Skip to main content

Grappig, een variant op de Turkish get-up, maar dan om een patiënt van de grond te tillen. Naast het zwaartepunt verschuiven boven het steunvlak, waarbij de patiënt soms een extensie wordt van de massa (als contragewicht), zie je dat het moeilijkste deel, namelijk de daadwerkelijke lift, wordt uitgevoerd door de spier met de grootste dwarsdoorsnede van het lichaam, namelijk de bilspier, mede omdat de hamstrings zich in een verkorte en verzwakte positie bevinden.

YourHealth personal training zoekt gediplomeerde freelance personal trainers en fitnessinstructeurs met minimaal een jaar ervaring, voor personal training aan huis en op buitenlocaties in Noord-Holland, Zuid-Holland, Utrecht, Gelderland, Noord-Brabant en regio Zwolle.

Wat je krijgt: een startuurtarief van 48,40 euro per uur incl. btw. Marketing, klantaanvragen, intake, facturatie en klantenservice worden voor je geregeld. Je kiest zelf hoeveel klanten je aanneemt en beheert je eigen agenda. Goed te combineren met een baan, studie of eigen praktijk.

Wat je meebrengt: een diploma personal trainer of fitnessinstructeur met minimaal een jaar ervaring, een KvK-inschrijving (of de bereidheid die te regelen) en een auto, met de bereidheid om maximaal ongeveer 30 minuten te reizen.

Meer info en aanmelden: https://www.yourhealthpt.nl/trainer-worden/?utm_source=chivo-connect

Eiwit verhoogt glucagon-achtig peptide-1 en peptide YY hormonen en die verzadigen.

In de echte wereld hebben ze geen effect, want eiwitinname neemt toe en obesitas ook. In experimenten is hetzelfde aangetroffen behalve …
als er sprake is van een negatieve energiebalans (Ellinger, et al 2024).

In de echte wereld hebben ze geen effect, want eiwitinname neemt toe en obesitas ook. In experimenten is hetzelfde aangetroffen behalve …
als er sprake is van een negatieve energiebalans.

Je zult dus niet spontaan afslanken omdat je eiwitrijk eet, maar het is nuttig bij een negatieve energiebalans. zie je het patroon?

Help je klanten effectief met een gezonde leefstijl met de module Healthcoach.

chivo.nl/mhc

Wanneer is eiwit een hype?

Eiwit is een van de meest besproken macronutriënten, maar er gaapt een groeiende kloof tussen populaire overtuigingen en robuust wetenschappelijk bewijs. Om deze ‘disconnect’ aan te pakken, evalueerde een panel van meer dan 20 internationale experts recentelijk 11 veelgehoorde stellingen over eiwitinname (Kanter et al., 2026). Hun conclusie is helder: voor veel proposities is het huidige bewijs ontoereikend, en de wetenschap moet afstappen van 'one-size-fits-all' richtlijnen.

Vier belangrijke inzichten voor uw dagelijkse praktijk op een rij:

1. De RDA is een ondergrens, geen optimum
De aanbevolen dagelijkse hoeveelheid (RDA) van 0,8 g/kg/dag is uitsluitend gebaseerd op het voorkomen van acute deficiënties. Voor het optimaliseren van spierbehoud – zeker bij ouderen, tijdens calorische restrictie of in combinatie met weerstandstraining – wijst het bewijs op een behoefte van 1,2 tot 1,6 g/kg/dag (of hoger).

2. De 'Protein Leverage'-hypothese verklaart overconsumptie
Het lichaam stuurt homeostatisch primair op het behalen van een eiwitdoel. In een omgeving vol ultrabewerkte voedingsmiddelen (die vaak eiwitarm maar calorie- en vetrijk zijn), eet de consument onbewust meer totale calorieën om aan die eiwitbehoefte te voldoen. Adviseer patiënten daarom niet alleen op calorieën te letten, maar expliciet op de eiwitdichtheid van hun voeding.

3. Hardnekkige mythes ontkracht

  • Nieren en botten: Er is geen overtuigend bewijs dat een hoge eiwitinname de nierfunctie schaadt of botontkalking bevordert bij gezonde individuen. Integendeel, eiwit is structureel essentieel voor de botmatrix en de calciumopname.
  • Verzadiging: De aanname dat eiwit het meest verzadigende macronutriënt is dat structureel leidt tot gewichtsverlies, wordt door de experts als implausibel bestempeld voor de lange termijn in een vrije leefomgeving. Subjectieve hongermetingen correleren slecht met daadwerkelijke langetermijn energie-inname.

