De opleiding Leiderschap heeft een nieuwe naam, namelijk organisatie vitaliteitskundige. Het is gericht op ontwerp van een mensgerichte organisatie en kent de module Professioneel Leiderschap (trainen van leidinggevenden) en Transitioneel Leiderschap (organisaties / samenleving helpen met veranderen).
Vereiste voor deelname is een diploma vitaliteitskundige.
Dit reviewartikel (Liden, et al 2025) concludeert dat leiderschapsonderzoek de afgelopen eeuw aanzienlijk is geëvolueerd: van trait- en gedragsmatige benaderingen naar relationele en stijlgebaseerde perspectieven, met recent een verschuiving naar morele leiderschapsbenaderingen en destructief leiderschap.
De onderzoekers beschrijven dat persoonlijkheidstrekken (traits) leiderschap slechts in beperkte mate voorspellen, evenals de grote-mantheorie. Vervolgens introduceren de auteurs het werk van Fleishman en Yukl, die leiderschapsgedrag beschrijven aan de hand van componenten zoals taak-, relatie- en veranderingsgerichtheid. Deze componenten werden echter al snel naar de achtergrond verdrongen door de opkomst van leiderschapsstijlen, relatiekwaliteit en aandacht voor moreel en destructief leiderschap.
Geleidelijk maken de auteurs duidelijk dat het veld sterk gefragmenteerd is en kampt met gebrekkige wetenschappelijke theorievorming. Daarom beschrijven zij zes onderzoeksrichtingen:
- Macht en gezag (hiërarchie kan ontstaan via dominantie of prestige)
- Gedragsprofielen (profielen op basis van gedragscomponenten)
- De rol van de volger (waarom kiest een volger een bepaald type leider en wat is het voordeel?)
- Leidercentrische impact (wat is het effect op de leider?)
- Teamdifferentiatie (vereisen verschillende soorten teams ander leiderschap?)
- Digitaal leiderschap (welk gedrag is effectief in virtuele en hybride teams?)
Het motivatieperspectief
Vanuit de motivatiewetenschap zijn veel van deze vragen al goed te beantwoorden. Het effect van macht en gezag op zowel de leider als de volgers is bekend, omdat het psychologische basisbehoeften bevredigt of frustreert.
Omdat psycholexicaal onderzoek op systematische wijze gedrag, gevoel en gedachten beschrijft, is het mogelijk zowel de persoonlijkheid als de gedragscomponenten van Fleishman en Yukl te beschrijven. Inmiddels begint ook steeds duidelijker te worden wat mensen precies verstaan onder moraliteit en welke factoren een belangrijke rol spelen in de samenwerking en interpersoonlijke verhoudingen.
Omdat de relatie, verbondenheid en context belangrijke onderdelen van motivatie vormen, is het ook duidelijk wat echt contact inhoudt en dat dit ook buiten fysieke nabijheid opgebouwd kan worden, zoals in virtuele teams. Er is dus al veel bekend over deze onderzoeksrichtingen en deze kennis is nu al concreet toepasbaar.
Agency en communion
Belangrijker nog is dat leiderschap heel goed gefundeerd kan worden in wetenschappelijke theorie. De zelfdeterminatietheorie kan goed duiden hoe een leidinggevende met teamleden om moet gaan, maar verklaart niet waarom een leidinggevende noodzakelijk is. De evolutionaire psychologie kan dat echter wel, waardoor beide perspectieven elkaar aanvullen. De review maakt feitelijk een karikatuur van de evolutionaire psychologie door het te verschralen tot de grote mantheorie, maar de onderliggende processen zijn veel subtieler.
Het gaat namelijk om evolutionaire adaptaties die oplossingen bieden voor samenwerkingsproblemen. Deze kunnen ondergebracht worden in een overkoepelend organiserend raamwerk dat draait om de metamotieven agency (getting ahead) en communion (getting along). In dat raamwerk kunnen ook andere psychologische constructen worden ondergebracht, zoals basisbehoeften, waarden en persoonlijkheid, maar ook onpersoonlijke samenwerkingsconstructen via instituten. Die integratie via dit raamwerk is, wat ons betreft, hoe de toekomst van leiderschapsonderzoek er in de toekomst uitziet en de toekomst is nu!
