Skip to main content

Desinformatie beïnvloedt geen verkiezingen, maar wel procedures

Het idee dat desinformatie daadwerkelijk invloed heeft op verkiezingen blijft hardnekkig, maar de data zijn heel consistent, zo blijkt ook uit dit overzichtsartikel (Adam 2024).

1: Desinformatie is overgewaardeerd in zijn invloed op stemgedrag

Mensen stemmen op basis van identiteit, waarden en intuïtie, niet op basis van feitelijke informatie. Onderzoek toont aan dat het uiterst moeilijk is om iemand van partij te doen veranderen. Feitelijk is er eerder sprake van morele paniek.

Empirisch bewijs: Eady et al. (2023) analyseerden Russische trollen op Twitter tijdens de Amerikaanse verkiezingen van 2016. Hoewel miljoenen mensen blootgesteld waren aan desinformatie, was de daadwerkelijke consumptie laag en voornamelijk gericht op mensen die al Republikeins waren. Bovendien werd deze inhoud overschaduwd door honderden malen meer nationale nieuwsbronnen.

2: Desinformatie werkt indirect via gedrag en vertrouwen

Argument: Hoewel overtuigingen stabiel zijn, is gedrag vatbaarder. Desinformatie kan bijvoorbeeld mensen misleiden over de stembusdatum of de geldigheid van verkiezingen.

Voorbeelden:

In Australië circuleerde desinformatie dat het referendum over een Indigenous Voice niet verplicht was (terwijl alle verkiezingen in Australië wél verplicht zijn).

De nep-Biden-robocalls probeerden kiezers te ontmoedigen om te stemmen.

3: AI vergroot het volume, niet noodzakelijk de impact

Argument: AI maakt het makkelijker en goedkoper om realistische desinformatie te creëren (deepfakes van overleden Indiase politici, nep-audio van Slowaakse kandidaat Šimečka).

Hany Farid (UC Berkeley) en anderen wijzen erop dat er nog steeds weinig bewijs is dat deepfakes sterker overtuigen dan tekst of audio. Een MIT-studie (Wittenberg et al., 2021) vond dat video’s weliswaar geloofwaardiger lijken, maar nauwelijks meer overtuigingskracht hebben dan transcripties.

4: Overdreven aandacht voor desinformatie kan zelf schadelijk zijn

Argument: Door constant te benadrukken dat desinformatie “overal” is en “werkt”, zaait men per ongeluk extra wantrouwen in betrouwbare instituties.

Bewijs: Edelman Trust Barometer (2024) toont dalend vertrouwen in de Britse overheid (30%, laagste sinds 2012). Pew Research (2023) rapporteert een daling van 16% in Amerikaans vertrouwen in wetenschap sinds voor de pandemie.

Waarschuwing: Sacha Altay (Universiteit van Zürich):

“Disinformatiecampagnes zijn vaak bedoeld om wantrouwen te zaaien — en wij doen dat door er overdreven over te praten.”

Conclusie

De invloed van desinformatie lijkt niet te bagatelliseren, maar eerder andersom. De mensen die dat beweren overschatten het effect en vergroten de zorgen door het alarmisme (Gatterman 2024).

Mensen die desinformatie verspreiden lezen het zelf nauwelijks of interesseert het niet of het waar is. Ze zoeken een stok om mee te slaan. Dit is een affectief en geen epistemologisch probleem. Meer over het onderwerp kun je beluisteren in de podcast 'Made in Europe'.\

Desinformatie beïnvloedt geen verkiezingen, maar wel procedures