De wetenschappelijke kennis over eenzaamheid bestaat al lange tijd, maar in de praktijk verwart men de kwantiteit van contacten vaak met de kwaliteit ervan. Mensen die meer in isolatie leven simpelweg in groepen plaatsen, lost het probleem niet op, blijkt opnieuw uit deze studie naar sociale asymmetrie (Quin 2026).
Methodologisch is de studie interessant, maar we focussen hier op de uitkomsten. De onderzoekers onderscheiden vier groepen:
- Weinig isolatie – weinig eenzaamheid
- Veel isolatie – veel eenzaamheid
- Weinig isolatie – hoge eenzaamheid
- Hoge isolatie – lage eenzaamheid
De eerste groep is de referentiegroep. Als de kwantiteit van contact een goede voorspeller zou zijn van kwaliteit, dan zou groep 3 ook na 10 jaar gezonder moeten zijn dan 4.
Na correctie voor leeftijd, geslacht, vermogen, opleiding, burgerlijke staat, etniciteit, roken, alcoholgebruik, fysieke activiteit, BMI en multimorbiditeit ziet men een patroon.
👉 Groep 3 (weinig isolatie, veel eenzaamheid) laat het hoogste CVD-risico zien (HR 1,28) en een trend naar een hoger beroerterisico (HR 1,31), hoewel de betrouwbaarheidsinterval voor beroerte de 1,00 raakt en feitelijk niet significant is.
👉 Groep 4 (veel isolatie, lage eenzaamheid) laat geen consistente risicostijging zien; sommige HR’s liggen dicht bij of onder 1,00, maar met brede betrouwbaarheidsintervallen door de kleine groepsomvang (n=377). Het is mogelijk dat als de groep groter wordt dat de resultaten veranderen.
De groepen uitgesplitst per gezondheidsuitkomst
Uitkomst 1. Hoge isolatie, lage eenzaamheid Referentiegroep* 2. Hoge isolatie, hoge eenzaamheid 3. Weinig isolatie, veel eenzaamheid 4. veel isolatie, lage eenzaamheid Sterfte 1,07 (0,99-1,17) 1,12 (1,01-1,23)† 1,11 (0,99-1,25) 1,10 (0,91-1,33) CVD 1,16 (1,03-1,31)† 1,22 (1,07-1,39)† 1,28 (1,09-1,50)† 1,16 (0,89-1,51) CHD 1,05 (1,04-1,06)† 1,25 (1,06-1,47)† 1,19 (0,97-1,46) 1,27 (0,92-1,75) Stroke 1,09 (1,08-1,11)† 1,10 (0,84-1,43) 1,31 (0,96-1,79) 0,94 (0,53-1,66) Hartfalen 1,22 (1,03-1,46)† 1,25 (1,03-1,53)† 1,26 (0,99-1,60) 1,34 (0,92-1,96) Dementie 1,11 (0,94-1,31) 1,19 (0,99-1,43) 1,17 (0,93-1,47) 0,98 (0,45-2,13) COPD 1,18 (0,99-1,38) 1,17 (0,97-1,41) 1,06 (0,85-1,33) 0,89 (0,61-1,29) Sociale kwetsbaarheid = residuscore >0; sociale veerkracht = residuscore ≤0 (referentie)* † Statistisch significant (95% BI exclusief 1,00)Rangorde gezondheidsprognose (van beste naar slechtste):
-
Concordant low lonely (referentie): Laagste incidentie, consistent beschermend profiel.
-
Discordant robust (hoog geïsoleerd, laag eenzaam): Enige groep met HR's <1,00 voor stroke, dementie en COPD, maar zeer brede CIs door kleine steekproef (n=377) → interpretatie vereist voorzichtigheid.
-
Concordant high lonely (hoog geïsoleerd, hoog eenzaam): Consistent verhoogde risico's over alle uitkomsten; significante HR's voor sterfte, CVD, CHD en hartfalen.
-
Discordant susceptible (laag geïsoleerd, hoog eenzaam): Hoogste CVD-risico (HR 1,28) en trend naar verhoogd stroke-risico. Onderstreept dat subjectieve eenzaamheid, los van contactfrequentie, een sterke cardiovasculaire risicofactor is.