Wil je hulp met advies en implementatie voor leiderschap, dan kun je je laten consulteren door organisatie vitaliteitskundigen. Meer inro.
chivo.nl/oov
De term positieve mentale gezondheid klinkt vanzelfsprekend. Maar zodra je probeert precies te definiëren wat het betekent, beland je al snel in een wirwar van begrippen: well-being, flourishing, happiness, kwaliteit van leven. Wordt hier hetzelfde bedoeld, of net niet?
Een recente studie van Marco Iasiello en collega’s probeert precies dat probleem aan te pakken. Niet door één theorie op te leggen, maar door experts wereldwijd te laten zoeken naar consensus. Het resultaat: een voorlopig, maar opvallend robuust kader van wat positieve mentale gezondheid zou kunnen zijn.
Een veld vol verwarring
In onderzoek én praktijk worden termen vaak door elkaar gebruikt. Dat leidt tot wat psychologen jingle-jangle fallacies noemen:
- Jingle: dezelfde term betekent verschillende dingen
- Jangle: verschillende termen betekenen (bijna) hetzelfde
Het gevolg? Studies zijn lastig te vergelijken, interventies moeilijk te evalueren, en beleid mist scherpte.
Deze studie vertrekt vanuit een simpele maar krachtige vraag:
Waar zijn experts het wél over eens?
Wat blijkt: verrassend veel consensus
Ondanks verschillende achtergronden (van psychologie tot filosofie en geneeskunde) bereikten experts behoorlijk sterke overeenstemming.
De dimensies met de hoogste consensus zijn opvallend herkenbaar:
- betekenis en doel in het leven
- tevredenheid met het leven
- zelfacceptatie
- verbondenheid met anderen
- autonomie
- geluk
Deze kwamen allemaal boven de 90% consensus uit. Dat is opmerkelijk hoog voor een veld dat zo gefragmenteerd is.
In totaal werden 19 dimensies geïdentificeerd als onderdeel van positieve mentale gezondheid. Slechts één viel duidelijk af: avoidance coping (vermijdingsgedrag).
Maar… wat is oorzaak en wat is gevolg?
Hier wordt het interessant.
Niet alle dimensies spelen dezelfde rol. Sommige lijken meer uitkomsten van mentale gezondheid:
- geluk
- levensvoldoening
Andere lijken eerder drivers (oorzaken of voorwaarden):
- autonomie
- gevoel van veiligheid
En dan is er een grote middengroep die beide lijkt te zijn:
- betekenis en doel
- zelfacceptatie
- optimisme
- betrokkenheid
Dat maakt één ding duidelijk:
👉 positieve mentale gezondheid is geen simpel lijstje eigenschappen, maar een dynamisch systeem.
Geen definitieve definitie (en dat is belangrijk)
Hoewel de studie een belangrijke stap zet, lossen de auteurs het kernprobleem niet volledig op.
De grens blijft vaag tussen:
- wat deel is van mentale gezondheid
- wat het veroorzaakt
- en wat eruit voortkomt
Tijdens de studie zelf kregen de onderzoekers hier ook feedback op. Hun definitie werd aangepast, maar bleef onderwerp van discussie.
De eerlijkste conclusie is dus:
👉 dit is geen eindpunt, maar een werkbaar tussenstation.
Wat maakt deze studie sterk?
Er zijn een paar duidelijke pluspunten:
- Multidisciplinair panel (11 vakgebieden)
- Zeer ervaren experts (gemiddeld ~20 jaar ervaring)
- Sterke overeenstemming (ICC = 0.939)
- Combinatie van cijfers en inhoudelijke feedback
Dit maakt het één van de meest systematische pogingen tot conceptuele ordening in dit veld.
…en waar zitten de beperkingen?
Tegelijk zijn er belangrijke kanttekeningen:
- Lage respons (ongeveer 10%) → mogelijke bias
- Sterk westers perspectief
- Geen systematische weging van empirisch bewijs per dimensie
- Mogelijke canon-bias (bekende theorieën krijgen meer gewicht)
- Weinig input van ervaringsdeskundigen
Met andere woorden: dit is vooral een academisch perspectief op mentale gezondheid.
Waarom dit toch belangrijk is
Ondanks de beperkingen is de impact groot.
