Skip to main content

Geen biomarkers voor burnout

Volgens TNO is burnout een van de grootste uitdagingen van onze tijd. Volgens de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) is het een syndroom dat voortkomt uit chronische, onbeheersbare stress op het werk. Het raakt niet alleen het welbevinden van werknemers, maar heeft ook grote implicaties voor organisaties en de zorgsector. Toch blijft de diagnose vaak afhankelijk van zelfrapportagevragenlijsten, zoals de Maslach Burnout Inventory (MBI).

Zou het niet fijner zijn als we burn-out objectief konden meten? Bijvoorbeeld via een bloedtest? Een nieuwe systematische review uit augustus 2025 ([Balia et al](<. https://doi.org/10.1101/2025.08.05.25332953>).) zette de huidige stand van zaken op een rij. Hieronder lees je de belangrijkste inzichten voor HR-professionals, arbodeskundigen en zorgproviders.

De studie in het kort

Onderzoekers analyseerden 111 studies die in totaal 36 potentiële biomarkers onderzochten bij volwassenen. Het doel: vaststellen of er een consistente fysiologische 'handtekening' van burnout bestaat die vroegdetectie mogelijk maakt.

De harde cijfers: wat werkt wel en wat niet?

De conclusie is genuanceerd. Van de 36 onderzochte biomarkers lieten de meeste inconsistente resultaten zien. Er is op dit moment geen definitieve biosignatuur voor routinematige klinische diagnose. Toch springen een paar markers eruit:

  • HbA1c (langdurige bloedsuikerspiegel): Dit was de meest consistente marker. In 85,7% van de studies (6 van de 7) werd een positieve associatie gevonden met burn-out.
  • Prikkelbaredarmsyndroom (IBS): Alle drie de studies hierover (100%) vonden een positieve link tussen darmklachten en burn-out.
  • Bloedglucose: 60% van de studies vond een positieve associatie.
  • Cortisol: Ondanks dat het de meest bestudeerde marker is (48 studies), zijn de resultaten tegenstrijdig. Slechts 41,7% van de studies vond een consistente richting. Bij plasma-cortisol werd zelfs in 80% van de gevallen geen associatie gevonden.
  • Cardiovasculair & Immunsysteem: Bloeddruk, hartslagvariabiliteit en ontstekingsmarkers (zoals CRP) leverden eveneens wisselvallige beelden op.

Waarom zijn de resultaten zo wisselvallig?

Als professional is het belangrijk om te begrijpen waarom we nog geen simpele test hebben. De auteurs noemen drie cruciale factoren:

  1. Definitie van Burnout: Er is geen eenduidige klinische definitie. De meeste studies gebruiken de MBI, maar de ontwikkelaars daarvan waarschuwen zelf al dat de totaalscore niet gebruikt moet worden voor diagnose. Dit leidt tot 'appels met peren vergelijken'.
  2. Overlap met Depressie: De dimensie 'emotionele uitputting' (vaak gebruikt als graadmeter voor burnout) correleert sterk met depressieve symptomen. Sommige onderzoekers stellen zelfs voor om werkgerelateerde distress te benaderen als occupational depression. Depressie kan bijvoorbeeld leiden tot hypocortisolisme, wat de cortisol-resultaten bij burnout vertekent.
  3. Fysiologische Adaptatie: Bij chronische stress kan het lichaam omschakelen. Waar acute stress leidt tot hoge cortisolwaarden (hyper), kan langdurige burnout leiden tot een uitgeputte stressas (hypo). Dit verklaart waarom sommige studies juist lagere waarden vinden bij ernstige burnout.

Praktische implicaties voor professionals

Hoewel we nog niet kunnen vertrouwen op een bloedtest voor diagnose, biedt dit onderzoek wel handvatten voor preventie en begeleiding:

  • Kijk verder dan de vragenlijst: Gebruik zelfrapportage, maar wees je bewust van de beperkingen. Een gesprek blijft essentieel.
  • Let op metabole signalen: Omdat HbA1c en bloedglucose consistentere links vertonen, kan het monitoren van metabole gezondheid (voeding, beweging, suikerhuishouding) een waardevol onderdeel zijn van burnout-preventie.
  • Neem darmklachten serieus: De sterke link met IBS suggereert dat maag-darmklachten een vroeg warning signaal kunnen zijn van chronische werkstress.
  • Onderscheid burnout en depressie: Wees alert op comorbiditeit. Een werknemer met burnout-klachten kan ook depressieve symptomen hebben, wat vraagt om een andere benadering.
  • Vroegsignalering is key: Biomarkers zijn wellicht niet geschikt voor diagnose, maar vroege verstoringen in metabole of neuro-endocriene markers kunnen wel helpen om kwetsbare individuen te identificeren voordat ze uitvallen.

Conclusie

We kunnen burnout nog niet 'prikken'. De wetenschap is er nog niet uit door methodologische verschillen en de complexe overlap met depressie. Voor professionals betekent dit: blijf inzetten op bewezen preventiestrategieën, luister naar lichamelijke signalen (zoals darmen en energiehuishouding), en wacht af tot er meer consensus komt over de definitie en meetbaarheid van burnout.

Geen biomarkers voor burnout