Dit ondersteunt de sociale-asymmetriehypothese. Tien jaar geleden schreven wij al in ons artikel over eenzaamheid:
"Het onderscheid tussen alleen zijn en je eenzaam voelen is belangrijk. Je kunt eenzaam zijn in je eentje, in een groep en ook in een huwelijk."
Ook schreven wij:
"Nog interessanter is dat eenzaamheid ook nog eens ongezond gedrag uitlokt."
Dit sluit aan bij de praktijk. Vitaliteitskundigen die in het sociale domein werken maken een scherp onderscheid tussen de kwantiteit en kwaliteit van relaties. Dit naar aanleiding van de Zelfdeterminatietheorie, die onderscheid maakt tussen overleven en floreren. Dat verklaart waarom groepsinterventies nogal gemengde effecten hebben (Gillison 2019).
Het idee dat groepen bijdragen aan sociale verbondenheid als psychologische basisbehoefte wordt daarmee niet ontkracht. De ZDT stelt echter dat samenzijn schadelijk kan zijn als het vooral gericht is op overleven. Precies dat bevestigt deze sociale-asymmetriehypothese.
Hoe verhoog je dan de kwaliteit van contacten? Die kwaliteit wordt bepaald door de wederzijdse bevrediging van psychologische basisbehoeften. Het gaat niet alleen om warmte en begrip, maar ook om stimulans en het gevoel dat je vrijwillig in die relatie zit.
Voor een integraler model van gezondheid moeten we erkennen dat subjectieve ervaringen tot objectieve uitkomsten leiden. De weerstand daartegen is schadelijk, terwijl de data consistent zijn. Daarnaast moeten we erkennen dat autonomie in een relatie de kwaliteit bepaalt en niet domweg moeten sturen op het bijeenbrengen van groepen.
Meer leren over kwaliteit van relaties kan in onze module Identiteitsontwikkeling:
Wanneer discrimineren we tussen waar en onwaar? En wanneer hebben we de neiging om het te geloven? Discriminatie en geloven zijn twee verschillende processen die onderzoekers eens wilden scheiden.
Deze studie (Sultan 2026) bundelde data van 31 eerdere experimenten waarin 11.561 Amerikanen beoordeelden of nieuwsberichten waar of nep waren. In plaats van alleen eindresultaten te vergelijken, analyseerden ze elke individuele keuze (meer dan 256.000) opnieuw met één geavanceerd statistisch model. Ze wilden scheiden:
- Discrimineren van waar en nep krantenkoppen
- Snel geloven (naïviteit) of verwerpen (scepticisme)
Factoren als leeftijd, politieke voorkeur, analytisch denkvermogen en bekendheid met nieuws werden meegenomen, met rekening houdend voor verschillen tussen deelnemers, studies en specifieke berichten. Door alle data samen te voegen konden de auteurs precies vaststellen welke factoren bijdragen aan vatbaarheid voor misinformatie.
Resultaten
Discrimineren
👉 Leeftijd (-0,19)
👉 Analytisch denken (-0,19)
👉 Geslacht (-0,07)
Naarmate je ouder wordt, scheid je sneller echt van nep, ook als je analytisch kunt denken. Vrouwen herkennen nepnieuws iets vaker dan mannen.
Snel geloven
👉 Familiariteit (1,03)
👉 Ideologische congruentie (0,29)
👉 Gemotiveerde reflectie (0,16)
👉 Politieke identiteit (0,12)
👉 Educatie (0,10)
Als iets bekend voelt, nemen we het eerder aan als waar (illusoir waarheids-effect) – met afstand de grootste factor. Ideologische congruentie (of het nieuws overeenkomt met jouw ideologie) is een grote tweede. Opmerkelijk: hogeropgeleiden zijn sneller geneigd nepnieuws te geloven.
Overwegingen
De analyse toont dat er geen duidelijke samenhang is tussen het vermogen tot discrimineren en geloof. Dit is waarom ik lang heb aangegeven dat 'educatie' het probleem niet oplost. Ouderen en kritische denkers lijken beter in discrimineren en zijn sceptisch. Dat is (volgens de auteurs) een derde-variabele-argument. Ouder worden leidt tot beiden, maar discrimineren leidt niet tot minder naïviteit.