Dit soort werk helpt om:
- meetinstrumenten beter op elkaar af te stemmen
- interventies consistenter te evalueren
- beleid beter te onderbouwen
- en discussies preciezer te voeren
Misschien nog belangrijker: het laat zien dat er wel degelijk gedeelde grond bestaat.
Tot slot: een werkbare manier om ernaar te kijken
Als je alles samenbrengt, kun je positieve mentale gezondheid voorlopig zien als:
een samenhangend geheel van ervaringen (zoals geluk en tevredenheid),
capaciteiten (zoals autonomie en competentie),
en relaties (zoals verbondenheid en betekenis)
Maar met één belangrijke nuance:
de grenzen tussen oorzaak, kern en gevolg zijn niet scherp.
En misschien is dat geen probleem, maar juist een weerspiegeling van hoe complex mensen zijn.
##
We kennen allemaal het begrip flow. De Hongaars-Amerikaanse psycholoog Mihály Csíkszentmihályi beschreef acht factoren die hieraan bijdragen, maar de auteurs van een nieuw onderzoek (De Kerf, et al 2026) hanteren drie ervaringsfactoren:
- Absorptie (maximale focus)
- Moeiteloze controle (gevoel van grip zonder inspanning)
- Intrinsieke beloning (de activiteit zelf is motiverend)
Deze factoren worden afgezet tegen de ervaring van uitdaging (challenge) en belemmering (hindrance). De combinatie van deze vijf dimensies leidt tot zes profielen:
- Diepe flow
- Microflow
- Ambivalent (mix van diepe flow en microflow)
- Verveeld
- Angstig
- Overweldigd
Dit onderzoek biedt waardevolle handvatten voor organisaties en individuen, omdat het afstand neemt van het idee dat flow één ‘heilige graal’ is. Door te erkennen dat er meerdere vormen van flow en niet-flow bestaan, kunnen interventies veel gerichter worden ingezet.
Belangrijkste toepassingen:
- Voor managers en leiders
Stuur actief op uitdaging en minimaliseer belemmeringen. Uitdaging voorspelt diepe flow, terwijl belemmeringen deze juist blokkeren.
➡️ Taakontwerp: presenteer werk als betekenisvolle uitdagingen waarin groei mogelijk is.
➡️ Verwijder belemmeringen: beperk bureaucratie, onduidelijke doelen en gebrek aan middelen.
➡️ Autonomie: geef medewerkers ruimte om zelf te bepalen hoe zij een taak aanpakken, wat het gevoel van controle versterkt.
- Persoonlijke effectiviteit
Mensen verschillen in hun flow-profiel: ‘Deep Flow-ers’, ‘Microflow-ers’ en ‘Ambivalenten’.
➡️ Zelfinzicht: wie diepe flow ervaart, heeft vaak lange, ononderbroken werktijd nodig. Microflow-profielen halen juist energie uit korte, afwisselende taken met directe feedback.
➡️ Realistische verwachtingen: microflow (ongeveer 44% van de tijd) is de norm in veel werkomgevingen en draagt bij aan productiviteit en tevredenheid.
- Interventie bij negatieve staten
➡️ Verveling (lage uitdaging, hoge controle): verhoog de moeilijkheidsgraad of voeg variatie toe.
➡️ Angst of overweldiging (hoge uitdaging, lage controle): verdeel taken in kleinere stappen, bied ondersteuning en verduidelijkt verwachtingen om het gevoel van controle te herstellen.
- HR en werving & selectie
➡️ Stem functies af op voorkeuren voor werktempo en complexiteit.
➡️ Deep Flow-profielen passen minder goed bij rollen met frequente onderbrekingen, terwijl Microflow-profielen daar juist kunnen excelleren.
Kortom:
Flow ontstaat niet toevallig, maar uit een balans tussen uitdaging en controle. Door belemmeringen actief te verminderen en verschillende vormen van focus te erkennen, kunnen we werk slimmer en effectiever organiseren in plaats van alleen harder te werken.
Het ZDT perspectief
Vanuit een zelfdeterminatietheorie perspectief wordt gesteld dat (micro)flow het dichtst ligt bij de psychologische basisbehoefte competentie, maar stellen dat deze ervaring alleen maar ontstaat als er sprake is van autonomie. De koppeling met competentie is uitsluitend uit te leggen als je de originele betekenis hanteert, namelijk een succeservaring uit een stimulerende activiteit. Nu wordt vooral bekwaamheid gemeten en daar is de samenhang met flow minder sterk.
Meer leren
Dit zijn principes die bijvoorbeeld te combineren zijn met job crafting. Als je daar advies in wilt, dan kun je een organisatie vitaliteitskundige raadplegen zoals bij Moralys NL of je coaches sturen naar de opleiding vitaliteitskundige (chivo.nl/ovk).
Er is veel onderzoek dat suggereert dat persoonlijkheid kan veranderen, en de meta-analyse van Brent W. Roberts (2017) is de meest geciteerde. Wij zijn daar kritisch over, omdat therapie gericht op angst bijvoorbeeld leidt tot verlaagde scores op de trek neuroticisme, maar ook tot een toename van de trek extraversie. De vraag is dan of je persoonlijkheid daadwerkelijk is veranderd, of dat je door minder angst simpelweg meer jezelf kunt zijn.
Toch zijn er verschillende theorieën over de verandering van trekken, zoals situation in trait, whole trait en ook het TESSERA-raamwerk. In dat laatste geval gaat men ervan uit dat herhaald gedrag leidt tot stabiel gedrag, maar dat is volgens de auteurs te weinig specifiek. Daarom stellen de onderzoekers (Bleidoorn, et al 2026) het ABC-model voor, dat staat voor:
👉 Affect (gevoel)
👉 Behavior (gedrag)
👉 Cognition (gedachten)
Dit zou moeten leiden tot vier paden naar verandering:
- Verandering via de dominante kerncomponent van een trek
- Gecoördineerde verandering in alle drie de componenten
- Equifinaliteit, waarbij verandering in één component volstaat
- Persoonspecifieke paden
Dit zijn nogal wat scenario’s die wel te testen zijn, maar gezien de interacties tussen de componenten, de koppelingen met de paden en het feit dat ze ook nog trekspecifiek kunnen zijn, is het geheel zeer complex.
💡 Motivatie
Nog interessanter is dat er naast affect, behavior en cognition mogelijk nog een component ontbreekt: desire (motivatie). Dus niet ABC, maar ABCD. De auteurs stellen dat motivatie een combinatie is van affect en cognition. Dat gaat echter vooral over de kwantiteit van motivatie en niet zozeer over de kwaliteit. Je kunt bijvoorbeeld vinden dat je iets moet veranderen, je daarnaar gedragen en je daar goed bij voelen. Dat zegt echter weinig over de kwaliteit van de motivatie, terwijl daar wel aanwijzingen voor zijn.
In een onderzoek (Moore, et al 2021) waarin studenten doelen formuleerden, bleek dat 20 procent bestond uit persoonlijkheidsveranderdoelen. Die doelen kunnen voortkomen uit autonome redenen of uit gecontroleerde redenen (interne en externe druk). Deze werden vooraf geïnventariseerd. Na verloop van tijd bleek dat autonome redenen leiden tot betere vooruitgang, terwijl gecontroleerde redenen deze juist remmen.
Autonome motivatie kun je nog steeds zien als een combinatie van affect en cognitie, maar dan zeer specifiek. In dat geval vormt het een vijfde pad. Je kunt het ook beschouwen als een compleet nieuwe factor. Dit suggereert dat het voorgestelde model verre van compleet is, maar zeker niet nutteloos.
🔎 Meer leren
Wij bekijken persoonlijkheid altijd door de lens van toegepaste motivatiewetenschap. Dat biedt andere invalshoeken die niet alleen een positief effect hebben op verandering, maar ook op welbevinden en prestatie. Meer leren doe je in onze los te volgen module Identiteitsontwikkeling (chivo.nl/mio), onderdeel van de opleiding tot vitaliteitskundige (chivo.nl/ovk) van Chivo.
Stress in de werkomgeving wordt al decennia onderzocht, maar een recente meta-analyse (Sawhney 2026) biedt een dieper inzicht in de relatie tussen antecedenten en uitkomsten.
De belangrijkste bevindingen zijn:
👉 Rolonduidelijkheid verklaart het grootste deel van de variantie in taakprestatie (80,7%), organisatieburgerschapsgedrag (86,0%), jobtevredenheid (63,3%) en work engagement (69,7%).
👉 Rolconflict is de belangrijkste voorspeller van burn-out (47,5%), psychologische distress (44,5%), contraproductief werkgedrag (55,9%) en turnoverintenties (55,6%).
👉 Roloverbelasting is de belangrijkste voorspeller van negatieve affectie (53,7%) en fysieke symptomen (43,1%).
Welke factoren dragen hieraan bij (antecedenten)?
➡️ Persoonlijkheid:
Neuroticisme hangt positief samen met rolconflict (ρ = 0,27) en roloverbelasting (ρ = 0,16). Negatieve affectiviteit hangt positief samen met rolonduidelijkheid (ρ = 0,30), rolconflict (ρ = 0,28) en roloverbelasting (ρ = 0,20). Positieve affectiviteit hangt negatief samen met rolonduidelijkheid (ρ = -0,24) en roloverbelasting (ρ = -0,15). Consciëntieusheid hangt negatief samen met rolconflict (ρ = -0,21).
➡️ Demografie:
Leeftijd hangt negatief samen met rolonduidelijkheid (ρ = -0,09) en rolconflict (ρ = -0,05). Mannen rapporteren iets meer rolonduidelijkheid (ρ = -0,04) en conflict (ρ = -0,05) dan vrouwen. Opleidingsniveau (ρ = 0,08), functieniveau (ρ = 0,12) en anciënniteit (ρ = 0,07) hangen positief samen met roloverbelasting.
➡️ Werkkenmerken:
Autonomie (ρ = -0,37), feedback (ρ = -0,65), taakidentiteit (ρ = -0,42), taaksignificantie (ρ = -0,39) en vaardigheidsvariatie (ρ = -0,23) hangen negatief samen met rolonduidelijkheid.
➡️ Steun en leiderschap:
Supervisorsteun, collegasteun en organisatiesteun hangen consistent negatief samen met alle drie de stressoren (bijv. supervisorsteun en ambiguïteit: ρ = -0,40). Transformationeel leiderschap en LMX hangen negatief samen met rolonduidelijkheid (ρ = -0,39 en -0,48).
Op basis van relatieve gewichtsanalyse blijkt opnieuw:
👉 Rolonduidelijkheid heeft de grootste invloed op prestaties en betrokkenheid.
👉 Rolconflict hangt het sterkst samen met negatieve psychologische en gedragsuitkomsten.
👉 Roloverbelasting beïnvloedt vooral emotionele en fysieke klachten.
Er zijn dus veel aangrijpingspunten om werkstress beter te managen. Dit kan onder meer door het trainen van leidinggevenden (met aantoonbaar effect), maar werkt het best wanneer dit geïntegreerd wordt in organisatieontwikkeling en transitiebegeleiding.
Wil je advies of begeleiding bij zo’n traject, neem dan contact op met een BOvV-organisatievitaliteitskundige zoals Moralys NL (moralys.nl). Je kunt medewerkers ook verwijzen naar de opleiding Vitaliteitskundige (chivo.nl/ovk) van Chivo.
Bedrijven zoeken naar manieren om te verschuiven naar een mensgerichte organisatie, maar raken vaak verward door de veelheid aan concepten en constructen. Daarom hanteren wij een organiserend raamwerk van agency (getting ahead) en communion (getting along), die wij aanduiden als metamotieven. Mensgericht betekent voor ons: handelen in lijn met de menselijke natuur. Daarom nemen wij fundamentele motieven als uitgangspunt.
Dit raamwerk werd geïntroduceerd door de Amerikaanse psycholoog David Bakan, die deze motieven beschreef in zijn boek 'The Duality of Human Existence' uit 1966. Later zijn verschillende varianten ontwikkeld, waarvan het interpersoonlijk circumplex (IPC) van Wiggins dominant is. Daardoor is het bijna synoniem geworden voor agency en communion, hoewel het een smalle interpretatie betreft.