4. Kwaliteit (DIAAS) doet er toe
Niet alle eiwitten zijn metabool gelijkwaardig. Dierlijke eiwitbronnen scoren over het algemeen hoger op de Digestible Indispensable Amino Acid Score (DIAAS) vanwege een completer profiel aan essentiële aminozuren (EAA's) en een hogere verteerbaarheid. Plantaardige eiwitten kunnen absoluut voldoen aan de behoeften, maar vereisen bewuste combinaties, aandacht voor complementariteit en vaak een hogere totale inname.

Praktische take-home voor de leefstijlprofessional
Verschuif het advies van kwantiteit alleen, naar kwaliteit en timing. Een eiwitrijk ontbijt (minimaal 25-30 gram) is een praktische, evidence-based strategie om de vaak scheve dagelijkse eiwitverdeling recht te trekken. Combineer dit waar mogelijk met weerstandstraining, aangezien dit de anabole gevoeligheid van het spierweefsel voor eiwitinname aanzienlijk versterkt. Tot slot: wees terughoudend met het extrapoleren van acute surrogaatmarkers (zoals spiereiwitsynthese na één maaltijd) naar langetermijn gezondheidswinst.

Eiwitconsumptie en gezondheid

Het expertpanel van het American College of Sports Medicine (ACSM) concludeert dat de traditionele tweedeling in 'gezondheidsgerelateerde' en 'vaardigheid-gerelateerde' fitheid achterhaald is (Riebe D, et al 2026). Ze presenteren een vernieuwd, dynamisch model van fysieke fitheid dat bestaat uit vijf onderling verbonden componenten:

  • cardiorespiratoire fitheid
  • spierfitheid
  • lichaamscompositie
  • neuromotorische fitheid
  • flexibiliteit

Fitheid is geen statische checklist, maar een complex, synergistisch systeem dat sterk gepersonaliseerd en geïndividualiseerd moet worden benaderd in de praktijk.

Historisch

Al meer dan 40 jaar hanteert het ACSM een model voor fysieke fitheid in hun richtlijnen. Sinds de jaren '80 en met een update in 2009 werd fitheid dichotomisch onderverdeeld in 'health-related' (zoals cardiorespiratoire fitheid en spierkracht) en 'skill-related' of performance-related (zoals balans, coördinatie en reactietijd). Nieuwe wetenschappelijke evidentie toont echter onomstotelijk aan dat componenten die vroeger als puur 'vaardigheid' werden bestempeld (zoals balans en loopsnelheid), ook sterke, onafhankelijke voorspellers zijn van mortaliteit, cognitieve functie en algemene gezondheid. Deze voortschrijdende inzichten noopten het ACSM om een wetenschappelijke roundtable samen te roepen om het fitheidsmodel te herevalueren.

Geen onderscheid

Het vernieuwde model benadrukt twee kernprincipes: interconnectedness (onderlinge samenhang) en individualization (individualisering). Componenten zijn niet geïsoleerd; ze beïnvloeden elkaar synergistisch. Zo verbetert krachttraining niet alleen de spiermassa, maar indirect ook de balans en de botdichtheid. Multicomponent-training (zoals yoga, tai chi of dans) raakt vrijwel alle fitheidsdomeinen tegelijk.

Overweging voor de praktijk: Professionals moeten afstappen van een 'one-size-fits-all' benadering. Voor een oudere volstaat het wellicht om te focussen op neuromotorische fitheid en spiermassa om zelfstandigheid te behouden, terwijl een jonge recreant prioriteit geeft aan CRF en flexibiliteit. De componenten zijn dynamisch en verschuiven naarmate de gezondheid, leeftijd en doelen van het individu veranderen.

Fysieke fitheid volgens de ACSM 2026

Heeft het constant meten van jezelf, ook wel bekend als het quantified-self-concept, een positief of juist negatief effect op het welbevinden? Het antwoord is: allebei

💡 Opzet onderzoek

Het gaat om een meta-analyse met structurele vergelijkingsmodellering (Jain, et al 2024). Met die laatste methode kan men een netwerk van verbanden vaststellen. Op basis van de objectificatietheorie — het lichaam zien als een object dat gemeten kan worden — veronderstelden de onderzoekers dat het meten een direct effect zou hebben op het welbevinden en een indirect effect via lichaamsbeeld en eigenwaarde. Dit onderzochten ze aan de hand van 88 studies uit 71 artikelen, met in totaal 42.102 unieke respondenten.

💡 Resultaten

Het meten zelf heeft een positief effect op het welbevinden, maar dat effect wordt flink geremd door lichaamsbeeld en eigenwaarde. Dat remmende effect werd zo consistent gevonden dat de auteurs stellen dat nagenoeg iedereen er in meer of mindere mate door geraakt wordt.

Een focus op het lichaamsbeeld heeft een direct negatief effect op de eigenwaarde en via dat pad een indirect negatief effect op het welbevinden. Lichaamsbeeld heeft ook een direct negatief effect op het welbevinden. Daarnaast heeft het een negatief effect op zingeving. Helaas waren er te weinig onderzoeken om de effecten naar geslacht uit te splitsen. Daarnaast is de heterogeniteit tussen de studies enorm, wat de effecten kan vertekenen.

💡 Het chronisch actieve zelf

Klinisch kan worden gesteld dat het chronisch gericht zijn op jezelf problematisch kan zijn, zeker als die gerichtheid ook nog voornamelijk draait om statusaspiraties, zoals imago en reputatie. Leenstra zegt intuïtief dat het beter is om gewoon iets anders te doen, en dat is inderdaad het alternatief dat helpt om het chronisch actieve zelf juist te dempen. Focus op activiteiten die je leuk of belangrijk vindt en die je kunt doen met het lichaam dat je nu hebt.

🔍 Meer leren

Dit onderwerp wordt behandeld in onze module Healthcoach. Lichaamsbeeld en eigenwaarde ondermijnen namelijk het vol kunnen houden van een gezonde leefstijl. Meer info:

chivo.nl/healthcoach

Zelf-kwantificatie heeft positieve en negatieve effecten op welbevinden

Een glas sinaasappelsap bij het ontbijt, kiwi door de yoghurt of paprika bij een maaltijd met peulvruchten: vitamine C wordt al langer gekoppeld aan een betere opname van ijzer. Maar zorgt vitamine C-rijk fruit ook daadwerkelijk voor betere ijzerwaarden?

Een nieuwe systematische review en meta-analyse (Nyakundi 2026) in The American Journal of Clinical Nutrition onderzocht precies dat.

Wat onderzochten de wetenschappers?

De onderzoekers analyseerden 15 gerandomiseerde studies met in totaal 1.381 deelnemers. Daarin werd gekeken naar het effect van vitamine C-rijk fruit of vruchtensap dat samen met een maaltijd werd gegeten of gedronken.

Ze onderzochten onder andere ferritine, hemoglobine en de directe opname van ijzer.

Ferritine en hemoglobine verbeterden

Het duidelijkste effect werd gevonden bij ferritine, een belangrijke marker voor de ijzervoorraad in het lichaam.

In zeven studies was de ferritinewaarde gemiddeld 9,39 microgram per liter hoger bij deelnemers die vitamine C-rijk fruit of sap bij de maaltijd kregen.

Ook hemoglobine verbeterde. In twaalf studies was de waarde gemiddeld 1,34 gram per liter hoger dan in de controlegroepen.

Voor beide resultaten beoordeelden de onderzoekers de zekerheid van het bewijs als matig.

Opvallend: ijzeropname zelf niet duidelijk hoger

Opvallend genoeg werd bij de directe meting van ijzeropname geen overtuigend statistisch effect gevonden.

Dat betekent niet dat vitamine C geen invloed heeft op de opname van ijzer. Vitamine C kan vooral de beschikbaarheid van non-heemijzer uit plantaardige voeding vergroten.

Wel laat deze analyse zien dat het directe effect van echt fruit of vruchtensap binnen volledige maaltijden moeilijker aantoonbaar is dan soms wordt gedacht.

Wat kun je hiermee in de praktijk?

Vooral bij maaltijden met plantaardige ijzerbronnen kan het verstandig zijn om vitamine C-rijk eten toe te voegen.

