwaartse spiraal van welbevinden. Bij rechtvaardigheid is er een soortgelijke opwaartse spiraal te vinden.

Emotionele restschuld

Als een vriend je een gunst verleent, dan is wederkerigheid gepast. Er gebeurt echter iets bijzonders bij het 'terugbetalen' van die gunst, zo weten we uit recent onderzoek (Ent M 2024).

Dit terugbetalen wordt door de ontvanger op prijs gesteld, maar degene die terugbetaalt, waardeert de eigen bijdrage lager dan de ontvanger. Er is een emotionele restschuld, waardoor er nooit een volledige aflossing zal zijn. Gevoelsmatig is er dus voor degene die terugbetaalt, sprake van altruรฏsme geweest, wat motiveert om in de toekomst nog meer te doen voor die ander.

Van schuld naar vriendschap

Deze dynamiek wordt soms omschreven als "runaway friendship" โ€” een term die suggereert dat vriendschappen kunnen gedijen en groeien op basis van voortdurende uitwisselingen van vriendelijkheid en steun. Wetenschappers zoals Tooby & Cosmides (1996) hebben dit concept onderzocht en vastgesteld dat dergelijke cycli van altruรฏsme de basis kunnen vormen voor hechte en duurzame relaties. Pas recent is ontdekt dat de asymmetrische waardering hier een rol in speelt.

Waarom zijn deze zelfversterkende cycli zo belangrijk? Ze laten zien hoe kleine acties van vriendelijkheid en wederkerigheid kunnen uitgroeien tot iets groots en betekenisvols. Door het geven en ontvangen van hulp ontstaat er een gevoel van verbondenheid en vertrouwen tussen mensen. Dit versterkt niet alleen individuele relaties, maar draagt ook bij aan de cohesie van sociale netwerken en gemeenschappen.

Bevrediging van rechtvaardigheid

Wij stellen dat rechtvaardigheid een psychologische basisbehoefte (PBB) is. Dit betekent dat het frustreren ervan het welbevinden aantast. Het betekent echter ook dat je het moet kunnen bevredigen. Niet-frustreren is niet hetzelfde als bevredigen. Het aantonen dat rechtvaardigheid onafhankelijk van de andere PBB's kan bevredigen, is de uitdaging. De asymmetrische waardering is een mechanisme dat bevrediging uitlokt, maar er zijn er meer waar we onderzoek naar doen.

Kortom, laten we niet vergeten dat kleine daden van vriendelijkheid grote gevolgen kunnen hebben. Door bewust te zijn van de impact van onze acties en de percepties van anderen, kunnen we bijdragen aan het opbouwen van positieve en duurzame relaties.

Meer leren:

chivo.nl/nieuwsbrief

Asymmetrische wederkerigheid kan leiden tot vriendschap

Het illusory truth effect stelt dat we iets als waar beschouwen door herhaling. Dit effect is robuust wanneer de boodschap consistent is, maar in het echte leven en op sociale media is dat zelden zo. Met een subtiele reactie kun je dit effect bovendien volledig tenietdoen.

๐—ฆ๐—น๐˜‚๐—ถ๐˜๐—ฒ๐—ป๐—ฑ๐—ฒ ๐—ฏ๐—ฒ๐—ด๐—ฟ๐—ผ๐˜๐—ถ๐—ป๐—ด

Het effect werkt via fluency: informatie die vaker terugkomt kost minder energie om te verwerken. Vaak wordt gedacht dat mensen energie uitgaven willen vermijden, maar dat klopt niet. Het brein heeft geen probleem met energie uitgeven; het wil alleen weten waarvoor, hoeveel en wanneer. Het zoekt zekerheid middels een sluitende begroting, en dat mag energie kosten.

๐—›๐—ฒ๐˜ ๐—ผ๐—ป๐—ฑ๐—ฒ๐—ฟ๐˜‡๐—ผ๐—ฒ๐—ธ

In een recent onderzoek (Bell 2025) dat veel gedeeld wordt, werd het illusory truth effect bevestigd in meerdere experimenten. Het maakte niet uit of deelnemers veel of weinig blootstelling kregen, zolang de boodschap consistent was. Zodra men echter willekeurig werd gevraagd of de claim waar was (accuracy focus), verdween het effect volledig: van ฮทpยฒ < 0.23 naar ฮทpยฒ < 0.01. Overigens niet de eerste keer vastgesteld. Het maakte niet uit hoe vaak iemand blootgesteld was. Het illusory truth effect bleek dus geen doorslaggevend mechanisme voor desinformatie.

Een simpele onderbreking is genoeg om het illusory truth effect te laten verdwijnen. Op sociale media zijn die onderbrekingen er volop. Zelf reageer ik vaak bot en direct op onzinclaims. Voor meelezers activeert dit de accuracy focus.

๐—˜๐—ณ๐—ณ๐—ฒ๐—ฐ๐˜๐—ถ๐—ฒ๐—ณ ๐—ฑ๐—ฒ๐˜€๐—ถ๐—ป๐—ณ๐—ผ๐—ฟ๐—บ๐—ฎ๐˜๐—ถ๐—ฒ ๐—ฏ๐—ฒ๐˜€๐˜๐—ฟ๐—ถ๐—ท๐—ฑ๐—ฒ๐—ป

Wie desinformatie effectief wil tegengaan, hoeft dus niet in lange discussies te verzanden met een influencer of volgers. Een eenvoudige vraag als โ€œDenk je dat dit waar is?โ€ is vaak voldoende. Wil je meer doen, deel een betrouwbare bron. Zie je zoโ€™n reactie, versterk het door te liken of door een dankreactie te plaatsen. Maar ga niet in discussie met de oorspronkelijke poster: zij zijn niet gebaat bij accuracy focus, maar handelen vanuit sociale identiteit of materialistische aspiraties. Hen overtuig je niet en deze relatief neutrale reactie vermindert het risico dat je geblokkeerd wordt.

๐— ๐—ฒ๐—ฒ๐—ฟ ๐—น๐—ฒ๐—ฟ๐—ฒ๐—ป

Accuracy focus vormt de kern van cognitieve gedragscoaching en kun je samenvatten tot de vraag: โ€œWaar blijkt dit uit?โ€ Dit is een van de vele mechanismen die we inzetten in onze module Counselen en Coachen (MCC). Daarin hebben we al deze principes verwerkt tot een flexibel raamwerk waarmee je mensen effectief helpt bij verkennen, veranderen en volhouden vanuit motivatiewetenschap. Meer info:

chivo.nl/mcc

Illusory truth effect is niet het probleem bij desinformatie

Machine learning kan culturen van 100 landen beter onderscheiden dan Hofstede, Schwartz en Inglehart. Het is zelfs in staat om met een nieuw samengestelde itemlijst (ML-CVI) met 89 procent zekerheid te bepalen uit welk land de deelnemer komt (Sheetal A 2025).

De onderzoekers maakten een selectie van 60 items op basis van theoriegedreven schalen, cross-culturele relevantie en psychometrische kwaliteit. Ze konden twee attitudes voorspellen:

๐Ÿ‘‰ Pro-environmental actions (meer recycling, milieuvriendelijk gedrag).
๐Ÿ‘‰ COVID-19 compliance (mate van naleving van lockdownregels).

De klassieke vragenlijsten konden dat niet, en dat maakt deze nieuwe vragenlijst interessant. De vraag is natuurlijk waarom.

๐—”๐—ฝ๐—ฝ๐—ฒ๐—น๐˜€ ๐—ฒ๐—ป ๐—ฝ๐—ฒ๐—ฟ๐—ฒ๐—ป

De klassieke vragenlijsten meten waarden, terwijl de ML-CVI een mix meet van waarden, attitudes en normen. Waarden zijn veel abstracter, terwijl attitudes en normen dichter bij daadwerkelijk gedrag liggen. Daarnaast blijken attitudes dus attitudes te voorspellen. Dat is niet zo heel sterk.

๐—›๐—ผ๐—ด๐—ฒ๐—ฟ๐—ฒ ๐—ฐ๐—ผ๐—ป๐˜€๐˜๐—ฟ๐˜‚๐—ฐ๐˜๐—ฒ๐—ป ๐˜ƒ๐—ฒ๐—ฟ๐˜€๐˜‚๐˜€ ๐—ถ๐˜๐—ฒ๐—บ๐˜€

Elk antwoord op een item bevat nuances. Als je de items combineert tot een hoger construct, zoals een waarde, verlies je nuance. De onderzoekers hebben voor hun eigen ML-CVI de items geanalyseerd, terwijl ze voor de andere vragenlijsten uitsluitend de hogere constructen hebben gehanteerd. Dit is eveneens appels met peren vergelijken.