Agency en communion zijn bredere concepten en kunnen worden beschouwd als evolutionaire oplossingen voor samenwerkingsproblemen. Communion beschrijft de mate waarin iemand wil samenwerken, terwijl agency de rol binnen die samenwerking weergeeft. Meer agency betekent initiatief; minder agency duidt op een ondersteunende rol.
Wij introduceren daarnaast de concepten anti-agency en anti-communion. Belangrijk is dat laag op agency of communion niet hetzelfde is als anti. Anti impliceert tegenwerking en heeft daarmee een morele dimensie. Anti-communion betekent het frustreren van samenwerking, terwijl anti-agency staat voor het remmen van vooruitgang. In het oorspronkelijke concept bestaat wel unmitigated communion, maar dat is niet anti: het betreft onbegrensde communion die leidt tot opoffering.
De interesse in agency en communion ligt in hun universele karakter. In het cross-culturele Big Two-project (CCB2) worden deze dimensies op elk continent teruggevonden, maar modellen als Big Five en HEXACO niet. Dat biedt overtuigende empirische onderbouwing.
Het is mogelijk om basisbehoeften, basiswaarden, het IPC, HEXACO en cultuur statistisch op deze assen te projecteren, wat het nut van een organiserend raamwerk onderstreept. Een goede mix van agency en communion leidt tot integratie; het tegenovergestelde leidt tot desintegratie of maladaptatie van de regulatie (klinisch relevant).
In het bedrijfsleven werkt een systeem als CUBRIX met deze assen, maar het kent geen anti-pool en vermengt ze met concepten zonder empirische basis, zoals Spiral Dynamics. Ook de Circumplex Leadership Scale (CLS) maakt gebruik van deze assen, maar door de smalle IPC-basis kun je er veel eigenschappen niet goed in onderbrengen. De initiële analyse voor de CLS had niet voor niets 13 factoren in plaats van 2.
De complexiteit van het psychologische domein vraagt om een overkoepelend raamwerk. Het totaal aan bewijs voor agency en communion, aangevuld met anti-polen, is voor ons de meest geschikte basis voor de mensgerichte organisatie.
Meer hierover leren? Dat kan in onze opleiding Vitaliteitskundige (chivo.nl/ovk).
Deze video van Jimmy Carr over de manosphere is inspirerend en sympathiek. Er zitten echt goede stukken in en ook echt hele slechte, en die laatste gaan vooral over de goede oude tijd.
Dé oplossing?
Jonge mannen in een café, plaatsen waar ze sociaal kunnen zijn onder begeleiding van ouderen, hebben ons niet weerhouden van de Eerste of de Tweede Wereldoorlog, om maar even meteen met de deur in huis te vallen. Er zijn geen simpele oplossingen voor complexe problemen.
Psychologische voeding
Er is al veel kennis over wat mensen, dus ook jonge mannen, nodig hebben. Wat we bijvoorbeeld weten, is dat niet alle jonge mannen hetzelfde zijn. Die kennis vertelt ons dat we allemaal essentiële voedingsstoffen nodig hebben, zoals eiwitten, vitamines en mineralen. Het betekent echter niet dat we allemaal dezelfde gerechten moeten eten. Dat geldt ook voor psychosociale ontwikkeling.
Essentiële psychologische voedingsstoffen
Sommigen gaan goed op hartig en anderen meer op zoet. Jonge mannen in een café stoppen is dus óf hartig óf zoet door de strot heen duwen, terwijl we jonge mannen vooral moeten leren wat de essentiële psychologische voedingsstoffen zijn, om vervolgens te kijken via welke “gerechten” ze die binnen kunnen krijgen. Het is ook belangrijk dat ouders, leerkrachten, leidinggevenden en beleidsmakers dit begrijpen en kunnen vertalen in gericht advies en actie. Want dat is het andere probleem van Carr, namelijk dat hij denkt dat de traditionele rolmodellen de jonge mannen kunnen helpen met het navigeren in een wereld waar ze zelf in zouden verdwalen.
