Mentale gezondheid neemt verder af (2025)
Het RIVM/Trimbos-rapport over de mentale gezondheid van de Nederlandse bevolking is niet eenvoudig te duiden: verschillende doelgroepen, meetinstrumenten, meetperiodes en dat verdeeld over 417 pagina’s.
Meten is weten als je weet wat je meet
Om er iets van te begrijpen, moet je eerst weten welke instrumenten gebruikt worden. Ze worden geïnterpreteerd binnen het duaal-continua-model: floreren en psychische klachten (degeneren) hangen samen, maar zijn géén elkaars tegenpolen. De drie gebruikte instrumenten zijn:
👉 WHO-5 (floreren) — jongeren sinds 2020
👉 MHC-SF (floreren) — studenten sinds 2021
👉 MHI-5 (psychische klachten) — volwassenen sinds 2014
Floreren en degenereren
De WHO-5 en MHC-SF overlappen sterk, maar niet volledig. De MHI-5 overlapt veel minder met deze twee. Uit de eerste twee blijkt dat jongeren en jongvolwassenen relatief weinig floreren, maar de dataset is beperkt. Internationaal verwacht je dat 30–40% floreert; in Nederland ligt dat rond 18–23% (2020-2025). Dat is lager dan de referentiewaarden. Deze bevinding wordt naast langere HBSC-trends (Europese leerlingen) gelegd, waaruit wordt afgeleid dat mentale gezondheid al jaren daalt.
MHI-5 als ruggengraat
De meest stabiele tijdreeks is de MHI-5. Belangrijk is dat de afkapscore recent verhoogd is van 60 naar 76 op basis van NEMESIS-3 (DSM-georiënteerd). Alle historische data zijn opnieuw berekend volgens deze norm. Met score ≤60 had 18,6% depressieve klachten; met ≤76 valt 43,7% onder angst- en depressieve klachten. De MHI-5 is geen diagnostisch instrument, maar de nieuwe norm is gevoeliger en beter gekalibreerd. De trend laat zien dat rond 2014 ~31% onder de drempel scoorde en in 2024 ~43%, met een piek rond 2021 waarvan we nauwelijks zijn hersteld. Uitgesplitst per populatie betekent dat de volgende delen psychische gezondheidsklachten ervaren:
➡️Algemene bevolking (36% in 2014 naar 43,7% in 2022)
➡️Werkenden (31,7% in 2014 naar 42,8% in 2022)
➡️Ouderen (34,5% in 2014 naar 39,2% in 2022)
➡️Mannen (30,7% in 2014 naar 38,5% in 2022)
➡️Vrouwen (41,2% in 2014 naar 49,6% in 2022)
Voor jongeren zijn de trendcijfers veel minder zichtbaar, omdat er gebruik is gemaakt van meerdere meetinstrumenten en de beperkte historische MHI-5 cijfers niet zijn geactualiseerd volgens de nieuwe norm. Algemeen wordt verondersteld uit andere cijfers dat jongeren sterker verslechterd zijn. Dat zou echter ook toe te schrijven kunnen zijn aan prevalentie-inflatie.
Samenhang ziekteverzuim
Het is waarschijnlijk dat een deel van de stijging komt doordat over mentale gezondheid praten normaler is geworden (prevalentie-inflatie). Tegelijkertijd hangen MHI-5-scores samen met ziekteverzuim. Synchroniseer je UWV/Arbobalans-cijfers met dezelfde meetjaren, dan ontstaat een sterke correlatie: burn-out r ≈ .93, psychisch verzuim r ≈ .88. Dit is géén individuele causaliteit, maar een opvallende maatschappelijke parallel.
Mogelijke oorzaken
De auteurs blijven voorzichtig, maar verwijzen naar multiproblematiek zoals prestatiedruk en maatschappelijke onzekerheid. Het is niet gemeten, maar de literatuur (en onze ervaring) toont aan dat er een duidelijke relatie ligt tussen lage MHI-5-scores en behoeftefrustratie, vooral bij autonomie r ≈ .60. Binding lijkt het minst bepalend. Dat sluit aan bij ons standpunt dat Nederland minder tekort heeft aan verbinding, maar vooral aan autonomie. Daar is veel kennis over.
Wil je daarin ondersteuning binnen jouw organisatie? Dan kun beroep doen op een BOvV vitaliteitskundige.
Je kunt ook zelf mensen sturen naar de opleiding tot vitaliteitskundige.