๐—ก๐—ถ๐—ฒ๐˜ ๐—ฟ๐—ฒ๐—ฝ๐—ฟ๐—ฒ๐˜€๐—ฒ๐—ป๐˜๐—ฎ๐˜๐—ถ๐—ฒ๐—ณ

De responsuitval was 67 procent en daarmee is het de vraag of de deelnemers representatief zijn voor een land.

๐—ช๐—ฎ๐˜ ๐˜ƒ๐—ผ๐—ฒ๐—ด๐˜ ๐—ต๐—ฒ๐˜ ๐˜๐—ผ๐—ฒ

De ML-CVI stelt feitelijk vast dat waarden abstract zijn, en dat je attitudes en normen moet uitvragen om attitudes (niet eens gedrag) te kunnen voorspellen. Dat is geen nieuw inzicht, maar het gegeven dat ze onderscheid kunnen maken tussen landen van herkomst op basis van de antwoorden is wรฉl interessant.

Onze eigen interne conceptuele analyse laat zien dat de 60 items goed terug te brengen zijn naar de 10 basiswaarden van Schwartz, met enige cross-loading. Er zijn dus duidelijke overeenkomsten tussen de items van de verschillende schalen, maar die zijn simpelweg niet geanalyseerd. Een dergelijke analyse zou heel welkom zijn en zou mogelijk kunnen leiden tot betere items in de Schwartz-vragenlijst.

Integratie met Schwartz is belangrijk, aangezien de ML-CVI theorieloos is en dus niet psychologisch verankerd. Het blijft daardoor onduidelijk waarom iets werkt. En dat inzicht is cruciaal voor structurele verbeteringen en integratie met andere theorieรซn. Dit draagt bij aan de vooruitgang van het hele veld.

๐— ๐—ฒ๐—ฒ๐—ฟ ๐—น๐—ฒ๐—ฟ๐—ฒ๐—ป

Waarden maken deel uit van ons motivatiecircumplex, dat we inzetten om te analyseren waarom individuen, teams en organisaties floreren of juist beginnen te degenereren om vervolgens gericht interventies in te zetten. Je leert er alles over in onze opleiding tot vitaliteitskundige, die eind september van start gaat.

chivo.nl/ovk

Sociologie onderzoekt samenleving en ongelijkheid, maar blijft achter in wetenschappelijke kwaliteit. Volgens socioloog Jukka Savolainen (2025) ligt dat aan een te grote politieke eenzijdigheid. Terwijl economie, politicologie en psychologie vooruitgang boeken in transparantie en causale methoden, blijft sociologie achter.

Twee grote hervormingen zijn de open science beweging โ€“ met data-delen en preregistratie โ€“ en de credibility revolution, die strengere eisen stelt aan causaal onderzoek. Andere disciplines hebben deze snel overgenomen. Sociologie niet.

Politieke orientatie

Savolainen vergeleek vier disciplines aan de hand van honderden artikelen. Hij mat politieke samenstelling en methodekwaliteit. De D:R-ratio (Democraten vs. Republikeinen) is in sociologie 44:1, veel extremer dan in economie (6:1) of politicologie (8:1). Ook het aandeel extreem linkse onderzoekers is met 17% het hoogst.

Causaal onderzoek

Op methodegebied scoort sociologie laag. Slechts 9,5% van de artikelen gebruikt causale designs. In economie is dat 72,6% en in psychologie iets minder met 50% omdat er veel theorievorming noodzakelijk is voor je het gaat toetsen. De TOP Factor โ€“ een maat voor transparantie โ€“ is in sociologie 0,67, ruim vijf keer lager dan in andere vakken, terwijl psychologie daar juist het hoogst scoort.

Activisme

De oorzaak volgens de auteur? Een cultuur waarin activisme belangrijker is dan waarheidszoekend onderzoek. Het idee van โ€˜public sociologyโ€™ zet wetenschap in dienst van sociale rechtvaardigheid, maar ondermijnt objectiviteit. Kritische toetsing en methodologische strengheid worden minder belangrijk.

Andere disciplines zijn ook linksgekleurd, maar minder extreem. Bovendien nemen ze transparantie serieuzer, ook in kwalitatief onderzoek. Dat sociologie achterblijft, is dus niet alleen structureel, maar ook ideologisch.

De oplossing?

