Bestaat de Big Two van de persoonlijkheid?
Kun je persoonlijkheid beschrijven met twee metatrekken in plaats van vijf of zes hoofdtrekken? DeYoung en collega’s, ontwikkelaars van de Cybernetic Big Five Theory (CB5T), stellen van wel in hun nieuwste publicatie (DeYoung 2026).
Metatrekken
De CB5T vertrekt vanuit het idee dat mensen doelgerichte en zelfregulerende organismen zijn. In die zin vertoont de theorie overlap met de zelfdeterminatietheorie. Binnen de CB5T worden de vijf trekken ondergebracht in twee hogere dimensies: plasticity (openheid en extraversie) en stability (neuroticisme, aangenaamheid en consciëntieusheid). Dit idee gaat terug op Digman (1997): plasticity ondersteunt exploratie van de omgeving, terwijl stability zorgt voor sociale en emotionele regulatie. Conceptueel is dat plausibel, maar de vraag blijft of meetinstrumenten deze metatrekken daadwerkelijk ondersteunen.
1. Blended items
Een belangrijk kritiekpunt is dat clustering kan ontstaan door de items zelf. Een item als “Ik ben vriendelijk en betrouwbaar” raakt zowel aangenaamheid als consciëntieusheid. Dit leidt tot crossloadings, waardoor trekken automatisch sterker samenhangen. DeYoung laat in een heranalyse zien dat zulke crossloadings er zijn, maar dat de clusters blijven bestaan nadat hiervoor is gecorrigeerd. De Raad (2018) vond iets vergelijkbaars met eenvoudige losse items in elf landen: ook afzonderlijke uitspraken als “Ik ben vriendelijk” en “Ik ben betrouwbaar” clusteren.
2. Sociale wenselijkheid
Een tweede kritiek betreft sociale wenselijkheid. Eigenschappen als vriendelijkheid en betrouwbaarheid zijn algemeen gewenst, waardoor sociaal wenselijk antwoorden clustering kan versterken. De auteurs proberen dit te ondervangen door meerdere observanten te gebruiken in plaats van alleen zelfrapportages.
3, Extreme antwoordstijlen
Een derde kritiekpunt betreft extreme antwoordstijlen; dit wordt statistisch aangepakt via ipsatisering. Daarbij worden eerst alle resultaten van de trekken gemiddeld en de verschillen ten op zichte van dat gemiddelde beoordeeld. Als iemand in alles extreem is, dan zul je zien dat de resultaten minder extreem worden.
Onbeantwoorde kritiek
Niet alle kritiek wordt echter behandeld. Ashton (2009) stelden dat de metatrekken afhankelijk zijn van het gebruikte model. Binnen HEXACO, dat nagenoeg de gehele Big 5 bevat, blijken de twee metatrekken te desintegreren. Zij stellen dat metatrekken in alle gevalideerde modellen overeind moeten blijven.
Verklaring voor HEXACO falen?
Die kritiek is mogelijk minder sterk dan vaak wordt aangenomen. HEXACO werkt namelijk met theoretisch geconstrueerde facetten en emotionaliteit bestaat uit vier facetten die feitelijk over twee metatrekken te verdelen vallen. Je kunt dan stellen dat metatrekken niet bestaan of je kunt stellen dat de vier facetten die theoretisch zijn samengesteld niet juist zijn. Dat facetten een confirmatieve factoranalyse overleven betekent nog niet dat ze empirisch zijn.
Big Two bestaat niet, maar wel functioneel van betekenis
Wat betekent dit alles? DeYoung is genuanceerd: hij claimt niet dat de Big Two superieur zijn, maar dat ze bruikbaar zijn voor globale analyses, terwijl detailinterpretaties beter op het niveau van individuele trekken plaatsvinden. Metatrekken hoeven dus niet strikt “te bestaan” om toch functionele betekenis te hebben — een conclusie die wij onderschrijven.
Dit is een onderwerp in de opleiding tot vitaliteitskundige.