Status
Dat men in de manosphere zowel kwetsbaar als sterk statusgevoelig is, dat blijkt uit onderzoek naar jonge mannen die zich aangetrokken voelden tot de groep, maar ook vertrokken zijn (Bottom 2024). De status is belangrijk omdat hij een sterk boostend effect heeft op de eigenwaarde. Het probleem is dat het helaas een voorwaardelijke eigenwaarde is en ook nog eens sterk leunt op jezelf omhoog te drukken door anderen (vrouwen en bèta-mannen) naar beneden te trappen. Het is daarmee nogal fragiel. Wil je dit stabiliseren dan zul je intrinsieke eigenwaarde op moeten bouwen en die vloeit voort uit bevredigde basisbehoeften.
De manosphere
Als het gaat om de manosphere-documentaire, dan gaat het vrijwel zonder uitzondering over jonge mannen die zonder vader zijn opgegroeid en daar hun moeder de schuld van geven. Het is onwaarschijnlijk dat een café dat probleem oplost. Carr is intelligent en inspirerend, maar niet per se geïnformeerd. Het is compassievol populisme dat appelleert aan een geromantiseerd verleden dat nooit bestaan heeft…
Het effect van misinformatie is zwaar overschat, zo is ons standpunt op basis van de wetenschappelijke literatuur en onze praktijkervaring. Deze prachtige review van psycholoog en politiek wetenschapper Sacha Altay trekt het samen.
Sinds de Amerikaanse verkiezingen van 2016 en de COVID-19-pandemie is er een enorme focus op misinformatie. Ondanks de toename in onderzoek en interventies (zoals fact-checking en mediawijsheid), blijft er een kloof bestaan tussen wat we weten over het informatie-ecosysteem en hoe we interventies ontwerpen. Veel interventies gaan uit van een "infodemie"-scenario dat empirisch niet volledig houdbaar is.
Verschillende standpunten en argumenten van de auteur:
1. Blootstelling aan misinformatie
Argument: Men denkt vaak dat misinformatie dominant is.
➡️ Tegenargument/Feit: Kwantitatieve studies tonen aan dat onbetrouwbaar nieuws slechts 0,7% tot 6% van het online dieet beslaat. Slechts 0,15% van de totale online media-consumptie is daadwerkelijk misinformatie. Het probleem is geconcentreerd bij een kleine groep 'super-sharers'.
Effect: Interventies die misinformatie volledig zouden elimineren, hebben minder effect op de algehele nauwkeurigheid van overtuigingen dan een verbetering van 1% in de acceptatie van betrouwbare informatie.
2. De psyche van de consument: Lichtgelovigheid vs. Scepticisme
Argument: Mensen geloven alles wat ze online zien (gullibility).
➡️ Tegenargument/Feit: Mensen zijn juist overmatig sceptisch ("generalized skepticism"). Ze wantrouwen vaak vaker ware informatie uit angst om voor gek gezet te worden dan dat ze valse informatie klakkeloos aannemen.
Implicatie: Interventies gericht op nóg meer scepsis (zoals sommige mediawijsheidstrainingen) kunnen averechts werken door ook het vertrouwen in kwaliteitsjournalistiek te ondermijnen.
3. Misinformatie als symptoom
Argument: Misinformatie veroorzaakt maatschappelijke ontwrichting.
➡️ Tegenargument/Feit: Misinformatie gedijt daar waar instellingen al gewantrouwd worden en waar sterke affectieve polarisatie heerst. Mensen zoeken misinformatie actief op om hun identiteit te bevestigen of hun afkeer van de elite te uiten. Het is een vraag-gestuurd probleem, geen aanbod-probleem.
4. De rol van elites en super-spreaders
Argument: De gemiddelde burger is het probleem.
➡️ Tegenargument/Feit: De meest schadelijke misinformatie komt "van bovenaf" (politici, invloedrijke personen). Een interventie bij één politicus met een miljoen volgers is effectiever dan bij duizenden gewone gebruikers.
5. Veracity (waarheid) vs. Harmfulness (schadelijkheid)
Argument: De focus ligt op of iets feitelijk "waar" is.
➡️ Tegenargument/Feit: Waarheidsvinding is beperkt. Echte schade komt vaak van "misleadingness": het strategisch weglaten van feiten of het gebruik van ware informatie in een misleidende context.
De auteur adviseert om:
👉 De nadruk te verleggen naar het verhogen van vertrouwen in betrouwbare bronnen (promoten van de "procedural news knowledge").
👉 Systemische oplossingen te zoeken: vermindering van corruptie, economische ongelijkheid en polarisatie.