Het illusoir effect is een van de meest bevestigde mechanismen in de psychologie, niet vanwege misinformatie maar als manier om te leren. Dat het sterk bijdraagt aan schadelijke effecten van misinformatie is echter een aanname.
Labstudies zoals deze vertalen zich niet naar de praktijk. Deelnemers scoorden krantenkoppen zonder feedback of discussie zoals op sociale media. In de praktijk voert ideologie de boventoon. Als men in discussie gaat (en daarmee het discriminatievermogen vergroot), dan leidt dit tot terugtrekking in het ideologisch bastion, niet tot minder naiviteit.
Op basis van het totaal aan bewijs blijft ons standpunt dat men effecten van desinformatieverspreiding vooral oplost door affectieve polarisatie te verminderen, niet (alleen) met educatie.
Meer leren kan in onze module Toegepaste Ethiek (chivo.nl/mte), waarin we samenwerken behandelen vanuit een motivatieperspectief.
Hoe helpt leiderschap(sstijl) het vermogen van teamleden om zich aan te passen?
Methode
De onderzoekers selecteerden uiteindelijk 31 artikelen die voldeden aan strikte criteria: Engelstalig, peer-reviewed, kwantitatief, met gevalideerde meetinstrumenten en uitgevoerd in echte organisaties (Bonini 2026). Uit deze studies haalden ze 52 effectgroottes uit 32 steekproeven (totaal 11.640 deelnemers). Ze noteerden kenmerken zoals leiderschapsstijl, meetinstrumenten, sector en evaluatiemethode en voegden deze statistisch samen met een geavanceerde 3-level random-effects meta-analyse. Tot slot controleerden ze op publicatiebias en onderzochten ze of factoren zoals het type leiderschap, de sector of het onderzoeksdesign het verband beïnvloedden.
Resultaat
Ze kwamen de volgende leiderschapsstijlen tegen:
👉 Transformationeel
👉 Transactioneel
👉 Servant leadership
👉 Empowering
👉 Authentic
👉 Inclusive
👉 Humble
👉 Shared
👉 Self-leadership
👉 LMX
👉 Paradoxical
Het goede nieuws is dat de relationele kwaliteit tussen leidinggevende en teamleden en de contextuele fit het effect verklaarden. Het slechte nieuws is dat geen van de voorbesproken leiderschapsstijlen eruit sprong, wat overigens niet echt een verrassing is. Leiderschapsstijlen zijn veel te vage constructen.
Motivatie
Het positieve effect van leiderschap werkt via motiverende mechanismen (werkbevlogenheid, zelfeffectiviteit, intrinsieke motivatie) en relationele processen (psychologische veiligheid, vertrouwen), zo stellen de auteurs. In enkele van de 31 opgenomen studies fungeert de zelfdeterminatietheorie als mediator en wordt die samenhang ook gevonden. Behoefte-ondersteuning versterkt beide mechanismen.
Psychologoische basisbehoeften
In een recente meta-analyse (Hagger 2026) wordt dit bevestigd: behoefte-ondersteuning leidt tot meer behoeftebevrediging, wat weer leidt tot autonome motivatie, waardoor het aanpassingsvermogen van werknemers wordt vergroot.
In die meta-analyse zitten ook 35 longitudinale studies, maar die zijn helaas niet apart geanalyseerd. Daarnaast is behoefte-ondermijning niet gemeten, terwijl we weten dat dit nog een sterker (negatief) effect heeft. Dat gezegd hebbende, is het beeld uit verschillende meta-analyses dus heel consistent: behoefte-ondersteuning vergroot het aanpassingsvermogen van werknemers, ongeacht de leiderschapsstijl.
Meer leren
Wil je dit concreet inzetten in je organisatie bij het trainen van leidinggevenden, wend je dan tot een BOvV-vitaliteitskundigen zoals Moralys NL (moralys.nl/prl). Of stuur je L&D-medewerkers naar de opleiding Vitaliteitskundige van Chivo (chivo.nl/ovk), waar ze specialiseren in toegepaste motivatiewetenschap.