Geen ideologische tegenbeweging, maar meer viewpoint diversity en een hernieuwde focus op wetenschappelijke integriteit. Want betrouwbare kennis ontstaat pas wanneer verschillende standpunten elkaar uitdagen. Misschien tijd voor een replicatiegolf voor sociologie? Met sociaal psychologie toegepast op samenlevingen zie je dat de sociologische vondsten kunt verankeren in de psychologie. Dat deel maakt eveneens deel uit van toegepaste motivatiewetenschap. Je kunt het leren in de opleiding vitaliteitskundige (OVK).

Sociologie weinig transparant en activistisch?

Socialemedia-algoritmen dragen niet of nauwelijks bij aan polarisatie, zo is de conclusie van dit systematisch overzichtsartikel over echokamers. Ik had hier al eerder over geschreven, maar de publicatie (Hartmann D 2025) is inmiddels door peer-review.

Hoewel veel publieke en politieke discussies aannemen dat sociale media mensen isoleren in ideologisch homogene omgevingen, blijkt uit het overzicht van 163 studies dat het empirische bewijs hiervoor beperkt is. Vooral causale en hybride onderzoeken tonen aan dat algoritmen zelden op zichzelf tot polarisatie leiden. Zelfselectie, mediagewoonten en onderliggende voorkeuren spelen een grotere rol. De review onderscheidt vier soorten onderzoeksopzetten:

๐Ÿ‘‰ CSS-onderzoek analyseert grote netwerken op sociale media en vindt sterke clustering rond ideologie, maar kan geen causaliteit aantonen en is gevoelig voor bots.

๐Ÿ‘‰ Surveyonderzoek toont kleine of afwezige correlaties tussen socialemediagebruik en polarisatie; mediavariatie beschermt juist vaak tegen echo chambers.

๐Ÿ‘‰ Experimenteel onderzoek (zoals RCTโ€™s) biedt sterke causaliteit, maar toont doorgaans geen effect van algoritmische manipulatie op polarisatie.

๐Ÿ‘‰ Hybride studies combineren objectieve tracking van mediagedrag met surveys en tonen beperkte ideologische versterking bij kwetsbare groepen, maar geen harde echoputten.

๐——๐˜‚๐—ถ๐—ฑ๐—ถ๐—ป๐—ด

Bij het beoordelen van publicaties kijk je naar methodologische kwaliteit: in hoeverre kunnen de uitkomsten door toeval of bias zijn beรฏnvloed?

CSS-onderzoek is goedkoop, vertoont duidelijke echopatronen, maar deze blijken vaak mede veroorzaakt door bots en extreme gebruikers. Kwalitatief sterkere onderzoeken zoals RCTโ€™s en tracking-gebaseerde hybride studies tonen slechts in specifieke gevallen aanwijzingen voor versterkte polarisatie.

๐—˜๐—ฐ๐—ต๐˜๐—ฒ ๐—ฒ๐—ฐ๐—ต๐—ผ๐—ฝ๐˜‚๐˜๐˜๐—ฒ๐—ป

Bestaan echoputten dan echt niet? Die zijn er wel degelijk, namelijk televisie. Onderzoek (Rho 2023) laat zien dat CNN en Fox hun eigen echoput vormen en dat kijkers ook taal overnemen.

Als je opgroeit met Fox, is de kans dat je iets van CNN ziet heel klein. Ik ben dan ook uitgesproken voorstander van het herstellen van de Fairness Doctrine Act die gebalanceerde nieuwsvoorziening verplicht op televisie en wat mij betreft ook op videostreaming diensten zoals Netflix, YouTube รฉn TikTok.

Er zijn online geen harde echoputten die via misleiding polariseren. Mensen kiezen zรฉlf voor desinformatie โ€” omdat er al sprake is van affectieve polarisatie. Dat standpunt hanteren we al langer, vanuit motivatiewetenschap รฉn met oog voor methodologische kwaliteit.

๐— ๐—ฒ๐—ฒ๐—ฟ ๐—น๐—ฒ๐—ฟ๐—ฒ๐—ป

Het probleem zijn niet de sociale media, maar de affectieve polarisatie. De enige manier om die te dempen is door affectieve bruggen te bouwen. Hoe je dat doet, leer je in onze module ๐—ง๐—ผ๐—ฒ๐—ด๐—ฒ๐—ฝ๐—ฎ๐˜€๐˜๐—ฒ ๐—˜๐˜๐—ต๐—ถ๐—ฒ๐—ธ (chivo.nl/mte).