👉 Interventies te richten op super-spreaders en elites in plaats van de verantwoordelijkheid alleen bij de individuele burger te leggen.
👉 Rekening te houden met het feit dat veel mensen 'onwetend' (uninformed) zijn in plaats van 'misinformeerd'; zij hebben baat bij betere toegang tot begrijpelijke wetenschappelijke info.
Conclusie
De huidige strijd tegen misinformatie berust op de onjuiste aannames dat mensen lichtgelovig zijn en dat misinformatie alomtegenwoordig is. Interventies moeten verschuiven van het louter bestrijden van 'fake news' naar het actief bevorderen van vertrouwen in betrouwbare bronnen en het versterken van democratische instituties. Het aanpakken van de sociaal-politieke wortels van misinformatie (zoals polarisatie en wantrouwen) is effectiever dan symptoombestrijding op individueel niveau.
Als we in het sociaal domein / de gezondheidszorg spreken over psychologische basisbehoeften, vinden mensen dat fascinerend. Maar we raken ze kwijt zodra we stellen stel dat het effect van biologische basisbehoeften op welbevinden óók via psychologische basisbehoeften verloopt. Dit onderzoek (Bradshaw 2026) bevestigt dit standpunt echter (wederom).
Sociale determinanten van gezondheid
De onderzoekers gebruikten een index voor toegang tot sociale determinanten van gezondheid (SDOH), met zeven factoren:
➡️ voedsel
➡️ nutsvoorzieningen
➡️ huisvesting
➡️ financiële druk
➡️ medische zorg
➡️ medicatie
➡️ transport.
Tienduizend Amerikaanse deelnemers gaven aan hoe zij zich voelden: energie en tevredenheid (welbevinden) of depressie en uitputting (onwelbevinden).
Hoog scoren op de SDOH hangt samen met hoger welbevinden (r = .28) en lager onwelbevinden (r = -.52), en andersom. Biologische basisbehoeften hebben dus een matig effect op welbevinden en een groot effect op onwelbevinden. Anders gezegd: SDOH gaat vooral over overleven, niet over floreren.
Psychologische basisbehoeften
De onderzoekers vroegen ook of de psychologische basisbehoeften autonomie, binding en competentie bevredigd of gefrustreerd waren. En nu komt het:
👉 Behoeftefrustratie → onwelbevinden: sterk positief verband (β = 0.53).
👉 Behoeftebevrediging → welbevinden: sterk positief verband (β = 0.64).
Dat zijn grote coëfficiënten, vooral omdat deze al gecorrigeerd zijn voor de sociaaleconomische status (SES). Dus ook als je hoger opgeleid bent en een goed inkomen hebt, bepalen psychologische basisbehoeften voor een groot deel je welbevinden en onwelbevinden. Ze mediëren tussen 47% en 67% van de effecten van externe omstandigheden (SDOH) op psychologische uitkomsten.
Psychomarkers
Aangezien gefrustreerde psychologische basisbehoeften ziekmakend zijn, zou men net als bij biomarkers (cholesterol en bloeddruk), psychologische basisbehoeften moeten zien als psychomarkers. De OECD beveelt aan om deze op landelijk niveau te meten, naast hedonistisch en evaluatief welbevinden. Als je psychomarkers meet, mis je niemand, want hoge SES beschermt niet per se. Dit geldt overigens ook voor de praktijk en de reden waarom we pleiten dat positieve gezondheidsmeting vooral op psychologische basisbehoeften moet zijn gebaseerd (Vinkers 2025).
Toepassen
In het sociaal domein is er aandacht voor het sociaalpsychologisch perspectief, maar men weet te weinig wat basisbehoeften zijn en wat men er concreet mee kan doen. Ook gezondheidsprofessionals, die vaak slechts een half uur per patiënt hebben, waarvan 29 minuten geprotocolleerd zijn, blijven steken in goede intenties.
Er zijn minimale interventies mogelijk, tot en met complete lifecraftingtrajecten. Een minimale toepassing is begrijpen hoe je behoeften kunt ondersteunen tijdens het contact en begrijpen hoe het bijdraagt aan het welbevinden. Beleidsmakers zouden basisbehoeften moeten integreren in hun adviezen.
