Authenticiteit verbondenheid studenten omgeving
Dit kwalitatieve onderzoek van Verbree, İşik, Van Der Schaaf, Wijngaards-De Meij en Dilaver (2026), uitgevoerd aan het University Medical Center Utrecht en Utrecht University, onthult dat de ervaringen van studenten met verbondenheid (sense of belonging) en authenticiteit in het hoger onderwijs multidimensionaal, dynamisch en situatie-afhankelijk zijn, gevormd door interacties op meerdere niveaus van een socio-ecologisch kader – van persoonlijke kenmerken tot institutionele structuren – waarbij authenticiteit cruciaal is om verbondenheid te voorkomen dat deze uitmondt in conformiteit of assimilatie.
Achtergrond
Verbondenheid wordt steeds vaker erkend als een complex, multidimensionaal en dynamisch verschijnsel in het hoger onderwijs, dat niet binair (wel/niet) maar als continuüm moet worden begrepen. Bestaand onderzoek richt zich vooral op verbondenheid als predictor van studieprestaties, maar onderschat de noodzaak om studenten authentiek te laten zijn – zonder delen van hun identiteit te maskeren om te "passen". Authenticiteit, gedefinieerd als tweedimensionaal (Jansen et al., 2014), omvat room for authenticity (ruimte om jezelf te zijn, afwezigheid van barrières) en value in authenticity (actieve waardering door anderen voor iemands unieke identiteit). Deze studie vult een belangrijke lacune aan door authenticiteit systematisch te onderzoeken naast verbondenheid, met bijzondere aandacht voor studenten met gemarginaliseerde identiteiten die vaak minder authenticiteit en verbondenheid ervaren.
Onderzoeksvragen en theoretisch kader
Het onderzoek beantwoordt twee centrale vragen: (1) Hoe ervaren studenten verbondenheid (faculteitsbegrip, peerondersteuning, klascomfort, universitaire identificatie) en authenticiteit (ruimte en waardering), hoe belangrijk zijn deze concepten, hoe beïnvloeden ze elkaar, en hoe ontwikkelen ze zich in de tijd? (2) Welke factoren (bevorderend/belemmerend) vormen deze ervaringen? Theoretisch steunt het onderzoek op de self-determination theory (Deci & Ryan, 2000) en de belongingness hypothesis (Baumeister & Leary, 1995), die verbondenheid en authenticiteit positioneren als fundamentele menselijke behoeften. Tijdens de analyse werd het socio-ecologische model van Bronfenbrenner (1979) geïntegreerd om invloeden op meerdere niveaus te structureren.
Methodologie
Dit is een kwalitatief onderzoek met een critical realist benadering, gebruikmakend van reflexieve thematische analyse (Braun & Clarke, 2022). Via semi-gestructureerde diepte-interviews (50–75 minuten) werden 21 fulltime undergraduate studenten geïnterviewd aan een Nederlandse onderzoeksuniversiteit (gemiddelde leeftijd 21,1 jaar; SD = 1,68; bereik 18–25 jaar). De steekproef was doelbewust divers samengesteld op geslacht (11 vrouwen, 4 mannen, 6 non-binair/anders), beperkingen (fysiek en/of mentaal bij 8 deelnemers), religie, etniciteit (9 met gemarginaliseerde achtergrond), ouderlijk onderwijsniveau, studiejaar en school. Achttien deelnemers waren actief in studentenorganisaties. De interviewgids, vooraf getest en verfijnd, richtte zich op (1a) ervaringen met verbondenheid/authenticiteit, (1b) veranderingen over tijd, (1c) belangrijkheid van de concepten, en (2a) beïnvloedende factoren, (2b) suggesties voor de universiteit. Vooraf kregen deelnemers operationele definities van verbondenheid en authenticiteit aangeboden (zie Appendix in het artikel). De audio-opnamen werden getranscribeerd met software (Amberscript) en gecontroleerd op nauwkeurigheid. Analytisch werden codes gegenereerd en geclusterd tot zeven thema's, georganiseerd volgens een socio-ecologisch kader (micro-, meso-, exo- en macrosysteem). Room for authenticity en value in authenticity zijn hierbij essentiële begrippen: het eerste verwijst naar de afwezigheid van druk om je aan te passen ("je mag jezelf zijn"), het tweede naar actieve waardering ("je wordt aangemoedigd om je unieke perspectief in te brengen").
Belangrijkste resultaten en thema's
Zeven thema's werden geïdentificeerd die de complexiteit van verbondenheid en authenticiteit weerspiegelen:
- Complexiteiten en variaties in ervaringen: Ervaringen variëren sterk tussen en binnen studenten, zijn multidimensionaal en situatie-afhankelijk. De meeste studenten ervoeren room for authenticity bij peers ("je mag jezelf zijn"), maar misten value in authenticity ("niemand moedigt actief mijn unieke identiteit aan"). Authenticiteit werd door sommigen als complex ervaren omdat men verschillende "versies van zichzelf" heeft in verschillende contexten.