Echoputten niet op sociale media

Deze drie jaar oude podcast van Scott Barry Kaufman, waarin hij Richard Ryan, medegrondlegger van de zelfdeterminatietheorie (ZDT), te gast had, geeft een goed inkijkje in het belang van zorgvuldigheid, juist wanneer het gaat om niet-tastbare begrippen zoals constructen.

Een construct is een algemeen wetenschappelijk concept dat verwijst naar iets wat je niet direct kunt waarnemen, maar dat je via operationele definities (zoals vragenlijsten of gedragsindicatoren) wel kunt meten of onderzoeken. De psychologie zit er vol mee, en het is een enorme bron van verwarring. Dat merk je ook in de podcast.

Autonomie een belangrijk construct binnen de ZDT en Kaufman vraagt zich af wat er ontleend is aan humanistische psychologie van Abraham Mazlow en Carl Rogers. Ryan reageert daarop door te stellen dat de basis van autonomie binnen de ZDT afkomstig is van David DeCharms. Dat verschil is belangrijk.

De autonomie van Rogers gaat namelijk over het leiden van een authentiek leven en dat is niet alleen breed, maar ook redelijk vaag. David DeCharms definieerde het daarentegen met precisie:

"Ervaren dat je de oorzaak bent van je gedrag."

Autonomie binnen de ZDT is daarom niet vergelijkbaar met die van Rogers. Er zijn tientallen motivatietheorieรซn, en het voorstel om deze te fuseren is problematisch wanneer constructen weliswaar dezelfde naam dragen, maar iets anders betekenen.

De podcast illustreert de algemene verwarring over constructen, en het wordt nog lastiger wanneer Kaufman allerlei psychologische basisbehoeften voorstelt op basis van theorieรซn, zonder rekening te houden met criteria of empirische onderbouwing. Sommige van die voorstellen zijn al getoetst, bijvoorbeeld door Sheldon, die er tien testte โ€” maar binnen de ZDT staan ze open voor kandidaten.

De podcast begint met een historische en filosofische achtergrond van zelfdeterminatie en bevat naast de wat kritische kanttekeningen die ik plaats, zeker boeiende momenten, die elk een eigen podcast waard zijn.

Een hele interessante korte discussie ontstaat over exploratie, waarbij Ryan stelt dat exploratie sterk toe kan nemen bij bevrediging van competentie. Kaufman stelt dat competentie nogal ego-gedreven kan zijn en Ryan bevestigt dat er omstandigheden zijn waarin dit kan. Interessant is het gesprek over hoe zelf-transcedentie de humanistische stroming heeft geschaad, maar ook hoe mindfulness een alternatief is.

Heel kort wordt ook aangestipt hoe de ZDT wordt ingezet om te zien hoe samenlevingen basisbehoeften faciliteren of frustreren en welk effect dat heeft op welbevinden van mensen. Dat soort werk helpt om politicologische en sociologische constructen psychologisch te verankeren, zodat het veld van gamma wetenschappen meer kan synchroniseren en samen kan optrekken om een betere wereld te maken. Moeite van het luisteren waard als je interesse hebt in motivatiewetenschap.

Podcast met Ricard Ryan, mede-grondlegger ZDT

We weten allemaal dat overgewicht een groeiend probleem is. Maar wat je misschien niet wist: het gevoel van eenzaamheid tijdens de puberteit kan een onzichtbare, maar krachtige, drijfveer zijn achter die kiloโ€™s die later op de weegschaal verschijnen.

Een nieuw onderzoek (Rangul 2025) uit Noorwegen toont aan dat jongeren die zich vaak eenzaam voelen, een veel groter risico lopen op obesitas tien jaar later โ€“ als ze jonge volwassenen zijn. En het meest opvallend? Dit risico is bij jongens zelfs hoger dan bij meisjes.


Wat is er onderzocht?

Wetenschappers volgden bijna 2.300 jongeren uit de Noorse HUNT-studie van hun tienerjaren (13โ€“19 jaar) in 2006โ€“2008 tot hun jonge volwassenheid (23โ€“31 jaar) in 2017โ€“2019. In totaal deden 8.199 jongeren mee aan de eerste meting, maar slechts 2.293 namen ook deel aan de tweede โ€“ de kerngroep van dit onderzoek.

Doel? Uitzoeken of eenzaamheid in de jeugd een voorspeller is van obesitas in de volwassenheid, en of er verschil is tussen jongens en meisjes.


