Temperament, persoonlijkheidstrekken en psychopathologie
Individuele verschillen in emotionele en gedragspatronen – aangeduid als temperament of persoonlijkheid – zijn meetbaar vanaf de vroege kindertijd en voorspellen uitkomsten tot in de volwassenheid. Historisch ontwikkelden temperamentonderzoek (gericht op biologisch beïnvloede verschillen in de vroege jeugd) en persoonlijkheidsonderzoek (empirisch afgeleide constructen via factoranalyse) zich parallel. Rothbarts drie-traitmodel (surgency, negative emotionality, effortful control) en het Five-Factor Model (FFM: openness, conscientiousness, extraversion, agreeableness, neuroticism) zijn in deze publicatie (Katz, et al 2026) geïntegreerd tot een samengevoegde taxonomie (indeling).
Hiervoor is eerst een meta-analyse uitgevoerd van cross-sectionele studies waarin beide zijn gemeten, gevolgd door een replicatieanalyse van de longitudinale ABCD-studie. Het is onmogelijk om de publicatie volledig recht te doen met één post, dus hierbij een opsomming van de belangrijkste bevindingen:
➡️ Internaliserend
Symptomen: piekeren, angstgevoelens, somberheid, huilerigheid, zelfkritiek, gevoelens van waardeloosheid, sociaal teruggetrokken gedrag, emotionele afvlakking, weinig plezier, isolatie, passiviteit, lichamelijke klachten zonder duidelijke medische oorzaak (bijv. hoofdpijn, buikpijn, misselijkheid, duizeligheid).
Samenhang: na correctie voor covariantie met externaliserend gedrag ontstaat een distinct profiel dat primair wordt gedragen door hoog neuroticisme/negatieve affectiviteit (β = .42 in de meta-analyse; β = .24 in de ABCD-replicatie) en lage extraversie/surgency (β = -.37; β = -.47). Dit sluit inhoudelijk aan bij emotionele dysregulatie, prikkelbaarheid en lage positieve emotionaliteit als kernprocessen.
➡️ Externaliserend
Symptomen: vechten, schelden, dreigen, fysieke agressie, pesten, boosheid, opstandigheid, anderen kwetsen, regeloverschrijdend gedrag, liegen, stelen, spijbelen, autoriteit negeren, vandalisme, grenzen overtreden.
Samenhang: na correctie voor internaliserend gedrag ontstaat een duidelijk ander profiel: de sterkste unieke correlaten zijn lage agreeableness (β = -.50) en lage conscientiousness/inspanningscontrole (β = -.46; β = -.44 in ABCD). Dit wijst inhoudelijk op antagonisme, lage empathie, impulsiviteit en disinhibitie als kernmechanismen. Extraversie/surgency wordt na correctie positief geassocieerd (β = .30; β = .16 in ABCD), wat benaderingsmotivatie en sensatiezoeken als relevante processen benadrukt.
Overwegingen
Een enkele trek verklaart slechts een klein tot matig deel van de variantie, vaak minder dan 20 procent. Het combineren van trekken zou dat percentage moeten verhogen, maar dit wordt helaas niet gerapporteerd in de publicatie.
Er ontbreekt bovendien informatie om zelf een schatting te maken, maar de correlaten met andere trekken geven sterke aanwijzingen dat een ‘blend’ een groter deel van de variantie zou verklaren. Profielgebaseerde analyses voegen daarom veel toe.
Opvallend is dat het effect van neuroticisme na correctie nagenoeg verdwijnt voor externaliserend gedrag, terwijl neuroticisme wel externaliserende facetten kent. Dit verklaart mogelijk waarom het CB5-model, waarin neuroticisme samen met agreeableness wordt geplaatst, geen stand houdt. Met HEXACO zijn juist internaliserende en externaliserende componenten gescheiden, wat betere analyses mogelijk zou moeten maken.
De toekomst
Deze analyse ondersteunt het betoog dat dimensionele meetinstrumenten zoals HiTOP en RDoC meer nauwkeurigheid bieden dan categorische classificaties, al maken ze het model ook complexer. Wij combineren beide benaderingen en ontwikkelen hiërarchische dimensionele meetinstrumenten die gebaseerd zijn op hetzelfde fundament, maar per laag meer detail bieden. Ze beginnen op hoog niveau met agency en communion als de ‘Big Two’ en splitsen gedrag vervolgens steeds verder uit.
Vanuit deze Big Two kunnen ook meer psychopathologische constructen worden geïntegreerd, zodat ook dat domein wordt afgedekt. Voor ons is dat noodzakelijk omdat we bij re-integratie te maken hebben met psychopathologie. Dimensionele modellen zoals de Big Five en HEXACO hebben een statistisch orthogonaal karakter dat in de (klinische) praktijk moeilijk herkenbaar is. Wat ons betreft ligt de toekomst in een hiërarchisch dimensioneel model.