Dat psychologische basisbehoeften (PBB) observationeel en experimenteel samenhangen met gezond gedrag wisten we al, maar deze publicatie rapporteert een flinke effectgrootte. De enige die hierover schrijft is Metro. Het artikel kun je hier lezen:
Het gaat om drie studies (Richards 2026) : twee cross-sectionele studentenpopulaties en een longitudinale studie (5 metingen) met een representatief panel voor het Amerikaanse publiek.
Eenmalige meting
In de studentenpopulaties gaat het om matige coëfficiënten (r = .133–.237) in relatie tot alcoholbeschermingsmaatregelen volgens de Protective Behavioral Strategies Scale, zoals een BOB aanwijzen of alcohol niet combineren met andere drugs.
Interessant is dat de onderzoekers ook keken naar de vrijwilligheid van alcoholgebruik: in hoeverre vinden mensen het normaal om beschermingsmaatregelen te nemen of hun alcoholgebruik te beperken? Ze vonden een consistente samenhang met bevredigde PBB. Minder beschermingsmaatregelen hingen samen met gefrustreerde PBB. Ook werd er een samenhang gevonden met internalisering, dus de interne regels rond alcoholgebruik waar iemand zelf achter staat.
Meer metingen
De longitudinale studie is een secundaire analyse en bevat uitsluitend scores van PBB in relatie tot de ernst van alcoholgebruik. Er zijn cross-sectionele scores (|r| < .20) voor bevrediging en (r = .525) voor frustratie. Daarnaast is gekeken naar veranderingen over de tijd (vijf metingen). Bevrediging bleek niet significant (r = .269), maar de coëfficiënt voor frustratie was zeer hoog (r = .640).
Wat betekent dit?
Uit meta-analyses is bekend dat bevrediging van basisbehoeften beschermend werkt en frustratie problemen in de hand werkt. Gezonde internalisering is cruciaal en verloopt makkelijker bij bevredigde basisbehoeften. Steeds vaker blijkt dat problematisch gedrag los kan staan van bevredigde basisbehoeften, maar niet van gefrustreerde basisbehoeften.
Probleem leefstijlcoaching
Wij hebben altijd aangegeven dat leefstijlcoaching, en de GLI in het bijzonder, een beperkte invloed heeft omdat het zich richt op de verkeerde factoren.
Wat ook niet helpt, is dat een boek als ‘Planning Health Promotion Programs’, de zelfdeterminatietheorie in anderhalve pagina afdoet als ingewikkeld. Deze 'bijbel' voor gedragsinterventiesontwerp geeft theorieën zoals het transtheoretisch model—dat empirisch is ontkracht—meer aandacht. De aanbeveling om theorieën te combineren is al helemaal problematisch.
Ja, de zelfdeterminatietheorie is complex, maar ook het meest solide. Het vereist inderdaad veel expertise om effectieve interventies te ontwerpen. In plaats van redelijk zinloze interventies als een suikertaks zou het CBS de PBB landelijk moeten meten zoals het OECD nu voorstelt en kunnen beleidsmakers zich richten op maatregelen die de frustratie van PBB minderen. Ja, dat is radicaal, maar het alternatief is dingen blijven doen die niet werken.
Het ISTIC-project (Arntz A 2021) is een langlopend initiatief om schematherapie een betere onderbouwing te geven en dat is op basis van het werk van Carol Dweck.
Jeffrey E. Young, de grondlegger van ST, had zijn vijf domeinen en achttien schema's vooral gebaseerd op zijn klinische kennis en ervaring. Dat is een intuïtieve aanzet, en het is dan ook niet verrassend dat deze indeling in latere analyses niet standhield. Het ISTIC-project moet met de herformulering een stevigere basis geven, maar ik heb de onderbouwing met verbazing gelezen.
Ze verwijzen allereerst naar een heel nuttig hoofdstuk over menselijke basisbehoeften van Pittman en Zeigler.
Daarin worden zes theorieën behandeld en ook de criteria die Baumeister en Leary (1995) voorstelden om een psychologische basisbehoefte (PBB) te definiëren. Een flink deel wordt gewijd aan de solide empirische basis van de Zelfdeterminatietheorie (ZDT). Met die duidelijke onderbouwing van de ZDT zou je verwachten dat ze daar iets mee zouden doen, maar in plaats daarvan tovert men voor ISTIC een jonge, onbewezen theorie (2017) van Carol Dweck uit de hoge hoed.