Denk bijvoorbeeld aan:

  • havermout met kiwi of aardbeien;
  • linzen met paprika;
  • hummus met tomaat;
  • bonen met broccoli;
  • fruit bij of rond een ijzerrijke maaltijd.

Vooral mensen die grotendeels plantaardig eten kunnen hier voordeel van hebben, omdat ijzer uit plantaardige producten doorgaans minder makkelijk wordt opgenomen dan ijzer uit dierlijke producten.

Geen behandeling voor ijzertekort

De resultaten zijn veelbelovend, maar vitamine C-rijk fruit is geen behandeling voor een vastgesteld ijzertekort of bloedarmoede.

Bloedarmoede kan verschillende oorzaken hebben en bij een tekort kan aanvullend onderzoek of behandeling nodig zijn.

De praktische conclusie is daarom eenvoudig: de samenstelling van je maaltijd doet ertoe. Een vitamine C-rijke groente- of fruitsoort combineren met een plantaardige ijzerbron is een kleine aanpassing die waarschijnlijk gunstig is voor je ijzerstatus.

Meer ijzer uit je maaltijd met vitamine C

“Mag ik wel volle melk en kaas eten als ik wil afvallen?” Het is een van de meest gestelde vragen in de spreekkamer. Jarenlang werd volle zuivel vanwege het verzadigde vet automatisch gelinkt aan gewichtstoename en een slechtere cardiometabole gezondheid. Maar wat zegt de recente wetenschap (Anderson 2026) hier eigenlijk over?

Een recente gerandomiseerde gecontroleerde trial (RCT) onder volwassenen met overgewicht en obesitas bracht licht in deze discussie. Deelnemers consumeerden 12 weken lang 3 dagelijkse porties volle zuivel (melk, yoghurt, kaas), in combinatie met voedingscounseling gericht op gezonde voedingspatronen.

De uitkomst? Geen gewichtstoename, geen verslechtering van cholesterol of bloedsuiker, en zelfs een daling van de systolische bloeddruk.

Hoe is dit mogelijk? Als professional is het waardevol om drie kerninzichten uit deze studie mee te nemen naar je praktijk:

1. De kracht van de ‘Dairy Matrix’

Voeding is meer dan de som der delen. Volle zuivel bevat een complexe structuur (de ‘matrix’) van vetten, eiwitten, calcium en lactose. Deze combinatie zorgt voor een sterk verzadigend effect. In de studie kregen deelnemers in de ‘ad libitum’-groep (geen calorierestrictie) extra calorieën via zuivel, maar zij vielen niet aan. Hun lichaam compenseerde dit automatisch door minder van andere voedingsmiddelen te eten. De zuivelmatrix remt de honger effectief.

2. Timing kan het verschil maken

Een fascinerend detail uit de methodologie: deelnemers werden geadviseerd om de yoghurt of kaas 7 tot 10 minuten vóór de hoofdmaaltijd te consumeren. Dit stimuleert de eerste fase van de insulinerespons en de afgifte van verzadigingshormonen, waardoor men tijdens de daaropvolgende maaltijd sneller en duurzamer verzadigd raakt. Een simpele, praktische interventie voor je cliënt.

3. De context is koning

De zuivelinterventie stond niet op zichzelf. Deelnemers kregen begeleiding om hun totale dieet te verbeteren (meer volkoren, minder bewerkte producten en suiker). De studie laat zien dat volle zuivel perfect past binnen een gebalanceerd, voedzaam patroon. Het demoniseren van één productgroep leidt zelden tot duurzaam succes; het verbeteren van het totale patroon wel.

Praktische tips voor je begeleiding:

  • Normaliseer volle zuivel: Stop met het automatisch adviseren van magere alternatieven bij cliënten die graag volle zuivel eten, zolang de portiegrootte en het totale dieet kloppen.
  • Focus op eiwit en calcium: Gebruik zuivel als een makkelijk middel om de inname van limiterende nutriënten (eiwit, calcium, vitamine D) te verhogen, wat cruciaal is voor het behoud van spiermassa tijdens gewichtsverlies.
  • Experimenteer met timing: Stel een cliënt voor om 10 minuten voor de lunch of het diner een portie (volle) kwark of een plak kaas te eten, en observeer het effect op hun verzadiging en portiegrootte tijdens de maaltijd.