De cijfers spreken boekdelen

De cijfers zijn alarmerend โ€“ zowel voor gewicht als voor gevoel:

  • Obesitas steeg van 4% naar 16,6% bij meisjes.
  • Bij jongens van 6,4% naar 18,3%.
  • De tailleomtrek nam fors toe โ€“ een slechte voorspeller voor hart- en vaatziekten.

Maar ook het gevoel van eenzaamheid speelt een grote rol:

  • 10,7% van de meisjes voelde zich vaak eenzaam als tiener.
  • 6,2% van de jongens.
  • Terwijl de eenzaamheid bij meisjes afnam in de volwassenheid, bleef die bij jongens vrijwel gelijk.

Wie loopt het grootste risico?

Het antwoord is duidelijk: jongens die zich eenzaam voelen.

  • Eenzame jongens hadden 2,6 keer meer kans op obesitas tien jaar later.
  • Eenzame meisjes hadden 1,8 keer meer kans.
  • En het effect op het gewicht was ook groter: eenzame jongens hadden gemiddeld bijna 2 kg/mยฒ meer BMI dan hun niet-eenzame leeftijdsgenoten.

Maar het wordt nog zorgwekkender:
Van de jongeren die als tiener eenzaam waren, ontwikkelde 23,1% obesitas.
Van de jongeren die zelden eenzaam waren, was dat slechts 12,7%.


Hoe kan eenzaamheid leiden tot meer gewicht?

Eenzaamheid is geen klein probleem. Het is een emotionele belasting die fysieke gevolgen heeft. Denk aan:

  • Emotioneel eten: stress en verdriet leiden tot verlangen naar comfort food โ€“ vaak hoog in suiker en vet.
  • Minder bewegen: wie zich sociaal geรฏsoleerd voelt, heeft minder motivatie om te sporten of buiten te komen.
  • Slechtere slaap en meer stresshormonen: chronische eenzaamheid activeert het stresssysteem, wat leidt tot ophoping van buikvet.
  • Vicieuze cirkel: obesitas kan leiden tot pesten of uitsluiting โ€“ wat opnieuw eenzaamheid verergert.

Waarom zijn jongens harder getroffen?

Dat is een van de meest interessante bevindingen: de schadelijke gevolgen van eenzaamheid op het gewicht zijn sterker bij jongens.

Mogelijke redenen?

  • Jongens praten minder over hun gevoelens, waardoor eenzaamheid langer onopgemerkt blijft.
  • Ze hebben vaak minder sociale copingstrategieรซn dan meisjes.
  • Sociale druk op jongens om โ€œsterkโ€ te zijn, kan voorkomen dat ze hulp zoeken.

Terwijl meisjes met de jaren vaak meer sociale verbondenheid ontwikkelen, blijven jongens kwetsbaar โ€“ en dat komt hun gezondheid op de lange termijn duur te staan.


Wat betekent dit voor scholen, ouders en beleid?

Dit onderzoek is een wake-up call. Obesitaspreventie begint niet alleen bij voeding en sport, maar ook bij sociale verbondenheid.

  • Scholen kunnen meer aandacht besteden aan sociale vaardigheden, mentale gezondheid en inclusie.
  • Ouders kunnen alert zijn op signalen van eenzaamheid โ€“ niet alleen bij meisjes, maar zeker ook bij jongens.
  • Beleid moet eenzaamheid serieus nemen als een publieke gezondheidskwestie, net zoals roken of slechte voeding.

Screening op eenzaamheid in de jeugd zou net zo normaal kunnen zijn als een gezondheidskeuring.


Beperkingen van het onderzoek

  • Het is een Noorse studie โ€“ cultuur en sociale context spelen een rol.
  • Eenzaamheid werd gemeten met รฉรฉn vraag. Hoewel dit veelgebruikt is, geeft het niet het volledige beeld.
  • Niet iedereen die begon, deed ook mee aan de tweede meting โ€“ wat het beeld kan vertekenen.

Toch is de boodschap duidelijk: eenzaamheid is geen tijdelijk gevoel. Het kan je lichaam jaren later nog beรฏnvloeden.


Conclusie: Verbondenheid is gezondheid

We moeten stoppen met het scheiden van โ€œgeestโ€ en โ€œlichaamโ€. Eenzaamheid is geen โ€œsoft issueโ€ โ€“ het is een risicofactor voor obesitas, hartziekten en andere chronische aandoeningen.