Dweck definieert drie PBB (anders dan ZDT) en vier samengestelde behoeften (SB), zoals links in de afbeelding te zien is. De reden voor de keuze van Dweck is dat deze mooi zou overlappen (rechts) met de indeling van Young (midden), waarvan we inmiddels weten dat die is ontkracht. Er wordt geen statistische onderbouwing gegeven voor de vermeende overlap.
De SB die niet overlapt met het werk van Young is zelfcoherentie, waarvoor overigens ook geen duidelijk bewijs wordt geleverd. Toch vormt dit de basis voor een nieuw domein in het ISTIC-project. Verder introduceren ze nog een additioneel domein, namelijk rechtvaardigheid. Hiervoor verwijzen ze onder andere naar het klassieke werk van Brosnan en de Waal (2014), waarin apen verontwaardigd reageren als ze voor hetzelfde werk slechter worden beloond. De auteurs lijken echter niet op de hoogte te zijn van het feit dat het ongelijkheidsaversie werk bij dieren niet repliceert.
We hebben dus twee nieuwe domeinen op basis van een jonge, onbewezen theorie en een dubieus concept, dat een ontkrachte indeling moeten aanvullen. Hiervoor zijn nieuwe vragenlijsten ontworpen die in tientallen landen zullen worden gevalideerd. Dat is problematisch.
- Als het geen standhoudt
Dan heeft men veel tijd en geld geïnvesteerd op basis van een zeer wankele fundering.
- Als het wel standhoudt
Dan weten we nog steeds niet of die domeinen daadwerkelijk betekenisvol zijn, maar men zal stoppen met verder zoeken.
We beschikken over een solide macrotheorie, waarvan elk onderdeel aanzienlijk bewijs kent: de ZDT. Het is eeuwig zonde dat men deze kans niet heeft gegrepen, maar in plaats daarvan heeft gekozen voor een oppervlakkige gelijkenis boven een solide fundament.
Het World Happiness Report (WHR) 2026 is verschenen en de media creëren verwarring: het thema is ‘sociale media’, terwijl een gebrek aan behoefteondersteuning als belangrijkste oorzaak van verminderd welbevinden bij schoolgaande jongeren wordt genoemd. Je kunt het hier lezen:
De correlatie tussen sociale media en levenstevredenheid is zwak tot zeer zwak (|r| = 0,02–0,14), terwijl schoolgebondenheid 4 tot 14 keer sterker samenhangt met welbevinden. Voor meisjes in Engelssprekende landen is dit verband het sterkst negatief (r = -0,142). Dit blijkt uit hoofdstuk 2, gebaseerd op Gallup- en PISA-data. Het contrast tussen deze effectgroottes is cruciaal: waar sociale media slechts marginaal samenhangen met uitkomsten, lijkt de sociale context van school substantieel bepalender.
Schoolgebondenheid verwijst naar de mate waarin een leerling zich geaccepteerd, gerespecteerd, gesteund en gewaardeerd voelt binnen de schoolomgeving – door docenten, medeleerlingen en het systeem als geheel. Anders gezegd: de sociale context ondersteunt (of ondermijnt) psychologische basisbehoeften zoals autonomie, verbondenheid en competentie. Juist deze factoren staan bekend als fundamenteel voor motivatie en mentaal welbevinden.
Jonathan Haidt en Zackary Rausch presenteren in hoofdstuk 3 zeven lijnen van bewijs: (1) zelfrapportages van jongeren; (2) observaties van ouders, docenten en clinici; (3) interne bedrijfsdocumenten; (4) cross-sectionele studies; (5) longitudinale studies; (6) RCT’s; en (7) natuurlijke experimenten. Deze brede aanpak suggereert convergerend bewijs, maar de kwaliteit en interpretatie van de afzonderlijke lijnen verschillen.