Conclusie Evidence-based begeleiding betekent dat we afstappen van verouderde dogma’s. Volle zuivel is geen vijand van gewichtsbeheersing of metabole gezondheid. Integendeel: als onderdeel van een begeleid, gebalanceerd voedingspatroon, kan het een waardevolle bondgenoot zijn voor verzadiging en nutriëntendichtheid.

Volle zuivelproducten verzadigen en hebben geen nadelen voor hart en vaten

Als professional in leefstijl, voeding of beweging herken je het vast: cliënten met overgewicht of obesitas willen afvallen, en dat lukt vaak ook. Maar wat gebeurt er onder de oppervlakte? Bij caloriebeperking verliest het lichaam niet alleen vetweefsel, maar ook vetvrije massa (FFM) – en dan met name skeletspiermassa.

Dat is geen onschuldige bijwerking. Skeletspieren zijn cruciaal voor de glucosehuishouding (ze zijn goed voor 80% van de glucoseopname na een maaltijd), produceren gezondheidsbevorderende myokines, en beschermen tegen kwetsbaarheid op latere leeftijd. Met de opkomst van GLP-1 receptor agonisten zoals semaglutide en tirzepatide – die eveneens leiden tot aanzienlijk spierverlies – is dit vraagstuk actueler dan ooit.

De vraag die dan opkomt: hoe beschermen we spiermassa tijdens een calorietekort?


Wat zegt het nieuwste bewijs?

Een systematische review en meta-analyse van Deller et al. (2026), gepubliceerd in Diabetes, Obesity and Metabolism, onderzocht 34 gerandomiseerde gecontroleerde studies met in totaal 1455 deelnemers (leeftijd 29-70 jaar, gemiddelde BMI ≥30 kg/m²). De onderzoekers vergeleken caloriebeperking alleen met caloriebeperking gecombineerd met krachttraining, duurtraining of gemengde training.

De kerncijfers

  • Oefentherapie voorkomt gemiddeld 45,7% van het FFM-verlies tijdens caloriebeperking
  • Het gewogen gemiddelde FFM-verlies in de controlegroep (caloriebeperking alleen) bedroeg -1,9 kg
  • De toevoeging van training resulteerde in een gemiddelde Mean Difference van +0,87 kg FFM (95% BI: +0,59 tot +1,16; p < 0,001) ten opzichte van caloriebeperking alleen
  • Voor lichaamsgewicht zelf zorgde training voor een additionele reductie van -0,88 kg (p < 0,001)

Welke trainingsvorm werkt het best?

De netwerk meta-analyse – een geavanceerde statistische techniek die directe en indirecte vergelijkingen combineert via 41 head-to-head vergelijkingen uit 33 studies – leverde een duidelijke rangorde op voor FFM-behoud:

Trainingsvorm Effect op FFM (kg) 95% BI p-waarde P-score FFM-verlies voorkomen Gemengde training (kracht + duur) +1,20 [+0,67, +1,73] < 0,001 0,93 66,4% Krachttraining +0,83 [+0,17, +1,49] 0,013 0,66 60,6% Duurtraining +0,51 [-0,04, +1,05] 0,067 0,41 25,8% Caloriebeperking alleen Referentie – – – 0%

Gemengde training bleek het meest effectief, gevolgd door krachttraining. Duurtraining toonde een gunstige tendens, maar miste net statistische significantie.

Voor lichaamsgewicht was alleen gemengde training significant superieur aan caloriebeperking alleen (-1,19 kg; p = 0,012). Krachttraining (-0,58 kg; p = 0,219) en duurtraining (-0,75 kg; p = 0,059) verschilden niet significant van de controlegroep.


Wat betekent dit voor de praktijk?

1. Training is geen optie, maar een noodzaak

De boodschap is helder: als je cliënten helpt met gewichtsverlies, is het toevoegen van gestructureerde training essentieel om spierverlies te beperken. Zonder training verlies je bijna 2 kg aan vetvrije massa; met training voorkom je daar bijna de helft van.