Vooral in de puberteit, een tijd van grote veranderingen, is sociale steun cruciaal. Wie zich verbonden voelt, heeft niet alleen een beter gevoel, maar ook een grotere kans op een gezonder lichaam โ€“ nu en in de toekomst.

Eenzaamheid risicofactor obesitas bij jongeren

Hoe goed weten leerkrachten eigenlijk hoe het brein werkt โ€“ en hoe kinderen leren? Dat onderzochten onderzoekers van University College London in een nieuw artikel (Arslan Y 2025). Ze gaven 366 leerkrachten in het Verenigd Koninkrijk een speciale test (de Educational Neuroscience Knowledge Test of ENKT) om te meten hoeveel ze wisten over hersenwetenschap in het onderwijs, en welke misvattingen ze hadden.

Wat bleek? Leerkrachten die tijdens hun opleiding een vak over hersenwetenschap hebben gevolgd, scoren veel beter dan anderen. Maar: hoe lang iemand al lesgeeft, maakt geen verschil in kennis. Ervaring alleen is dus geen garantie voor goed begrip van hoe leerlingen leren.

De test bestond uit twee soorten stellingen:

  • Waar (neuro-facts): bijvoorbeeld โ€œslaap is belangrijk om kennis vast te houdenโ€.
  • Onwaar (neuromythes): hardnekkige fabels zoals โ€œmensen gebruiken maar 10% van hun breinโ€.

Het doel was niet alleen te meten wat leerkrachten weten, maar ook of ze onzin kunnen herkennen. Dat is belangrijk, want veel mythes circuleren in scholen โ€“ vaak via nascholingen, blogs of sociale media โ€“ en kunnen leiden tot ondoeltreffende of zelfs schadelijke onderwijsmethoden.

Wat zijn de meest voorkomende misvattingen?

De meeste leerkrachten geloofden bijvoorbeeld:

  • Dat meertalige kinderen automatisch beter presteren op school (59% vindt dit waar).
  • Dat kinderen beter leren op hun โ€˜leerstijlโ€™ (visueel, auditief of kinesthetisch) โ€“ een mythe die al jaren wordt weerlegd (43% gelooft het nog steeds).
  • Dat visolie of omega-3 kinderen slimmer maakt (44% vindt dit nuttig voor leren).
  • Dat slechte spelling vaak betekent dat een kind letters achterstevoren schrijft โ€“ typisch bij dyslexie (64% vindt dit een veelvoorkomend symptoom).

En er was nog รฉรฉn verrassende mythe: bijna 70% van de leerkrachten denkt dat alle dove kinderen baat hebben bij visuele informatie, terwijl niet elk doof kind op dezelfde manier leert.

Waar helpt kennis van het brein bij?

Goede kennis helpt leerkrachten om:

  • Effectieve strategieรซn te kiezen, zoals spaced learning (kennis verspreiden over tijd) en retrieval practice (actief ophalen van kennis).
  • Te begrijpen dat kinderen met ADHD of dyslexie niet lui zijn, maar dat hun brein op een andere manier werkt.
  • Pseudowetenschap te herkennen, zoals de populaire Brain Gym-oefeningen, die volgens 50% van de leerkrachten helpen bij leren โ€“ terwijl er geen bewijs voor is.

Wat is de oplossing?

Het onderzoek laat duidelijk zien: informele nascholing of YouTube-videoโ€™s zijn niet genoeg. Wat wel helpt, is vaste, serieuze opleiding in hersenwetenschap tijdens de lerarenopleiding. Die moet worden opgenomen in het basiscurriculum, net zoals pedagogiek en vakdidactiek.

Ook ervaren leerkrachten kunnen bijleren, maar dan via goed opgezette nascholingen โ€“ niet via losse workshops of blogs. Anders blijven mythes hardnekkig blijven bestaan.

Conclusie in รฉรฉn zin

Goed lesgeven begint met begrijpen hoe het brein werkt โ€“ en die kennis moet je niet opdoen uit Google, maar uit je opleiding.