Twee daarvan verdienen nadruk:
-
RCT’s: 1–4 weken onthouding leidt tot licht beter welbevinden. Het effect is klein maar consistent en niet per se klinisch relevant. Afleiding van je plichten kan zeker stress opleveren. Bovendien is onduidelijk in hoeverre dit effect standhoudt op langere termijn of afhankelijk is van context.
-
Longitudinaal: Nagata et al. (2025) toont dat sociale media latere depressieve symptomen voorspellen, maar niet andersom. Tegelijk is er significante residuele covariantie (β = 0,07; p < ,001), wat wijst op gedeelde invloeden zoals stressvolle gebeurtenissen, conflicten of sociale uitsluiting. Zulke factoren kunnen zowel gebruik verhogen (coping) als depressieve klachten versterken.
Hoofdstuk 4 vergelijkt standpunten van APA, NASEM en OSG. Opvallend is dat er slechts 1% overlap is in hun referenties, wat duidt op een gefragmenteerde kennisbasis en mogelijk selectieve interpretatie van bewijs. Dit bemoeilijkt eenduidige conclusies en beleid.
Conclusie: in westerse landen daalt levenstevredenheid, sterker bij jongeren. Sociale media bieden hiervoor geen afdoende verklaring, maar kunnen wel een bescheiden, contextafhankelijke rol spelen. Het rapport wijst vooral impliciet op het belang van sociale omgevingen die basisbehoeften ondersteunen, in het bijzonder binnen het onderwijs.
In grote lijnen kunnen we volgen dat aangename mensen niet altijd op de carrièresnelweg terechtkomen (nice girls/guys finish last), maar de auteur verslikt zich in zijn betoog door moraliteit synoniem te maken met aangenaamheid in combinatie met te veel uitweiding over evolutionaire psychologie. Dat maakt het artikel niet minder lezenswaardig.
De auteur stelt dat opvallen in de menigte een belangrijke factor is om in aanmerking te komen voor een leiderschapspositie, terwijl vriendelijk zijn vaak betekent dat je effectiever bent als leider omdat mensen bereid zijn meer voor je te doen. Opvallen hangt samen met extraversie en vriendelijkheid met aangenaamheid in het Big Five-model.
Je meer profileren (extraversie) zorgt ervoor dat je meer opvalt. Dat is lastig omdat de trek aangenaamheid ook het facet ‘bescheidenheid’ bevat. De auteur concludeert daarom dat je beter niet authentiek kunt zijn als je carrière wilt maken. Daar kun je het mee eens of oneens zijn, maar de logica is herkenbaar.
De auteur had hierop voort kunnen borduren, maar maakt een onnodig lange omweg in de evolutionaire interpretatie van moraliteit, terwijl het betoog voortbouwt op een wankel fundament, wanneer je moraliteit gelijkstelt met aangenaamheid. Daarom zal ik het fundament uitwerken.
Aangenaamheid is een erg dunne versie van moraliteit. Het ligt meer voor de hand om aangenaamheid aan te vullen met consciëntieusheid. Die combinatie verklaart meer van de variantie in effectief leiderschap en samenwerking. Extraversie (en eventueel openheid) zegt vooral iets over de rol die iemand in samenwerking inneemt. Ben je extravert en consciëntieus, dan neem je sneller initiatief en val je op. Ben je introvert en consciëntieus, dan borg je eerder procedures. Niemand hoort iets van je totdat regels worden geschonden.
Functionaliteit ophangen aan één trek (extraversie of aangenaamheid) oversimplificeert wat er werkelijk gebeurt en hoe reputaties ontstaan. Daarom werkt leiderschap beschrijven via het interpersoonlijk circumplex in de praktijk vaak slecht. Mensen kennen leiders eigenschappen toe die niet gemeten worden, maar wel belangrijk zijn.
Daarom blijven pseudowetenschappelijke modellen die vaak trekken combineren populair. Ze missen dimensies, maar vangen vaak precies de aspecten die mensen herkennen. Dat zien we ook in observantenrapportages: openheid en neuroticisme wijken daarin vaker af van zelfrapportages dan andere trekken. Scoor je hoog op neuroticisme maar ook op consciëntieusheid en aangenaamheid, dan merken collega’s weinig van je neuroticisme.