2. Combineer kracht en duur

De data suggereren dat een combinatie van kracht- en duurtraining de beste bescherming biedt voor spiermassa. Dit is logisch vanuit fysiologisch perspectief: krachttraining levert de mechanische en metabole prikkels voor spiereiwitsynthese, terwijl duurtraining de mitochondriale functie en het energieverbruik ondersteunt. Deze duale stimulus lijkt vooral beschermend bij energiebeperking, waar substraatbeschikbaarheid gelimiteerd is en anabole signaalroutes verzwakt zijn.

3. Let op de uitvoering – HIIT is niet altijd de oplossing

Niet alle training is gelijk. Twee studies met high-intensity interval training (HIIT) toonden minder gunstige resultaten – ze waren zelfs negatieve outliers. Mogelijk waren de trainingsbelastingen te hoog, waardoor onvoldoende herstel de anabole processen negatief beïnvloedde. Dit benadrukt het belang van een goed gedoseerd programma met voldoende recuperatie.

4. Supervisie maakt verschil

Vijf studies implementeerden 1-op-1 persoonlijke begeleiding, en sommige rapporteerden uitgesproken positieve effecten op FFM. Als professional kun je dus niet alleen adviseren, maar ook begeleiden – en dat lijkt de moeite waard. Bestaand bewijs suggereert dat begeleidde training over het algemeen superieure adaptieve uitkomsten oplevert vergeleken met onbegeleide programma's.

5. Eiwitinname niet vergeten

Ongeveer de helft van de geïncludeerde studies implementeerden een dieet met verhoogd eiwitgehalte. Hoewel de meta-analyse dit niet apart onderzocht, wijzen de auteurs erop dat een hoger eiwitgehalte in het dieet – zeker in combinatie met krachttraining – gunstig is voor spierbehoud tijdens energiebeperking.

6. Intermittent fasting: geen duidelijke meerwaarde

Vier studies implementeerden intermittent fasting protocollen (zoals alternate-day fasting). In deze studies varieerde het FFM-verlies tussen -1,2 en +0,4 kg, wat lager was dan het gewogen gemiddelde van alle studies (-1,9 kg). Echter, een directe vergelijking tussen intermittent fasting en continue energiebeperking (met gelijk eiwit en energie) toonde geen duidelijk voordeel van intermittent fasting voor FFM-behoud.


Kanttekeningen bij het bewijs

Als professional is het belangrijk om het bewijs kritisch te blijven interpreteren:

Publicatiebias

Voor FFM werd asymmetrie in de funnel plot gevonden (Egger's test p < 0,001), wat suggereert dat het gepoolde effect mogelijk overschat is. Voor lichaamsgewicht was er geen sprake van publicatiebias.

Heterogeniteit en inconsistentie

Er was matige heterogeniteit (I² = 62,1% voor FFM, 52,9% voor lichaamsgewicht), wat wijst op variatie in studies. Opvallend: de heterogeniteit werd alleen gezien bij kracht- en gemengde training, niet bij duurtraining – waarschijnlijk door grotere variatie in krachttrainingsprotocollen.

Voor lichaamsgewicht toonde de netwerk meta-analyse zelfs substantiële inconsistentie (Q = 35,52, p < 0,001), wat betekent dat directe en indirecte vergelijkingen niet uniform overeenkwamen. De rangorde voor lichaamsgewicht moet daarom voorzichtig geïnterpreteerd worden.

Diverse meetmethoden

Studies gebruikten DXA (14 studies), BIA (9), hydrodensitometrie (6), air displacement plethysmography (4) en MRI (1). Elke methode heeft eigen aannames en gevoeligheid voor vochtverschuivingen tijdens gewichtsverlies, wat de FFM-schatting kan beïnvloeden.

Kwaliteit van studies

Volgens de PEDro-schaal was de gemiddelde kwaliteit "fair" (score 5). Volgens de RoB2-tool had 41% van de studies een hoog risico op bias en 59% 'some concerns', voornamelijk door afwijkingen van de beoogde interventies.

Geen GLP-1 data

Geen van de 34 studies gebruikte farmacologische middelen zoals GLP-1 receptor agonisten. Wel verwijzen de auteurs naar een case series waarin structuurde training (minimaal 3x/week krachttraining) gecombineerd met adequate eiwitinname zelfs toename van lean soft tissue mogelijk maakte bij patiënten op semaglutide of tirzepatide. RCT's ontbreken echter nog.