Ervaring leerkrachten beschermt niet tegen neuromythes

Dit legendarische werk van Antonio Damasio uit 1994 maakte het grote publiek bewust van het belang van emoties, maar het zit in de praktijk nog weleens in de weg. Dat heeft met drie zaken te maken:

๐Ÿญ. ๐—˜๐—บ๐—ผ๐˜๐—ถ๐—ฒ๐˜€

Volgens Damasio zijn emoties neurobiologische en vaak onbewuste reacties op stimuli. Wat verwarrend is, is dat men emoties niet voelt. De verwarring ontstaat omdat emotie hier een andere betekenis heeft gekregen dan men in de affectpsychologie hanteert en ook wat we in de volksmond emotie noemen. In de affectpsychologie heet het kern- of basisaffect, en dat is al sinds de publicatie van Douglas Russell in 1980.

๐Ÿฎ. ๐—ฆ๐—ผ๐—บ๐—ฎ๐˜๐—ถ๐˜€๐—ฐ๐—ต๐—ฒ ๐˜€๐˜๐—ฒ๐—บ๐—ฝ๐—ฒ๐—น

Die neurobiologische trigger leidt tot fysiologische veranderingen in het lichaam, zoals hartslag, ademhaling en hormonale reacties, een somatische stempel zoals Damasio het noemt. Dat lijken vaste patronen, maar die blijken niet zo eenduidig te zijn als verondersteld. Dit is een van de redenen waarom leugendetectie zo slecht werkt.

๐Ÿฏ. ๐—š๐—ฒ๐˜ƒ๐—ผ๐—ฒ๐—น๐—ฒ๐—ป๐˜€

Na het bewust worden ontstaat het gevoel, gevolgd door de interpretatie. Die gevoelens van Damasio zijn feitelijk wat men in de volksmond en in de affectpsychologie emotie noemt. Daarnaast is gevoel volgens de affectpsychologie veel breder, want kernaffect, gemoedstoestanden, pijn en emoties zijn allemaal gevoelens.

De grote verwarring

Damasio heeft een bestaand fenomeen een nieuwe naam gegeven en de betekenis van een bestaande naam veranderd. Basisaffect werd emoties en emoties werden gevoelens. Damasio staat hier geรฏsoleerd in, dus wij kiezen voor:

  1. Emotie -> Basisaffect
  2. Gevoelens -> Emotie
  3. Alles wat je voelt (basisaffect, gemoedstoestand, emoties) -> Gevoelens

Om het nog te compliceren heb je basisaffect en affect. Die laatste is een algemene term voor alles wat je voelt.

Neurobiologische fixatie

Naast de terminologie hebben we nog een probleem. De neurobiologische insteek heeft iets frenologisch, alsof er een vaste plek is waaruit emoties worden geproduceerd, maar dat is in strijd met de kennis die we hebben.

Amygdala en angst

Ja, mensen met beschadigde amygdalae voelen nooit angst, maar dat betekent niet dat de amygdalae die angst veroorzaken. Dit bleek ook toen men deze patiรซnten CO2 liet inademen, waarna ze de ervaring kregen van verstikking en in paniek raakten. Je hebt geen functionerende amygdalae nodig om angst te voelen, maar het is duidelijk dat de amygdalae een belangrijke evaluatieve rol spelen. Dit betekent dat de somatische stempelhypothese te strikt is.

Emotie als construct

Moderne emotieleer toont aan dat cognitie, dus betekenis, een belangrijke rol heeft bij het construeren van emoties. Damasio heeft veel betekend met zijn experimenten, maar zijn model is onvolledig en verwarrend. Het totaal aan bewijs toont dat emotie een construct is uit kernaffect en betekenis.

๐— ๐—ฒ๐—ฒ๐—ฟ ๐—น๐—ฒ๐—ฟ๐—ฒ๐—ป

Motivatiewetenschap bevat ook emotietheorie en je kunt het leren in de opleiding vitaliteitskundige (chivo.nl/ovk).

Over het algemeen is de communicatie van de Democraten meer in lijn met de feiten. Je zou kunnen veronderstellen dat de Democraten daarom meer gericht zijn op beleid dan partijdigheid. Dat valt nogal tegen.

Pulse of the Nation liet een marktonderzoeksbureau rondbellen en kon bij 3000 Amerikanen een antwoord krijgen op de vraag of ze van partij zouden veranderen, als blijkt dat die ideologie beter is voor de economie, criminaliteit en geluk.

Het antwoord is schokkend, maar heel duidelijk in lijn met wat sociale identiteitstheorie voorspelt, namelijk nee! In ieder geval zal meer dan 80 procent nee zeggen, ongeacht de partij waar ze lid van zijn.

Feiten en sociale identiteit in Amerikaanse politiek