Ben je aangenaam en consciëntieus, dan kun je prima naar een leiderschapspositie toe groeien, mits je claimt waar je recht op hebt op basis van je bijdrage. Dat is moreel en daar hoef je niet extravert voor te zijn, maar wel empathisch assertief.
Meer leren:
Leiderschap is een specialisatie van de opleiding vitaliteitskundige (ovk). Meer info:
Dit soort discussies en opinies in de Volkskrant over placebo's blijven vaak oppervlakkig, omdat de juiste vragen niet worden gesteld. In dit geval gaat het over de ethiek van nepoperaties.
- Wat is een placebo (intentie of een niet-fysiologisch mechanisme)
De letterlijke betekenis van placebo — ‘ik zal u behagen’ — geldt feitelijk voor elke vorm van dienstverlening. Daar hebben we weinig aan. Daarom is een goede definitie van placebo cruciaal en vooral wijzen de kern van die vraag, namelijk of je mag liegen om te behagen. Laten we het gewoon noemen zoals het is: die discussie is in de jaren zeventig al beslecht door hoogleraar Sissela Bok. Het antwoord is nee.
- Werkzaam mechanisme
Als een placebo structureel leidt tot het verdwijnen van symptomen bij patiënten die alle mogelijke therapieën al geprobeerd hebben, dan is er een werkzaam mechanisme. Dat je het mechanisme niet begrijpt, betekent niet dat het er niet is.
- Psychologisch, niet fysiologisch
Dan kun je stellen dat een placebo psychologisch is en niet fysiologisch. Dat lijkt mij lastig te verdedigen als je weet dat cognitieve gedragstherapie doorgaans leidt tot vermindering van laaggradige inflammatie. Dat het via een psychologisch mechanisme werkt, maakt het nog geen placebo. Anders zou je moeten stellen dat psychotherapie bij depressie gewoon placebotherapie is. Veel succes met die discussie!
- Het voorspellend brein
Wij zijn cybernetische wezens met zelfregulatiemechanismen en feedbackloops die stabiliteit moeten creëren in een wereld vol chaos. Daarvoor moet het brein voorspellen vanuit een spreekwoordelijk mentaal model van de wereld in plaats van te reageren, want reageren is bijna altijd te laat. Die regulering vindt plaats via bayesiaanse inferentie en kent dus a priori gewichten in die voorspellingen. Het moeilijkste is die a priori gewichten te beïnvloeden. Daarom kun je angst voelen terwijl je cognitief weet dat er geen reden is. Soms heb je dus een paardenmiddel nodig om deze invloedrijke gewichten te beïnvloeden.
Nu richting een oplossing
Om de vraag te beantwoorden of je nepoperaties mag uitvoeren, stel je eigenlijk de verkeerde of de vervolgvraag. De vragen die je moet stellen zijn:
- Wat is het werkzame mechanisme?
- Kan ik dat doen met consent (en dus zonder te liegen)?
Het antwoord is ja. Je hebt soms een krachtig middel nodig om het voorspellende brein te overtuigen het mentale model te herijken. Dat kan bijvoorbeeld een nepoperatie zijn. Dat kun je prima uitleggen aan een patiënt zonder te liegen. Is de dit oplossing? Dat weten we nog niet, maar het zou de discussie wel naar de 21e eeuw brengen.
Nieuw onderzoek (Stephany 2026) toont aan dat AI-vaardigheden op cv's de kans op een sollicitatiegesprek significant verhogen met ongeveer 8 tot 15 procentpunten ten opzichte van kandidaten zonder deze vaardigheden.
De sterkste effecten werden gevonden voor
-
technische functies (software engineers: LinkedIn-certificering leidt tot ~72% uitnodigingskans) en een compenserend effect voor traditionele nadelen zoals hogere leeftijd (~60 jaar)
-
Voor lager onderwijsniveau (voor administratief personeel zonder bachelorgraad leiden universitaire AI-micro-credentials tot een stijging van maximaal 25 procentpunten (β=1,02). De waarde van formele certificering boven zelfgerapporteerde vaardigheden is over het algemeen bescheiden, behalve in compenserende contexten, dus lager onderwijs. Anders gesteld, een formele cursus heeft extra waarde zoals prompt-engineering.