Take-home messages voor professionals

  1. Afvallen zonder training = spierverlies. Informeer cliënten hierover en maak training een integraal onderdeel van elk gewichtsverliesprogramma.
  2. Gemengde training heeft de voorkeur. Combineer kracht- en duurtraining voor optimaal spierbehoud (66,4% FFM-behoud) en additioneel gewichtsverlies.
  3. Kwantiteit en kwaliteit tellen. Een goed gedoseerd programma met voldoende herstel en bij voorkeur professionele begeleiding levert de beste resultaten. Vermijd overmatige belasting zonder voldoende recuperatie.
  4. Voeding en beweging gaan samen. Een adequaat eiwitgehalte versterkt het spierbeschermende effect van training.
  5. Wees transparant over het bewijs. Het effect is robuust, maar niet zonder beperkingen. Publicatiebias, methodologische variatie en matige studiekwaliteit vragen om een genuanceerde boodschap.
  6. Denk aan de lange termijn. Spierbehoud is niet alleen belangrijk voor het huidige gewichtsverlies, maar ook voor de metabole gezondheid en fysieke functie op latere leeftijd.
  7. Let op bij GLP-1 agonisten. Hoewel RCT's ontbreken, suggereren casussen dat training en eiwitinname spierverlies door deze medicatie kunnen tegengaan – of zelfs spieropbouw mogelijk maken.

Tot slot

De boodschap van Deller et al. is helder: als we cliënten helpen met gewichtsverlies, moeten we spiermassa beschermen. Training – en dan met name een combinatie van kracht en duur – is daar het meest effectieve middel voor. Als professionals in voeding, beweging en leefstijl hebben we de verantwoordelijkheid om deze boodschap over te brengen en cliënten te ondersteunen in een aanpak die niet alleen leidt tot minder gewicht, maar ook tot een gezondere lichaamssamenstelling.

Trainen beschermt tegen vetvrije massa verlies bij afslanken

De classificatie ultrabewerkte voeding is hopeloos en overbodig. Er wordt veel te veel tijd in gestoken en het gaat helemaal nergens over. Dat komt doordat het deel waar we problemen mee hebben al een naam had, namelijk junkfood. Ultrabewerking voegt daar weinig aan toe.

Als je kijkt naar het primaire probleem, dan is dat te veel eten. Daar is best veel onderzoek naar gedaan. Twee belangrijke elementen zijn gevonden, namelijk:

  1. Textuur, waardoor je weinig hoeft te kauwen.
  2. Hoge energiedensiteit, waardoor je te veel binnenkrijgt voordat je verzadigd raakt.

Beide zijn op te lossen met ultrabewerking. Het is simpelweg mogelijk om voedsel zo aan te passen dat deze twee factoren verminderen, waardoor je langer moet kauwen en minder energie binnenkrijgt.

Een mogelijke derde factor, ‘hyperpalatabiliteit’ of hypersmakelijkheid, is al meerdere malen getest en heeft, zo is gebleken, een wisselvallig en marginaal effect. Laat daar nu juist de meeste boeken over geschreven zijn, met absurde veronderstellingen tot gevolg, zoals het idee dat voedsel verslavend is. Een vermeende aandoening die voor het grootste deel verklaard kan worden door eetstoornissen. Misschien komt het wel doordat de top 100 bestsellers in voedingsgerelateerde boeken niet door diëtisten of voedingswetenschappers zijn geschreven, nog geen 4 procent.

lnkd.in/ek5JEymW

Eten en emotie gaan hand in hand, zoveel is wel duidelijk, maar het is belangrijk om te begrijpen dat alles wat toegeschreven wordt aan ultrabewerkt voedsel, ook opgelost kan worden met ultrabewerking. Het tweede punt is dat alles wat we slecht vinden aan ultrabewerkt voedsel, feitelijk al een naam had, namelijk junkfood. Als laatste is het belangrijk om te begrijpen dat mensen die veel junkfood eten, in het algemeen roekelozer leven en vaker sterven aan bijvoorbeeld ongevallen.

De focus op ultrabewerkt voedsel door professionals is weinig zinvol, mede omdat we zat cliënten hebben die prima op gewicht blijven met zogenaamd ultrabewerkt voedsel. Laten die nu net niet roekeloos leven.

Ultrabewerkte voeding is vaag en niet effectief