- Studentkenmerken en agency: Persoonlijkheid (bijv. extravertie versus terughoudendheid) beïnvloedde de mogelijkheid tot verbondenheid. Studenten met gemarginaliseerde identiteiten (etniciteit, gender, beperkingen) rapporteerden vaker negatieve ervaringen, versterkt door eerdere uitsluiting ("je komt niet met een blanco vel aan"). Agency – het nemen van verantwoordelijkheid voor je eigen verbondenheid – werd door de meeste studenten als noodzakelijk gezien, maar sommigen pleitten voor ondersteunende structuren van de universiteit in plaats van alleen persoonlijke verantwoordelijkheid.
- "Bubbles" en verbondenheid: Peers zijn cruciaal voor verbondenheid en authenticiteit, maar sterke relaties ontstaan niet automatisch. Groepsvorming ("bubbles") kan zowel verbinden als uitsluiten. Verschillen (in mening, etniciteit, gender) kunnen klascomfort belemmeren ("ik durf mijn afwijkende mening niet te uiten bij klimaat"), maar sommige studenten zagen diversiteit juist als verrijkend voor authenticiteit.
- De waarde van docenten die extra inspanningen leveren: Docenten die passie tonen, persoonlijke informatie delen, diversiteit erkennen en toegankelijk zijn ("je kunt ze aanspreken in de gang"), bevorderen sterk verbondenheid. Informele contacten buiten de klas (bijv. artikelen sturen gericht op studentenbelangen) ondersteunen faculteitsbegrip. Een kleine machtsafstand ("gelijkwaardig communiceren") verhoogt toegankelijkheid.
- De onderwijscontext vormt ervaringen: Kleinere entiteiten (studieprogramma's, werkgroepen) bevorderen verbondenheid meer dan grote colleges. De sfeer van een school/programma (bijv. "sociale sfeer in geschiedenis versus stressvolle sfeer elders") beïnvloedt authenticiteit. Fysieke aanwezigheid op campus, kennis van gebouwen en extracurriculaire betrokkenheid (studentenorganisaties, deelraad) versterken verbondenheid met de universiteit als geheel.
- Dynamische aard over tijd: Verbondenheid en authenticiteit ontwikkelen zich geleidelijk, vooral tijdens de transitie van middelbare school naar universiteit. Twee processen zijn cruciaal: (a) academische aanpassing (leren navigeren in routines/normen van de universiteit), en (b) het opbouwen van relaties met peers/docenten, wat tijd vergt ("het groeit langzaam... ik voel me geleidelijk comfortabeler").
- Invloed op studentfunctioneren: Verbondenheid en authenticiteit worden gezien als fundamentele behoeften die positief beïnvloeden: leerproces, motivatie, welbevinden, persoonlijke ontwikkeling en gedrag. Beperkte authenticiteit maakt studeren "minder leuk" en vermindert aandacht. Hoewel de concepten gerelateerd zijn, kunnen ze divergeren: men kan verbondenheid ervaren door zich aan te passen, maar dan authenticiteit verliezen ("ze zien me als 'één van ons', maar niet wie ik echt ben").
Sterktes en zwaktes
Sterktes: Rijke, gedetailleerde narratieven van een divers studentenpanel; gebruik van een socio-ecologisch kader dat meerdere invloedsniveaus integreert; kritische realistische benadering die subjectieve realiteiten erkent; transparante beschrijving van de analytische procedure inclusief reflexiviteit van onderzoekers met gemarginaliseerde achtergronden. Zwaktes: Door het gebruik van vooraf gedefinieerde concepten kon niet worden onderzocht hoe studenten zelf verbondenheid/authenticiteit definiëren; focus op undergraduate studenten sluit graduate studenten uit; mogelijkheid tot sociale wenselijkheid in antwoorden; beperkte generaliseerbaarheid vanwege kwalitatieve aard (hoewel transferabiliteit wordt gestreefd via diepgaande beschrijvingen).
Discussie en implicaties
De bevindingen bevestigen dat verbondenheid en authenticiteit niet statisch zijn maar continu worden "heronderhandeld" in interactie met de omgeving. De studie introduceert het concept agentic belonging (Gilani et al., 2025): studenten nemen actief verantwoordelijkheid, maar institutionele structuren bepalen mede de mogelijkheden hiertoe. Belangrijk is dat authenticiteit expliciet moet worden gestimuleerd om te voorkomen dat verbondenheid uitmondt in assimilatie – met name riskant voor studenten met gemarginaliseerde identiteiten. Praktische aanbevelingen omvatten: vaste kleine werkgroepen binnen grote programma's; docenten die expliciet ruimte creëren voor fouten en vragen; aandacht voor academische aanpassing na de eerste week; en institutionele reflectie op structurele factoren die verbondenheid belemmeren (bijv. gebouwontwerp, communicatie)