-
Recruiters die zelf frequent AI gebruiken, waarderen AI-vaardigheden bij kandidaten aanzienlijk sterker (dagelijks gebruik: β=0,75, p<0,01 in vol model), en recruiters in de ICT-sector tonen een sterke voorkeur (β=0,87, p<0,01). Voor creatieve functies (graphic design) zijn de effecten zwakker, consistent met meer scepsis onder recruiters (43,8% negatieve sentiment versus 22,0-24,8% bij andere rollen).
Dit is interessante informatie voor re-integratiecoaches die de kansen van hun kandidaten willen vergroten, zeker degene die op leeftijd zijn.
Meer leren kun je via de idc Academie - opleiding tot re-integratiecoach, waar we je niet alleen leren motiveren, maar ook effectief navigeren door de regels om mensen op allerlei niveaus te helpen. Meer info:
Beoordelingsgesprekken vormen een gevoelig onderwerp dat geplaagd wordt door conflicterende uitkomsten in de literatuur. In deze megareview (Heine 2026), die je in één post nooit volledig recht kunt doen, hebben de auteurs 173 studies geanalyseerd, mediatoren van moderatoren gescheiden en hun bevindingen samengevat in de Performance Feedback Valence Theory.
Wij beperken ons daarom tot een aantal belangrijke factoren uit deze review:
- Antecedenten
Karakteristieken van de supervisor en ondergeschikte, evenals de context, beïnvloeden welke feedbackvalentie (positief of negatief) er wordt gegeven.
- Mediatoren
Rechtvaardigheid, zelfeffectiviteit, motivatie en de kwaliteit van de relatie verklaren hoe feedback de prestaties beïnvloedt.
- Moderatoren
Feedbackkarakteristieken en variabelen bij zowel de ondergeschikte als de supervisor bepalen wanneer effecten sterk of juist zwak zijn.
Zwaktes in onderliggende studies
Er zijn geen kwantitatieve effecten weergegeven omdat de onderliggende publicaties dat niet mogelijk maken. Het gegeven dat de auteurs 75 verschillende labels hebben gevonden in relatie tot feedback, geeft aan hoe uiteenlopend de interpretaties zijn. Daarnaast bleek meer dan 50 procent van de studies niet aan te geven of de feedback positief of negatief was. Wel is aangegeven hoe robuust de onderliggende studies zijn.
Het belang van relaties
De review benadrukt dat feedback niet op zichzelf staat, maar ingebed is in relationele en contextuele factoren. Praktisch impliceert dit dat organisaties moeten investeren in de relatieopbouw tussen supervisors en medewerkers voordat negatieve feedback wordt ingezet. Dat is een hele gerichte aanbeveling.
Aangezien de relatie een belangrijke component is in hun theorie, maken de auteurs gebruik van LMX-metingen in de literatuur, met de kanttekening dat LMX niet alle facetten van relaties vangt. LMX heeft tekortkomingen, maar wordt veel gehanteerd. De relatiemotivatietheorie, waarin de kwaliteit van de relatie wordt uitgedrukt in de mate waarin men wederzijds de psychologische basisbehoeften ondersteunt, zou wat mij betreft een goed toekomstig alternatief kunnen zijn.
Positieve en negatieve feedback werkt
Voor positieve feedback geldt dat deze robuust werkt, maar supervisors moeten specifiek benoemen wat er goed ging om de versterking te maximaliseren. Dit is belangrijk voor leidinggevenden die inschikkelijk zijn en negatieve feedback vermijden; zij kunnen zonder specificatie geen prestatieverbetering verwachten. Negatieve feedback werkt eveneens goed, mits de relatie goed is.
Zowel eigenwaarde en eigen effectiviteit als geslacht (vrouwen worden consistent lager gewaardeerd door vooral mannelijke supervisoren) en daarmee ook rechtvaardigheid hebben invloed op de relatie tussen feedback en prestatie.
Het veld vooruit
Aangezien deze review de gemeenschappelijke factoren destilleert die robuust genoeg zijn, werken de auteurs toe naar een nieuwe theorie. Dat brengt het vakgebied weer een stap voorwaarts!
Meer leren over het onderwerp kun je in de opleiding Vitaliteitskundige (ovk).
