In de actualisering van de DSM-5-TR zijn religieuze en spirituele problemen uitgebreid met moreel leed (Z65.8) als zorgfocus. Morele problemen zijn ervaringen die iemands begrip van goed/fout of het gevoel van goedheid van zichzelf, anderen of instituties verstoren. Er is dus formeel aandacht voor moreel leed, maar het baart toch zorgen.
Er is geen onderliggende, samenhangende theorie. Er circuleren verschillende, vaak restrictieve definities. Dat behandeling idiografisch wordt ingestoken—gericht op de unieke persoonlijke ervaring—betekent niet dat we moeten afzien van theorievorming.
𝗠𝗼𝗿𝗲𝗲𝗹 𝗹𝗲𝗲𝗱 𝗮𝗹𝘀 𝘀𝗽𝗲𝗰𝘁𝗿𝘂𝗺
Recent is een nieuwe definitie voorgesteld die het werk van Carey & Hodgson (2018), Litz et al. (2009) en Shay (1994) verruimt, doordat slachtofferschap niet alleen ontstaat bij verraad door een gezaghebbende figuur. Moreel leed wordt daarin als spectrum gepresenteerd met twee subschalen: moreel wereldbeeld en symptomen.
Toch ontbreekt nog steeds goede theoretische samenhang. Aangezien motivatie een morele dimensie heeft en sterk samenhangt met welbevinden en psychopathologie, is dat onbevredigend.
𝗘𝗲𝗻 𝗺𝗼𝘁𝗶𝘃𝗮𝘁𝗶𝗲𝗽𝗲𝗿𝘀𝗽𝗲𝗰𝘁𝗶𝗲𝗳
👉 Moraliteit is een set ongeschreven regels die samenwerking op basis van gelijkwaardigheid bevordert, met contextgevoelige normen. Samenwerkingsnormen verschillen bij familie (altruïsme) versus tussen vreemden (wederkerigheid) (Curry, 2016).
👉 Morele verontwaardiging ontstaat wanneer schade in een dyade wordt waargenomen: er is een dader en een slachtoffer. Zelfs als dat niet objectief aantoonbaar is, kan perceptie dit invullen—dyadische voltooiing (Gray, 2009).
👉 Moreel leed ontstaat wanneer gelijkwaardigheid (noodzakelijk voor duurzame samenwerking) wordt aangetast door een morele schending. Mensen vallen dan terug op contingente eigenwaarde en geïntrojecteerde regulatie (Deci & Ryan, 2000): men wil stabiele eigenwaarde herstellen. Lukt dat niet, dan internaliseert het morele leed het spectrum op richting trauma.
➡️ Deze drieslag is niet als geheel empirisch getoetst, maar elk onderdeel rust op zorgvuldig beargumenteerde constructen die experimenteel en observationeel zijn gevalideerd. Manipulaties tonen consequente criteriumvaliditeit (bijvoorbeeld effecten op schaamte en schuld). Reacties zijn bovendien neurofysiologisch te verankeren binnen allostatische inferentie (Feldman-Barrett, 2016). Behandeling kan idiografisch blijven, maar wel theoretisch gekaderd.
Hoewel we blij kunnen zijn met de formele toevoeging van morele problemen in de DSM, vind ik het lastig dat zulke fenomenen nog onvoldoende zijn geborgd in de moraal- en ontwikkelingspsychologie. De gammawetenschappen zouden hun constructen beter moeten synchroniseren om effectiever te worden.
𝗠𝗲𝗲𝗿 𝗹𝗲𝗿𝗲𝗻
Morele verwonding is een onderwerp in onze module Emotieregulatie (MER). Meer info:
